Over In de bergen van Nederland van Cees Nooteboom
Op 11 februari jl. overleed Cees Nooteboom, als auteur van romans, poëzie en reisverhalen één van de meest bekende en productieve schrijvers in het Nederlandse taalgebied sinds de Tweede Wereldoorlog. Werk van Nooteboom verscheen in tal van landen in vertaling, en de schrijver had vooral ook in Duitsland een grote reputatie. Bij wijze van herdenking een niet eerder gepubliceerde beschouwing van Ger Groot over de roman In (de bergen van) Nederland van Nooteboom, in 2012 in Nijmegen uitgesproken in het bijzijn van de schrijver.
‘Er was eens een tijd,’ zo begint de roman In de bergen van Nederland van Cees Nooteboom, ‘die volgens sommigen nog steeds voortduurt. In die tijd was Nederland veel groter dan nu.’ Daar hebben wij niet zoveel moeite mee. Nederland is ooit een stuk groter geweest. België hoorde erbij – en dat scheelt meteen een slok op een borrel. Dat stuk is Nederland, zoals bekend, in 1830 kwijtgeraakt.
Maar op het kaartje dat in de roman staat afgedrukt wordt duidelijk dat Nooteboom dát niet bedoeld heeft. Daarop sleept Nederland een rare uitstulping met zich mee, een grote onregelmatig gevormde bal aan het been – ongeveer zoals Amerikaanse gevangenen/dwangarbeiders in strips een loden kogel met zich meeslepen. Die uitstulping heet in de roman ‘het Zuidland’, een soort overmatig Roemenië lijkt het wel, en dat niet alleen vanwege de afstand of de duistere bergen die er op ‘transsylvanische’ wijze het landschap bepalen.
Ze lijkt er ook op omdat de reputatie van die verre regio bedrieglijk veel weg heeft van die van het struikroversland dat wij graag met de Karpaten identificeren. ‘Bestuursambtenaren,’ zo vertelt Nooteboom, ‘spraken over ‘het Donkere Zuiden’, over barbaren en corruptie, over dom en onbestuurbaar. […] Daarbij, het Zuiden bracht niets op behalve goedkope wijn en fruit, kostte eigenlijk alleen maar geld. In feite was het alleen maar goed om arbeidskrachten te leveren aan de Noordelijke industriesteden […] tot de economische crisis kwam die maakte dat men ze het liefst weer helemaal zag vertrekken, met hun stank en hun lawaai, naar de primitieve streken waar ze vandaan kwamen.’
Het lijkt werkelijk alsof Nooteboom in 1984, toen dit boek uitkwam, profetische gaven had. Toch klonk ook toen al de roep om verwijdering van vreemdelingen en ook toen verkeerde de economie in een ernstige crisis, misschien nog wel dieper dan die van nu. Ook dat lijkt Nooteboom in zijn boek te weerspiegelen. ‘Ten eerste,’ zo schrijft hij wat verderop in het boek ‘was er de recessie, een woord dat door zijn buitenlandse klank al iets kinderachtigs had omdat het moest verhullen dat de mensen het beter hadden dan ooit een eerdere generatie.’ Het sarcasme van die toevoeging is onmiskenbaar en we doen er goed aan ons dat ter harte te nemen. Het verraadt al iets van de dubbele bodems de ons in dit sprookje van Nooteboom te wachten staan.
Want een sprookje is het, ook al heb ik In de bergen van Nederland zojuist nog een roman genoemd. Kijken we naar de zin waarmee de roman opent. ‘Er was eens’: dat is een onmiskenbaar sprookjesbegin. Of beter: In de bergen van Nederland is een sprookje in een roman of een novelle. Het sprookje wordt geschreven door de wat oudere, Spaanse wegenbouwkundige ingenieur Alfonso Tiburón de Mendoza, die zijn verhaal regelmatig onderbreekt met opmerkingen van persoonlijke of filosofische aard. Terwijl hij in een snikhete augustusmaand in Zaragoza in een leegstaand klaslokaal schrijft aan zijn sprookje, geïnspireerd door het verhaal De sneeuwkoningin van Hans Christiaan Andersen, schrijft Nooteboom over Alfonso Tiburón – die op de keper beschouwd veel weg heeft van Nooteboom zelf.
