In 1995 publiceerde de Engelse schrijver (en literatuurwetenschapper) David Lodge (1935-2025) zijn roman Therapy. Zoals veel van zijn werk is ook dit boek een komische maar milde satire, in dit geval over een succesvolle scenarioschrijver, Laurence Passmore, bijgenaamd ‘Tubby’, die in een midlifecrisis is beland. Tubby is niet ziek, maar voelt zich desondanks verre van goed; hij heeft last van zijn knie, hoewel er volgens zijn arts geen aanwijsbare medische reden voor zijn klachten is. Zijn huwelijk is verstard, en loopt uiteindelijk uit op een scheiding. Hij ervaart een grote leegte in zijn bestaan; wel ontwikkelt hij geleidelijk een obsessieve belangstelling voor leven en werk van de Deense filosoof Søren Kierkegaard. Tubby probeert allerlei uiteenlopende therapieën, van fysiotherapie, cognitieve gedragstherapie en aromatherapie tot acupunctuur, maar niets helpt ook maar een beetje. Dit biedt Lodge de mogelijkheid de destijds nog in opkomst zijnde therapie- en wellness-cultuur met de nodige spot af te schilderen. In het korte vierde en laatste deel van het boek zoekt Tubby in Spanje zijn eerste liefde Maureen. Hij heeft haar al jaren niet gezien, maar weet dat zij de Camino de Santiago loopt en slaagt erin te achterhalen waar zij ongeveer zou moeten zijn. Nadat hij haar heeft gevonden loopt hij dagelijks wat kilometers met haar op – het resterende deel van haar dagmars doet hij per auto. Na een paar dagen merkt hij dat hij kan meewandelen zonder dat zijn knie opspeelt, sterker: hij beseft tot zijn verbazing dat hij de knie al dagen niet heeft gevoeld. En tijdens zijn korte verblijf in Spanje komt Tubby, al pratend met Maureen, in het reine met zijn verleden en maakt weer plannen voor zijn toekomst. Al wandelend naar Santiago praten blijkt voor Tubby een heilzame therapie.
Sinds de tijd dat Lodge zijn roman uitbracht, is de populariteit van de Camino alleen maar toegenomen. Het aantal wandelaars is enorm gegroeid: tegenwoordig loopt jaarlijks meer dan een half miljoen mensen de verschillende pelgrimsroutes naar Santiago de Compostella, waar het rond het jaar 2000 nog ruim 50 000 pelgrims betrof. In het spoor daarvan verschijnen meer en meer boeken waarin de Camino net als in Therapy een rol speelt, zoals de literaire thriller De Camino (2021) van Anya Niewierra. Ook worden heel wat boeken uitgebracht waarin wandelaars verslag doen van hun wederwaardigheden, zoals in het Nederlandse taalgebied Ver onderweg (1998) van Jeroen Gooskens, of het prachtig geïllustreerde De lokroep van de camino (2023) van Hubert Bastiaens.
Ook de Nederlandse schrijfster Liesbeth Eugelink liep de Camino – twee keer zelfs – en schreef er een boek over: Het oversteken van de brug. Zij wilde echter geen doorsnee reisverslag maken waarin de lezer haar tocht van dag tot dag op de voet kan volgen. In plaats daarvan biedt zij een verscheidenheid aan soms kortere, soms wat langere teksten, die alle verband houden met de vraag waarom zoveel mensen besluiten de Camino te lopen. In haar woorden: ‘Wat is de belofte van de camino? Hoe komt het dat zoveel mensen, jaar in jaar uit, en dat al eeuwenlang, de weg naar Santiago de Compostella willen lopen?’ (blz. 18-19) Aan de hand van haar eigen ervaringen, maar ook op grond van gesprekken met mensen die zij onderweg heeft getroffen alsook van wat zij over de pelgrimstocht heeft gelezen, probeert zij deze vragen te beantwoorden. Daarbij wil zij zich niet laten (mis)leiden door een, overigens alleszins begrijpelijke, afkeer van de schreeuwende manier waarop soms reclame voor de tocht wordt gemaakt – ‘De reis van je leven!’, of ook ‘De wandeling die je leven gaat veranderen!’ (zoals overigens Tubby Passmore in Therapy inderdaad gebeurde) –, maar evenmin door het cynisme van sommige sociale wetenschappers die nauwelijks verschil (willen) zien tussen een pelgrimstocht naar Santiago en een bezoek aan Disneyland Parijs.
