Jan Geurt Gaarlandt (*1946) werd na een studie theologie, met Nederlands als bijvak, geen dominee zoals aanvankelijk de bedoeling was, maar kwam uiteindelijk terecht in de uitgeverswereld. Daarin maakte hij furore als degene die het belang van de dagboeken van de Nederlandse schrijfster Etty Hillesum (1914-1943) inzag en een bloemlezing uit haar aantekeningen bezorgde, inleidde en uitgaf onder de titel Het verstoorde leven (1981). Deze publicatie was een overdonderend succes: het boek werd bijzonder goed verkocht, in achttien talen vertaald, en vormde het begin van een ware hausse aan publicaties van, en vooral ook over Hillesum. Sindsdien is in binnen- en buitenland de belangstelling voor haar leven en werk groot, zoals ook blijkt uit de zesdelige Tv-serie Etty over de laatste jaren van haar leven, een internationale productie die eerder dit jaar ook op de Nederlandse televisie te zien was.
Uit onvrede over ontwikkelingen binnen het concern Unieboek – hij werkte voor uitgeverij De Haan, destijds onderdeel van Unieboek –, begon Gaarlandt later een eigen non-fictie uitgeverij, Balans. Het werk van Hillesum nam hij mee: hij voelde zich er te zeer emotioneel mee verbonden om het te laten bij het bedrijf dat hij achter zich liet. Toch wilde hij ervoor waken, blijkens een interview uit 1986, dat Balans enkel bekend kwam te staan als ‘de uitgeverij van Hillesum’: Balans gaf immers veel meer uit. Maar niet toevallig vierde Balans in augustus 2026 het veertigjarig bestaan met een facsimile-uitgave van twee brieven die Hillesum vanuit het doorgangskamp Westerbork schreef, onder de titel Drie brieven. (De opbrengst van deze bijzondere uitgave komt ten goede aan PEN Nederland.) In 2002 verkocht Gaarlandt de uitgeverij, om zich meer te kunnen wijden aan zijn eigen schrijverschap, en in 2004 trad hij terug als uitgever. Later kocht hij, samen met de toenmalige directeur Plien van Albada, de uitgeverij terug, waarin hij nu een rol op de achtergrond speelt; zijn dochter Esther Gaarlandt is de huidige directeur.
Intussen had Jan Geurt Gaarlandt in 1998, onder de nom de plume Otto de Kat, zijn eerste roman uitgebracht, Man in de verte, en daarna bleef hij met gestage regelmaat romans publiceren, die doorgaans goed werden ontvangen door de literaire kritiek. In 2024 verscheen zijn voorlaatste boek, Autobiografie van een flat. Uitgangspunt ervan is het gegeven dat de ik-figuur – in wie de auteur onverhuld kan worden herkend – de flat koopt, of beter: na veertien jaar terugkoopt, waarin zijn ouders vanaf het begin van hun huwelijk woonden, en waarin zijn oudere broer en hijzelf zijn opgegroeid. Als hij de flat weer binnenkomt en de verschillende kamers inloopt, roept dit – als de madeleine van Proust – een stroom aan uiteenlopende herinneringen op, waarvan dit boek de neerslag is. Deze herinneringen worden niet chronologisch verteld: het verhaal springt associatief heen en weer in de tijd, van het moment dat de ouders de flat voor het eerst betreden naar herinneringen uit de kindertijd en jeugd van de ik-figuur; van de ervaringen in de oorlogsjaren van de ouders waarvan de ik-figuur vooral weet heeft van horen zeggen, naar herinneringen aan het samen met zijn broer ontruimen van de flat na het overlijden van hun moeder die er na de dood van hun vader nog vele jaren was blijven wonen. De schrijver roep het beeld op van een gelukkige jeugd, ondanks de raadselachtige huidziekte van zijn vader: juist door het, in elk geval ogenschijnlijk blijmoedige, optimisme waarmee zijn vader omging met deze ziekte legden diens gezondheidsproblemen geen schaduw over het gezinsleven. De Kat verloochent zijn kennis van de Nederlandse letterkunde bepaald niet: herhaaldelijk citeert hij soms bekende, soms ook minder bekende dichtregels die hem helpen uitdrukking te geven aan de gevoelens die opkomen door zijn herinneringen aan en overdenkingen van zijn verleden – in zijn eigen woorden: ‘Ik leen de dichters om iets te zeggen [..]’. (blz. 153) Onder de geciteerde dichters is Leo Vroman, die ooit hevig maar vergeefs verliefd was op de moeder van de schrijver.