Want als wegen Alfonso’s specialiteit zijn, dan geldt iets dergelijks ook voor de auteur die als reisschrijver internationaal furore heeft gemaakt. Als Nooteboom zijn ingenieur een lofzang laat zingen over het Nederlandse voorzetsel ‘om’, mogen we het zeker weten: zelf bundelde hij zijn Spaanse reisverhalen immers een kleine tien jaar later onder de titel De omweg naar Santiago. Dat rijmt dan weer prachtig op Tiburóns opmerking dat ‘er een overeenkomst is tussen verhalen schrijven en wegenbouw’, met als nuchtere conclusie: ‘je moet tenslotte ergens komen’….
Te gemakkelijk
Alfonso Tiburón kent Nederland goed (hij heeft er gestudeerd) maar blijft zelf een zuiderling – en dat is niet zonder belang. Want in tegenstelling tot de genoemde bestuursambtenaren (en eigenlijk alle Nederlanders van het Noorden) heeft hij een groot zwak voor het Zuidland. ‘In het Noorden van hun land heb ik mij nooit erg thuis gevoeld,’ zo bekent hij al meteen in het begin van het boek. Maar in het zuidelijk deel van dat land is dat anders. ‘Het leven was er niet zo geregeld en aan banden gelegd…. In het Noorden werden [de inwoners ervan] beschouwd als tweederangs burgers, al dan niet openlijk uitgelachen om hun accent, en meestal alleen maar geschikt bevonden voor de lagere banen.’
Maar als wij iets later lezen hoe Tiburón de helden van zijn sprookje, de beeldschone Kai en Lucia, als variété-artiesten naar het Zuidland laat vertrekken omdat er voor de illusionisten die zij zijn in het Noorden vanwege de recessie geen droog brood meer te verdienen valt, raken we er een ogenblik lang bijna van overtuigd dat het Zuidland eigenlijk niets anders is dan Belgie (‘in het Zuiden gaan werken’ betekende in het [artiesten]vak dat het voorgoed met iemand afgelopen was’, schrijft Tiburón/Nooteboom er nog bij) – en lijken we toch weer terug te zijn bij 1830.
Voor een sprookje is dat echter te eenvoudig – al was het maar omdat Vlaanderen inmiddels al lang zijn eigen ‘Zuidland’ kent: het Franstalige Wallonië dat – zoals iedere Vlaming kan vertellen – door en door corrupt is, onbestuurbaar en ook op zijn beurt de Noordelingen (nu dus die uit Vlaanderen) alleen maar geld kost. Zo herhaalt de geografie van het ‘Zuidland’ zich keer op keer. Waar je ook gaat, steeds keert de tegenstelling tussen orde en wildheid, werkelijkheidszin (‘Werkelijkheid is meer iets voor Nederlanders,’ mompelt Tiburón later in het boek) en illusionisme weer terug.
De verschuivende grens tussen die twee duidt niet op een tegenstelling in geografie maar op een soort constante binnen elke cultuur of natie, of misschien in het menselijk wezen zelf. Dat klinkt meteen al behoorlijk wijsgerig – maar ik mag me dat veroorloven omdat Tiburón ook zelf op dat vlak een flinke duit in het zakje doet.
Waarover gaat dus In de bergen van Nederland, dat aanvankelijk kortweg – en misschien wel trefzekerder – In Nederland heette? Laten we die aanduiding maar ernstig nemen en zeggen dat het ook gaat over Nederland tout court. Is dat land verdeeld tussen een zone van onherbergzame woestheid en een van al even onherbergzame orde? In twee werelden die elkaar niet meer lijken te herkennen als uiteindelijk dezelfde wereld of hetzelfde land? In de sprookjesroman van Nooteboom lijkt dat wel zo te zijn, en dat wordt zelfs heel uitdrukkelijk uitgesproken. ‘Het is mijn land niet’, laat Nooteboom Kai denken, wanneer hij op een ochtend in het Zuidland wakker wordt. Dat wil zeggen: in het Zuidland doet niets meer denken aan het Noordland waaruit hij afkomstig is.
