Wie de naam van Antoine de Saint-Exupéry hoort, denkt onwillekeurig aan Le Petit Prince, het boek dat hij in 1943 schreef. Daarin ontmoet de verteller, die net als de auteur piloot is, na een noodlanding in de Sahara een jongetje: de kleine prins. Dit fantasierijke prinsje vertelt hem allerlei verhalen waarin kritiek doorklinkt op de manier waarop volwassenen doorgaans naar mensen en dingen kijken. Zij hebben vooral oog voor de oppervlakkige buitenkant, terwijl het wezenlijke, wat zich aan de binnenkant bevindt, aan hun aandacht ontsnapt.
Saint-Exupéry schreef echter veel meer dan dit kinderboekje voor volwassenen. Bekend zijn ook de zogenaamde ‘pilotenboeken’, Nachtvlucht en Oorlogsvlieger, naast zijn meest reflexieve boek, Het rijk der mensen. Voor mij ligt nu de door Stefaan Waanders geredigeerde en vertaalde bundel Strijden voor de mens, een selectie uit de (deels ongepubliceerde) oorlogsgeschriften van Saint-Exupéry tussen 1936 en 1944. Als oorlogscorrespondent en oorlogsvliegenier was hij actief tijdens de Spaanse Burgeroorlog en daarna in de Tweede Wereldoorlog. Hij wilde niet vrijblijvend over oorlogsgeweld schrijven, maar met de voeten in de modder, in dagelijks contact met de strijders aan het front. Alleen op die manier meende hij geloofwaardig te kunnen zijn.
Innerlijke spanning
Waarom trekt hij mee ten strijde? Waarom wilde de vredesactivist oorlogspiloot worden? Is er in zijn persoonlijkheid een innerlijke spanning aanwezig? Herkent hij die spanning in de dubbelzinnigheid en tegenstrijdigheid die het oorlogsgeweld met zich meebrengt? Waarom neemt hij zelfs het risico om te sterven? Waarom gaan soldaten naar het front in het besef dat de dood om de hoek loert? Die vragen duiken telkens weer op in zijn geschriften.
Voortdurend thematiseert Saint-Exupéry die intense spanning in hemzelf, zonder daarvoor een echte oplossing te vinden:
ik ontdek in de grond van mijn hart een tegenstrijdigheid, die op die van hen lijkt en mij geenszins stoort. Uiteraard wens ik heimelijk – vast meer dan zij, omdat ik als eenvoudige toeschouwer niet dezelfde reden heb, om dergelijke gevaren op me te nemen –, dat deze schipbreuk, waarin ik onverhoopt verzeild ben geraakt, mag worden afgelast. En toch: nu er een lange dag en beloofde vreugden wachten; nu ik niets meer te vrezen heb, verlang ook ik weer terug naar iets geheimzinnigs, dat met deze schipbreuk samengaat. (blz.43)
Existentiële vraag
Dergelijke mijmeringen over existentiële vragen worden afgewisseld met beschrijvingen van concrete feiten en acties, die hem inzicht moeten geven in die alomvattende, eeuwig enigmatische vraag: wat voor wezen is de mens? Via de evocatie van particuliere voorvallen gaat Saint-Exupéry op zoek om het universeel-menselijke daaruit te distilleren. In een rechtstreekse aanval op het mensbeeld van Hitler schrijft hij:
Hoe hadden wij ook kunnen vermoeden dat de fanatieke profeet van onze buren de enorme evidentie zou tarten dat wie alleen staat, geen recht op kleding heeft, omdat hij zich niet tegen anderen kan verdedigen? […] Wij vechten voor alle vaders ter wereld en hun zonen. Opdat aan de familietafel een gevoel van veiligheid en genegenheid heerst. Opdat zonen hun vaders niet aangeven bij de partijleiding. Opdat vrienden geen verraders worden. En opdat de zwakke door recht en wet, door universele overeenkomst beschermd, zijn leven behoudt, ook wanneer hij niet in staat is om zich te verdedigen.