Resultaat is een rustig en evenwichtig betoog, nuchter en geenszins zweverig, dat juist daardoor overtuigt. Een eerste conclusie die de schrijfster trekt is dat zij, net als veel andere wandelaars, tijdens haar tocht een sterk gevoel van vrijheid heeft ervaren. Het ritme tijdens de pelgrimstocht is dag in, dag uit hetzelfde: opstaan, ontbijten, lopen, zich opfrissen, eten, slapen. Verplichtingen zijn er niet, en dat biedt rust: rust om na te denken, rust om desgewenst ontspannen met anderen van gedachten te wisselen over wat dan ook. Die vrijheid is een ware ontsnapping uit het jachtige bestaan in een neoliberale samenleving waarin zeven dagen per week, vierentwintig uur per dag van alles ‘moet’. De auteur maakt geen geheim van haar onbehagen over dit heersende neoliberale systeem. Daarnaast beschrijft Eugelink vier samenhangende, geleidelijke veranderingen die zijn ingezet tijdens haar wandeltocht, en die blijven doorwerken. Een eerste betreft haar verhouding tot ‘spullen’ – een wandelaar neemt zo min mogelijk bagage mee, meer blijkt ook niet nodig. Sinds haar wandeling neemt de auteur veel gemakkelijker afscheid van spullen; waar voorheen de gedachte overheerste dat zij wellicht ooit nog van pas zouden kunnen komen en daarom moesten worden bewaard, is nu al snel de idee dat zij onnodige ballast zijn en beter kunnen worden weggegeven aan iemand die er meer aan heeft. Een tweede verandering heeft betrekking op de omgang met anderen. Onder pelgrims heerst een onuitgesproken maar vanzelfsprekende solidariteit: de wandelaar is vaak alleen onderweg, maar in zekere zin toch samen op pad met al die anderen die tegelijkertijd eenzelfde tocht maken. De belangstelling en zo nodig ook zorg voor die anderen ontwikkelen zich als vanzelf. Die openheid voor en verbondenheid met anderen verdwenen niet na de wandeling. Ook de eigen persoon – het ‘zelf’, om het lelijk uit te drukken – is daarmee veranderd. En ten vierde is bij de auteur het besef gegroeid, dat zij deel uitmaakt van een groter geheel dat haar, als individu, overstijgt. Anders gezegd: haar verhouding tot het transcendente – in religieuze terminologie ‘God’ genoemd – is veranderd. Eugelink beschrijft hoe zij als kind traditioneel katholiek werd opgevoed, overigens zonder dat dit weerstand bij haar opriep; en dat zij later niet zozeer heeft gebroken met die traditie als wel er enigermate van is weggedreven. Maar door haar wandeling heeft zij een hernieuwde openheid voor het transcendente gekregen. Zij voelde dat zij tijdens haar pelgrimstocht nooit echt alleen was, al blijft het moeilijk woorden te vinden voor de nabijheid die zij heeft ervaren. Hoe dit ook zij, Eugelink maakt duidelijk dat de veranderingen die zij doormaakte zich niet in een flits, maar heel geleidelijk voltrokken. Het lopen van de Camino heeft haar zeker veranderd, maar niet van de ene dag op de andere.
Het oversteken van de brug is helder en goed geschreven, en zeldzaam mooi uitgegeven: een werkelijk prachtig boek, als een Middeleeuws handschrift verlucht met miniaturen, randversieringen en initialen van beeldend kunstenaar Karen van Dooren. Het heeft een wat afwijkend, handzaam formaat – ideaal om mee te nemen op wandelingen, om er tijdens een rustpauze wat in te lezen. Een echte aanrader, dit bijzondere boek over het lopen van de Camino, en zeker niet alleen voor verstokte wandelaars…
Liesbeth Eugelink, Het oversteken van de brug, Uitgeverij EL&VE, Nijmegen, 2026, hardback, 140 blz., geïllustreerd, ISBN 9789083701622, € 22,50