Dat is geen wonder. Na hun reis naar het Zuidland gaat het bij de eerste officiële variétévoorstelling van Kai en Lucia al mis. Kai wordt ontvoerd en vervolgens gevangengehouden op een kasteel dat toebehoort aan een ijskoningin die kennelijk iets met hem wil. En Kai is daar helemaal niet zo vies van. In een relatief lang hoofdstuk beschrijft Tiburón/Nooteboom hoe de twee gelieven zich verliezen in een bijna transcendente verstrengeling. Maar dan wordt Kai wakker en denkt niet alleen ‘Dit is mijn land niet’, maar schrikt daar ook van. Want, zo schrijft Tiburón Nooteboom, ‘hij besefte dat hij sinds lang niet meer zoiets gedacht had.’
Angst
Waarom is het Zuidland plotseling het land van Kai niet meer? Omdat er, zo vertelt het sprookje, in die nacht sneeuw is gevallen en alles met een witte laag is bedekt. Twee kraaien komen bij Kai op de vensterbank zitten – en ook dat is een echo van het sprookje van Andersen. Hij ziet ze als twee zwarte vlekken, niet scherp, want bij het binnenrijden van het Zuidland heeft Kai een glassplinter in zijn oog gekregen en daarom ziet hij niet goed. En wat erger is, zo mijmert Tiburón/Nooteboom, ‘als datgene waarmee men ziet anders wordt, dan wordt misschien alles anders, en dan verander je ook zelf’ want ‘zoals dat gaat met wonden, hoe klein ook, een deel van wat men is verdwijnt erin.’
Met het verhaal van Kai en Lucía zijn we dus helemaal in sprookjesland beland. Of toch niet? Meteen al in het begin van het verhaal schept Nooteboom/Tiburón daarover de nodige verwarring. ‘Er was een tijd’: dat is sprookjestijd – maar die kan niettemin ‘nog steeds voortduren’ en dan wordt ze in één en dezelfde zin plotseling historische tijd. Een paar bladzijden verder onderstreept Tiburón dat realisme nog een keer: ‘Het verhaal dat ik wil vertellen speelde zich niet zo lang geleden af, en het is een eigenaardige geschiedenis.’ Maar direct in de tweede zin van het boek ondermijnt Tiburón dat weer: ‘Anderen ontkennen dat, en weer anderen zeggen…’. Om vervolgens te eindigen met een bewering die zelfs de auteur over datgene wat hij schrijft onmachtig maakt: ‘Als dat zo is, dan weet ik dat niet’.
Zo is er in de eerste alinea van dit boek dus al flink wat verwarring geschapen. Of liever: er is een hele reeks van niveaus in het boek aangebracht, waarop de verschillende handelingen zich zullen voltrekken. Je hebt het verhaal van Tiburón, je hebt diens herinneringen, je hebt het sprookje van Kai en Lucia. Al die niveaus spelen zich af in verschillende tijdsdimensies: het heden waarin Tiburón schrijft, het nabije verleden dat daaraan een marge en een setting biedt, en het verre verleden van zijn studententijd en tenslotte de ongewisse sprookjestijd – eigenlijk een tijdloosheid, want sprookjes kennen geen tijd, of althans geen geschiedenistijd. Ze bevinden zich een soort tijdloos nu, dat tegelijk een absoluut verleden (‘er was eens’) is. Het ‘eens’ van het ‘er was eens’ is de aanduiding van een tijdloze eeuwigheid die bij uitstek zo geschikt is om algemene waarheden te zeggen in de taal van de vertelling.