Daarvoor echter is een universele overeenkomst nodig. Alle mensen moeten dit goed gezamenlijk verdedigen. Ieder mens dient zijn rijk, zijn land, zijn geestelijk vaderland en moet zich tegelijk verbonden voelen met alle mensen, met ieder individu en die tegen de massa in bescherming nemen. (blz. 84-85)
De titel van deze bundel, ‘Strijden voor de mens’, ontleent Waanders aan een citaat uit Oorlogsvlieger: ‘Ik zal strijden voor de Mens. Tegen zijn vijanden. Ook die in mezelf’. Die strijd situeert zich uiteindelijk niet op militair, maar op geestelijk niveau. Het niveau waarin particulariteit de weg effent naar de universele betekenis van elk individu. Want ieder individu, zo beklemtoont Saint-Ex, is een rijk op zich.
Wanneer een mijn is ingestort, wanneer de natuur tekeer gaat, onderzoeken reddingswerkers koortsachtig de aarde om mijnwerkers en slachtoffers te redden. Waarom is dat in oorlogssituaties anders? ‘Gaat het er om een rekeneenheid uit de massa te redden? Gaat het erom een mens te redden, zoals men zijn diensten afgewogen heeft?’ Zijn antwoord is even uitdagend als eenvoudig: ‘Het gaat er niet om een mier van de mieren uit de mierenhoop te redden, maar om een bewustzijn, een onmetelijk rijk.’ (blz. 29)
Even pertinent is zijn kritiek op de dagelijkse berichtgeving: ‘Krantenlezers vragen om concrete reportages, geen bespiegelingen. Die horen thuis in tijdschriften of boeken. Maar dat zie ik anders.’ (blz. 52) Gevolg is dat we ons gaandeweg immuniseren voor de door opeenvolgende reportages geregistreerde gruwel: ‘We zijn echter veel minder dan je denkt gevoelig voor het beeld van een catastrofe. […] Wanneer wij alleen maar over verschrikkelijke beelden beschikken, hebben wij geen argument tegen de oorlog […] Al duizenden jaren spreken we over de tranen van moeders, maar deze taal voorkomt niet dat zonen sterven. […] De mens ontwikkelt zich doordat hij een taal smeedt om de wereld van zijn tijd te denken.’ (blz. 53-55).
Maar ook taal kan bedrieglijk zijn: ‘Want wie aanvaardt het voor iets anders te sterven dan voor de waarheid, de gerechtigheid en de liefde tot de mensen? […] Maar ik heb schijt aan politici, uitbuiters en kamergeleerden van welk kamp dan ook. Zij trekken aan touwtjes, flappen grote woorden eruit en menen dat zij de mensen leiden. Zij geloven in de naïviteit van mensen’. (blz. 58) Saint-Exupéry zoekt daarentegen naar verbindende woorden. Zo beschrijft hij hoe soldaten uit de twee vijandige kampen elkaar toeroepen: ‘”Goede nacht, mijn vriend”’ Waarop de andere kant van de aarde antwoordt: “Goede nacht, amigo!’”. Maar zelfs verbindende woorden kunnen de slachtpartij niet verhinderen: ‘In de gedaante van verschillende woorden, hebben beide partijen dezelfde waarheden uitgeschreeuwd. Maar zo’n verheven verbondenheid sluit niet uit, dat zij samen sterven.’ (blz.65-66)
Actualiteit
Stefaan Waanders beklemtoont in zijn inleiding terecht de hoge actualiteitswaarde van deze teksten. Twee punten licht ik eruit. Allereerst is het opvallend dat Saint-Exupéry geen positie kiest in de gepolariseerde tegenstelling tussen de aanhangers van het Vichy-regime en die van de naar Engeland uitgeweken Charles de Gaulle. Liever wil hij de Fransen oproepen tot verzoening om in eendracht Nazi-Duitsland te bekampen: ‘O Fransen, om onderling vrede te sluiten volstaat het om onze meningsverschillen tot haar ware proporties terug te brengen. Over welke betekenis aan de naziterreur toegeschreven moest worden, waren wij immers nooit verdeeld.’