Door middel van de aangehaalde dichtregels tilt hij zijn boek ver uit boven de particuliere overpeinzingen van een willekeurig individu. Bovendien stelt hij thema’s aan de orde die iedereen aangaan: wat weten we nu eigenlijk echt van onze naasten, van hun innerlijk leven, van wat hen uiteindelijk beweegt? Hoe betrouwbaar is onze herinnering – waarom herinnert de ene broer zich iets heel precies, terwijl de andere van diezelfde gebeurtenis niets meer weet? Waarom herinnert hijzelf zich nauwelijks iets van een begrafenis waarop hij nota bene het woord heeft gevoerd? Wat weten we uiteindelijk van ons verleden als het geheugen kennelijk zo selectief is? ‘Schrijven is een protest tegen het onbekende, tegen wat kwijt is geraakt’, merkt De Kat op. (blz. 148) Dit boek is een prachtig protest tegen vergetelheid en vergankelijkheid – weemoedig maar niet nostalgisch, licht van toon, ook waar het gaat om zo ingrijpende gebeurtenissen als het overlijden van zijn ouders, van zijn broer of een goede vriend. Autobiografie van een flat is een terugblik op een persoonlijk verleden waarin de drang tot afrekening ten enenmale ontbreekt – ‘Ik vertegenwoordig een zeker soort kind, dat zich nergens behoeft te wreken’, haalt De Kat regels van Pierre Kemp aan, die ook op hemzelf van toepassing zijn. (blz. 162-163) Juist de milde toon en het ontbreken van sentimentaliteit maken Autobiografie van een flat tot een mooi eerbetoon aan het verleden, aan de ouders van de schrijver ook die daarin zo belangrijk waren – en tot een indrukwekkend boek.
In Autobiografie van een flat komt ter sprake, dat de ouders van de schrijver in 1958 een oud, slecht onderhouden dijkhuisje kochten in het Gelderse dorp Brakel, waar het gezin vervolgens jarenlang de vakanties doorbracht. Het dijkhuisje lag net hoog genoeg om van daaruit in de verte het beroemde Slot Loevestein te kunnen zien, een kilometer of zeven verderop gelegen. In het onlangs in de onvolprezen reeks ‘Van Oorschot Terloops’ verschenen boekje Het kind en ik doet De Kat verslag van een wandeling naar het Slot, vanaf de plek waar het dijkhuisje was. – Was: het is er niet meer, ten prooi gevallen aan dijkverzwaringen en ingrepen in het landschap die Rijkswaterstaat nodig achtte om ‘Ruimte voor de Rivier’ te maken. Kritiek op de schade die daardoor aan een eeuwenoud cultuurlandschap werd aangericht klinkt onmiskenbaar door in het boek. En door al die ingrepen in het landschap heeft de auteur moeite zijn weg te vinden in de streek waar hij als kind blindelings wist waar hij was, waar hij gelukkig was. – De titel van zijn boekje leent De Kat van een gedicht van Martinus Nijhoff; diens gedicht droeg hij ooit voor op school, zoals hem was aangeraden door zijn moeder. Een keuze die zijn docent verbaasde, en waardeerde; even werd het contact tussen docent en leerling daardoor wat persoonlijker, een voor beiden wat ongemakkelijk moment. Hij kent het gedicht nog altijd uit zijn hoofd; het gaat als motto vooraf aan de tekst van het boekje, en regels uit het gedicht komen er als een refrein in terug. De thematiek en toon van Het kind en ik zijn nauw verwant aan die van Autobiografie van een flat, getuige zinnen als: ‘Ik wandel voorzichtig in de schaduwen van lang geleden, uitgedaagd door wat ik zie: het landschap van mijn jongensjaren’ (blz. 32) en ‘Thuis, een wereld geleden, een kleine flat in een grote stad, stapelplaats van herinneringen, de vader en moeder van mijn geheugen’. (blz. 59) Hoogtepunt van dit bijzondere boekje is een welhaast lyrische beschrijving van een schaatstocht die De Kat op een koude winterdag maakte met zijn vader en zijn broer – alle drie waren zij geoefende schaatsers, zijn vader voltooide zelfs ooit de Elfstedentocht, iets wat hij zelf nooit maar zijn zoons wel graag vermeldden. Een sneeuwjacht dwong hen hun tocht te stoppen en beschutting te zoeken in een café, overvol met lotgenoten – hij voelde de liefdevolle nabijheid van zijn vader en broer sterker dan ooit, en maakt dit indringend navoelbaar voor de lezer. Het kind en ik leest als een prachtig post scriptum bij het niet minder prachtige Autobiografie van een flat.
Het wordt tijd dat De Kat niet alleen wordt genomineerd voor een literaire prijs – zoals inmiddels meermaals is gebeurd –, maar dat hem er ook een wordt toegekend, en dat dit hem het grote publiek brengt dat hij verdient.
Otto de Kat, Autobiografie van een flat, Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam, 2024, 172 blz., ISBN 9789028242111, € 22,50
Otto de Kat, Het kind en ik. Een wandeling, Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam, 2025, 64 blz., ISBN 9789028253049, € 13,50