Wat zijn die waarheden dan? Die brengt Tiburón, nog altijd op de eerste bladzijde van het boek, ter sprake in weer een nieuwe dimensie van het verhaal: die van de bespiegeling waarmee hij zijn vertellingen voortdurend doorspekt. Ook die zijn in zekere zin tijdloos, zoals de filosofie zichzelf ook vaak tijdloos acht. Ze haken aan bij de angst die het Noorden altijd bij Tiburón heeft aangewakkerd: ‘een Angst die op zijn Duits met een hoofdletter zou moeten worden geschreven,’ zo mijmert hij – en dan zijn we definitief in de filosofie beland. Want die Duitse ‘Angst’ is niet alleen een van de kernwoorden van de existentiefilosofie geworden, maar heeft ook zo’n specifieke, quasi-metafysische betekenis gekregen dat het Engels kortweg kan spreken van German Angst.
Tiburón maakt er dan ook werkelijk een filosofeem van, ‘alsof het, als in de vroege wijsbegeerte van de natuurfilosofen, om een van de wezenlijke elementen ging, zoals Water en Vuur, waaruit het leven op aarde is opgebouwd,’ schrijft hij in een van zijn uitweidingen waarmee hij zijn verhaal iets over de werkelijkheid of de wereld wil laten zeggen, dwars door alle andere vlakken en tijdsdimensies heen. Iets wat met tegenstellingen te maken heeft: zoals Water en Vuur, die hier niet voor niets in hun strijdige omhelzing worden opgeroepen. In de geografie van In de bergen van Nederland denken we daar onmiddellijk bij: Noord- en Zuidland, beklemming en opluchting, donkerheid en licht.
Zo wordt Tiburóns verhaal een lofzang op het andere van het noorden, het tegenbeeld van Nederland, de Bergen die in de noordelijke vlakte ondenkbaar zijn. Dat alles ligt vervat in het sprookje dat – als een waar illusionisme – waarheid vertelt door er zelf niet helemaal in te geloven. Dat Nederland ooit een Zuidland heeft gehad dat ergens in de Balkan gelegen moet zijn, zoals we het sprookje van Tiburón Nooteboom hebben laten beginnen, gelooft tenslotte niemand helemaal. Maar juist van dat half-ongelovige ongeloof van het sprookjesachtige illusionisme is er altijd wel íets waar, en dat is waarschijnlijk zelfs belangrijker dan de Sachwahrheit die de twintigste-eeuwse filosofie zo graag van haar ‘begoocheling’ heeft willen redden. Als we die waarheid op het spoor willen komen zullen dus eerder nóg dieper de sprookjeswerkelijkheid in moeten en terug naar Andersen zelf en zijn Sneeuwkoningin.
Onguur
Dat sprookje bestaat bij ook Andersen uit een aantal opeenvolgende verhalen waarvan het eerste, De spiegel en de splinters, een soort preambule vormt bij het verhaal van Kai en Lucia – die bij Andersen Kay en Gerda heten maar die in dit korte verhaal-vooraf nog niet voorkomen. Wie er wel in voorkomt is een boze trol, een ‘duvel’ zegt Andersen, die op een dag ‘in een goede bui’ een spiegel maakte waarin ‘al het goede en mooie dat je erin spiegelde tot bijna niets ineenschromp; maar wat niet deugde en er slecht uitzag, dat kwam pas echt tevoorschijn en werd nog erger.’ Overal vertellen de trollen rond ‘dat er een wonder was gebeurd,’ aldus Andersen. ‘Nu kon je pas zien […] hoe de wereld en de mensen er echt uitzagen.’
We kennen die instelling: we zien haar dagelijks om ons heen als het misantropische pessimisme dat zichzelf luidop als ‘realisme’ aanprijst en alles wat het leven aangenaam maakt verloochent als illusie en naïviteit. Wij leven tenslotte in een tijd die zich geen knollen voor citroenen laat verkopen. Bij Andersen breekt die spiegel tenslotte in duizenden stukjes, soms niet groter dan een zandkorrel, en die, schrijft hij, ‘vlogen de wijde wereld door en waar ze de mensen in de ogen kwamen, daar bleven ze zitten en dan zagen die mensen alle dingen omgekeerd, of hadden ze er alleen maar oog voor wat er verkeerd was aan de dingen.’