Denken in zwart-wit termen waardoor, net zoals vandaag, de polarisering alleen maar wordt opgepookt, is hem vreemd. Nadat de Nazi’s heel Frankrijk hebben bezet, schrijft hij: ‘Vichy heeft haar onoplosbare problemen, haar tegenstrijdige ambtenaren, haar oprechtheid en sluwheid, haar lafheid en moed mee in het graf genomen. Laten wij het voorlopige oordeel over aan de historici en de krijgsraad na de oorlog! Thans is het belangrijker om Frankrijk te dienen, in plaats van te discussiëren over haar geschiedenis.’ (blz. 94–5)
Twee. Herhaaldelijk heeft hij pogingen ondernomen om de Amerikanen mee te krijgen in de oorlog tegen Duitsland. De Engelse vertaling van zijn boek Terre des hommes was in Amerika invloedrijk gebleken en dat gaf de Saint-Exupéry als het ware een vrijgeleide Amerikaanse journalisten, generaals en politici aan te schrijven om mee in de oorlog te stappen. Maar tegelijk is hij kritisch voor de Amerikaanse way of life in bewoordingen die vandaag haast profetisch klinken: ‘Best mogelijk, dat er tussen jullie en ons op een dag min of meer fundamentele discussies ontstaan. Terwijl een oorlog altijd gewonnen wordt door wie zich gelovig aan de zaak toegewijd hebben, wordt de vrede soms gedicteerd door zakenlui.’ (blz. 131) Hij beklemtoont de band tussen Europa en Amerika, maar waarschuwt tegelijk dat alleen een louter op materiële welvaart gebaseerde politiek die band niet zal blijven onderhouden: ‘Materieel hebben we eenheid tot stand gebracht, zoals de cellen tot één en hetzelfde lichaam behoren. Maar dit lichaam heeft nog geen ziel. Dit organisme is nog niet tot bewustzijn van zichzelf gekomen.’ (blz. 133)
Veel meer dan een loutere verslaggever van gebeurtenissen aan het front, is Saint-Exupéry een diepzinnige denker, die kwistig wijsheden en waarheden rondstrooit. In zijn beste momenten schrijft hij prachtige, poëtische zinnen, soms ontspoort zijn beeldspraak wat en klinkt hij ietwat hoogdravend. Maar altijd blijft hij uiterst eerlijk, ook tegenover zichzelf, en buitengewoon moedig. In zijn brieven aan generaals, aan vrienden, aan politici neemt hij geen blad voor de mond. Uiteindelijk bekoopt hij die onverzettelijke houding met zijn leven. Op 31 juli 1944, kort voor Frankrijk zou worden bevrijd, keerde hij niet meer terug van een verkenningsmissie. Pas in 2003 werden de wrakstukken van zijn toestel voor de kust van Marseille teruggevonden.
‘Waarom voeren wij oorlog, want wij weten tegelijk dat hij absurd is en verschrikkelijk?’ Om daarop een antwoord te vinden dienen we, aldus Saint-Exupéry, telkens opnieuw de vraag te blijven stellen: wat maakt de mens tot een Mens? Strijden voor universele menselijkheid was zijn ultieme drijfveer. Maar tegelijk besefte hij hoe precair deze beschaafde houding is en hoe moeilijk algemeen overdraagbaar. Wat hij schrijft over de houding van velen tegenover het nazisme, zou vandaag wel eens kunnen gelden voor onze houding tegenover autocratische en gewelddadige regimes, of het nu over de VS, Rusland, Israël of Iran gaat:
Wij hebben ons laten verstrikken in de lompe spelregels, die onze tegenstanders voorstelden – en er valt iets ter onzer verontschuldiging te zeggen: wij zijn mensen en meenden, mensen laten zich in hun handelen leiden door filosofie, religie of doctrines. Wij meenden, wanneer mensen bereid zijn voor iets te vechten en te sterven, dan ligt dat aan de geestelijke verleidingskracht van de zaak. Vergeten waren we, dat er redenen tot handelen bestaan die niets met het denken te maken hebben, en dat een natie naar expansie kan streven, zoals een blind organisme streeft naar uitbreiding. Wij waren het vergeten, omdat beschaving voor ons betekent dat de geest de elementaire impulsen beheerst.” (blz.76-77)
Antoine de Saint-Exupéry, Strijden voor de mens. Oorlogsgeschriften 1936-1944, vertaald en ingeleid door Stefan Waanders, Uitgeverij Nobelman, Groningen, 2026, 144 blz., ISBN 978-90-835030-9-7, paperback, € 19,95