Door zo’n scherfje moet dus ook onze Kai de wereld hebben bekeken, vanaf het moment waarop hij de grens overstak en het Zuidland betrad. Geen wonder, zou je zeggen, dat dat Zuidland er dan zo bekaaid af komt. Smerigheid en achterbakse misdaad, grove geilheid en slonzig verval heersen er. Kon Kai die werkelijkheid wel anders zien dan hij haar zag – en moest hij toen hij eindelijk met zijn gezonde oog de witte besneeuwing ervan zag niet vaststellen dat dit definitief een ‘ander land’ geworden leek?
Opnieuw: voor een sprookje is dat allemaal veel te simpel. Zo’n plot zou onvermijdelijk uitlopen op de vrome conclusie dat wij onze vooroordelen zouden moeten overwinnen om de werkelijkheid te zien in haar volle luister, en vooral om in datgene wat ons daarin aanvankelijk níet beviel het aantrekkelijke te onderkennen. Dan zou er zich een humanistische warmte van ons meester maken en in één moeite door het evangeliewoord geciteerd kunnen worden over splinters, ogen en balken. Ik vrees dat dat opnieuw zou uitlopen in illusionisme en zelfbedrog.
Want opgelost wordt er niets in een sprookje, zo laat Nooteboom zijn alter-ego Tiburón aantekenen. Oplossingen zijn er alleen in mythen – en mythen zijn bedrieglijke verleidingsverhalen, zoetgevooisde en zalvende illusies van ‘goudbebaarde mannen’ over volmaakte werelden die altijd weer in een hel veranderen. Oplossingen zijn op metafysische schaal altijd Endlösungen, uitnodigingen tot la grande terreur, waarin het beloofde geluk (om het met de staande uitdrukking nog wat ingewikkelder te maken) altijd niet meer blijkt te zijn dan een sprookje.
Wat ziet Kai dan wel, wanneer zich het sneeuwlandschap van Zuidland aftekent voor zijn gezonde oog, dat eindelijk weer mag opengaan? En ziet hij door zijn glasscherf heen wat er voorheen niet was: een lelijkheid in het Zuidland die alleen dankzij een mopperende misantropie gestalte krijgt? Was dat een Zuidlandse lelijkheid die alleen maar daarom gestalte had kunnen krijgen?
Was het maar zo – maar zo ís het niet. Want nog voordat Kai’s oog werkelijk wordt misvormd heeft het Zuidland al een voorproefje van zijn inslag gegeven. Grensbewakers munten uit in wat je het tegendeel van moderne ambtelijke publieksvriendelijkheid moet noemen. Zij bepotelen Lucia onbeschaamd, dreigen met obstructie en gevangenis als de bezoekers noten op hun zang krijgen, en troggelen hun tenslotte een aanzienlijk geldbedrag af. In alles beantwoorden zij aan het ongunstige imago van het land waarvan zij de wachters zijn, en Kai en Lucia hebben geen andere keus dan zich naar hen te schikken. ‘Heel verstandige mensen’ horen ze de wachters nog net zeggen wanneer ze uit het wachthuisje vertrekken – en dat cynisme doet bij voorbaat het ergste vermoeden over het land dat ze betreden gaan.
De verhalen van de bestuursambtenaren die ze eerder al van hun impresario hadden gehoord, zijn dus niet uit de lucht gegrepen. Want hoezeer de Spanjaard Alfonso Tiburón zich in het Zuidland ook thuis mag voelen, de vrijheid ervan wordt wel degelijk aangevreten door onguur soort loucheheid. En die gaat niet weg wanneer de blik plotseling helder wordt en de Zuidlandse bergen met blinkend-witte sneeuw zijn bedekt. Ook dan moeten Kai en Lucia nog altijd worden bevrijd uit hun benauwde veste, wat een Noordelijk legercommando, een soort snelle interventiemacht, op het einde ook met veel geweld doet.
Er vallen doden, ook onschuldige omstanders. Daarmee eindigt het sprookje van Tiburón/Nooteboom: ‘De doden blijven achter alsof ze daar altijd zo gelegen hebben, in de sneeuw die de sterren weerkaatst.’ De schrijver van dít sprookje gunt ons geen ‘en ze leefden nog lang en gelukkig’, zoals je zou verwachten bij een verhaal dat met ‘er was eens’ begint en dat bij Andersen dan ook wel degelijk komt. ‘Daar zaten die twee (Kay en Gerda), volwassen en toch kinderen, kinderen in hun hart, en het was zomer, warme, lieflijke zomer’ – zo eindigt diens sprookje, in scherp contrast met het avontuur van Kai en Lucia.
Zeeuws meisje
Alles wat over Zuidland gezegd wordt in het Noorden is dus waar. Of althans, het is ook waar: dat is de conclusie die we uit deze afloop mogen trekken. Het ene land dankt zijn sinistere roep niet alleen aan onbegrip van het andere. Alles komt niet meer als met toverslag goed zodra de blik veranderd is en de wil weer ten goede is gekeerd. Stereotypen, om het maar algemeen en in sociologentaal te zeggen, zijn nooit helemaal uit de lucht gegrepen.
Zo is het omgekeerd ook. Het Noordland waar Alfonso Tiburón zich tegen afzet dankt zijn kille roep niet alleen aan de vanzelfsprekende kracht van de gemeenplaats maar beantwoordt daar ook werkelijk aan. Kai en Lucia zijn voor hun vertrek woonachtig in de Amsterdamse Bijlmer – en in de tijd waarin In de bergen van Nederland geschreven werd wist je het dan wel. Ook Tiburón weet hoe grof het er in Noordland aan toe kan gaan – en als hij het vergeten was, wordt hij halverwege zijn eigen verhaal hardhandig aan die werkelijkheid herinnerd. Een Zeeuws meisje lift met hem mee, langs een van de B-wegen waar hij een voorkeur voor heeft. Ze heeft de directheid die in het noorden voor authenticiteit en spontaniteit doorgaat en zichzelf zacht spiegelt in de veronderstelling dat dat een bewijs van grote deugdzaamheid zou zijn.
‘De U-vorm is in Nederland uitgestorven,’ moet Tiburón al bijna bij haar eerste zin constateren, en de rest van haar conversatie is ernaar. Alles wat vreemd is moet het bij haar ontgelden, hoezeer zij zichzelf ongetwijfeld ook als een toonbeeld van moderne onbevangenheid beschouwt. Zo loopt een bezoek aan een kartuizerklooster langs de weg bijna catastrofaal af. ‘Dat is langzame zelfmoord,’ zegt zij over de monniken die zich daar van de wereld hebben afgezonderd. ‘Je hebt het recht niet jezelf zo te straffen. Voor een sprookje!’ En daarin gelooft ze niet. ‘Ik houd niet van sprookjes,’ – en Tiburón voelt door het chassis van de auto heen hoe ze stampvoet.
Is ook dat een stereotype – dat we nu zelfs niet op conto van het sprookje of van Tiburón maar regelrecht op dat van de schrijver Nooteboom moeten schrijven? Het stereotype van de Nederlandse rationalist die zo gehecht is aan zijn eigen werkelijkheid dat hij bij de minste afwijking daarvan in het ongerede raakt, en zich als reactie des te heftiger vastklampt aan zijn eigen dogma’s? Ja, ook dat is een stereotype, maar ook dat kan alleen maar bestaan omdat er waarheid in schuilt. De werkelijkheid om ons heen bewijst het dagelijks.
Zo tekent zich in In de bergen van Nederland misschien wel het slechtste van alle mogelijke werelden af. Noord en Zuid, ‘wij’ en ‘zij’ tonen zich allebei van hun sinistere kant. Er ís aan het einde van het sprookje van Kai en Lucia inderdaad niet zoveel reden om te verwachten dat ze ‘nog lang en gelukkig’ zullen leven. Geen van beide werelden spiegelt hen dat voor. Hoogstens kunnen zij zich daarin leren te schikken: niet volledig gelukkig, maar tenminste wel in leven, en daarin misschien toch een beetje gelukkig.
Dat is het geluk dat zich niet aan grote woorden spiegelt, maar zich neerlegt bij een onwrikbaarheid waarin de wereld zoals ze is onze wil en ons idealisme voortdurend uitdaagt, ons in haar onwrikbaarheid zelfs een beetje beledigt. Wij zouden de werkelijkheid anders willen zien, het kwaad willen uitroeien, zelf een beetje anders willen zijn, maar toch vooral het andere willen doen inzien dat ons leven beter is. Uiteindelijk zijn wij allemaal een beetje een Zeeuws Meisje langs een Spaanse B-weg, dat het voor de hele wereld beter weet en niet in sprookjes gelooft.
Lang en gelukkig
Gelukkig worden we dus niet, net zo min als Kai en Lucia. Toch eindigt In de bergen van Nederland hoopval. Het is Alfonso Tiburón die de zegen, ‘lang en gelukkig’, ten deel valt. Waarom? Omdat hij, ongezien door iedereen (het is inmiddels nacht geworden), op de speelplaats van de school waarin hij de hele dag heeft zitten schrijven een oud hinkelspel gedaan heeft. Ook dat klinkt naar Anderson, die vlak voor het einde van zijn sprookje de grootmoeder van Kay en Gerda laat voorlezen: ‘Indien gij niet wordt als kleine kinderen [zoals Tiburón in zijn hinkelspel], zult gij Gods rijk niet binnengaan!’
Wat dat betekent weet ik niet. Wel weet ik dat ook dat niets oplost. Misschien betekent het zelfs niets anders dan dat er geen oplossing is – althans geen definitieve, geen eindoplossing, en dat elke poging zo’n oplossing af te dwingen geen sprookje meer inluidt, maar een tragedie die nooit een klucht zal worden. Sprookjes lossen niets op: en paradoxaal kunnen alleen wie niet in sprookjes zeggen te geloven maar slechts in de werkelijkheid (zoals Tiburóns Zeeuwse Meisjes die wij allen zijn) kan dat vergeten.
Het sprookje is uit. De harde realiteit, en misschien nog wel meer de werkelijkheidszin, is uiteindelijk de enige maatstaf – en die bestaat nu juist in de onderkenning van de betrekkelijkheid van elke maatstaf en moraal. Wellicht heeft Nooteboom zijn alter-ego Tiburón aan het einde van zijn boek dát willen laten ontdekken. Het is inmiddels nacht geworden in de school waarin hij aan het schrijven is geweest. Hij loopt naar buiten en gaat, kalm en onbespied, op de grond zitten om naar de hemel te kijken, naar ‘Orion, mijn lievelingsster, gevolgd door Sirius, mijn lievelingshond’, zo zegt hij. En om verder niets meer te denken, misschien ook niets meer te willen, de morele bedrijvigheid stop te zetten en alleen maar te kijken naar het sprookje van wat er is. Nu is het de beurt aan de werkelijkheid om betoverend te worden – het sprookje van alledag, dat stuivertje wisselt met de roman, het realistische genre bij uitstek. ‘En ik zat daar,’ zo besluit Tiburón het relaas van zijn eigen leven, ‘nog lang en gelukkig’.
Ger Groot was bijzonder hoogleraar Filosofie en Literatuur aan de Radboud Universiteit Nijmegen en doceerde wijsgerige antropologie en cultuurfilosofie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Hij publiceert veelvuldig beschouwingen, boekbesprekingen en opiniestukken in dag- en weekbladen en culturele tijdschriften. Hij is voormalig redacteur van Streven.
