De Franse schrijfster Marguerite Yourcenar (1903-1987) was vooral met Mémoires d’Hadrien (1951) en L’Oeuvre au noir (1968) één van de meest gelezen auteurs van haar generatie, en had toen ze overleed net het voorlaatste hoofdstuk afgerond van haar grote familiegeschiedenis Le labyrinthe du monde; het onafgewerkte derde deel van die trilogie verscheen enkele maanden na haar dood. Drie jaar later volgde er nog een bundel reisteksten, Le tour de la prison; de schrijfster, die haar leven lang graag veel, ver en soms maandenlang op reis was, had die nog zelf gepland, maar het laatste opstel uit de verzameling niet meer kunnen afwerken.
Traversée sur le Bathory, het korte reisverslag dat Gallimard dit najaar uitbracht, dateert uit 1964 en kreeg geen plaats in die bundel. Het is trouwens ruim tien jaar ouder dan de teksten die Yourcenar er wel in opnam – en nu dus, net geen veertig jaar na haar overlijden, een compleet onverwachte inédit van de grote schrijfster. Traversée sur le Bathory vertelt over de eerste weken van een reis die Marguerite Yourcenar samen met haar vriendin Grace Frick ondernam in het voorjaar van 1964. Het stel woonde toen op Mount Desert Island, de meest oostelijke uithoek van de Verenigde Staten vlakbij de Canadese grens, en ging in Québec aan boord van de Bathory, die hen via Kopenhagen naar Polen zou brengen. Het relaas breekt daar zonder slotwoord af; we mogen aannemen dat het de bedoeling was er een vervolg aan te breien, maar dat is dus zo te zien nooit gebeurd.
Yourcenar kwam zo niet verder dan een torso, in de nu eindelijk voorliggende boekversie nauwelijks een veertigtal duodecimoblaadjes met brede marges. Ze volstonden wel om zowat alle vertrouwde tricks en topics uit haar oeuvre weer eens aan bod te laten komen. Ik zet er hier drie op een rij.
Snuifjes cultuur
Om met het meest oppervlakkige – en dus ook het meest opzichtige – te beginnen: de reizen van Yourcenar en die van haar personages doorkruisen altijd landen en steden vol culturele herinneringen, die ze graag met een kort en als het even kan wat onverwacht woord vermeldt. Echte diepgang is er niet altijd bij en daar wordt dikwijls ook niet naar gezocht.
Dat is hier niet anders. In de Sont vaart de Bathory vlak onder de muren van Elsenør en gaan de gedachten naar Hamlet; in Kopenhagen wenkt het standbeeld van de Kleine Zeemeermin. Yourcenar concludeert opgetogen ‘qu’il n’y a après tout que les poètes qui comptent: Shakespeare prince d’Elseneur; et Andersen marquis de Copenhague’ (blz. 28). Haar meest uitvoerige commentaar mijmert, in de voorlaatste paragraaf van La Traversée, bij het beroemde zittende beeld van Copernicus van Thorvaldsen in Warschau en klinkt even wat ‘dieper’ : ‘Il y avait décidément dans Thorvaldsen un étrange génie, gelé pour ainsi dire dans l’académisme … Certaines de ses figures sont de beaux fruits qui sous la glace gardent secrètement leur fraîcheur’ (blz. 59). Of we daar echt veel wijzer van worden blijft de vraag: het lijkt, als je erover doordenkt, toch vooral suggestieve beeldspraak, waarvan je niet meteen ziet wat ze precies zou kunnen betekenen.
Het zijn aantekeningen zoals er in Le Labyrinthe du monde en in de reisessays van Yourcenar tientallen te vinden zijn. Sceptische lezers reageren nogal eens geïrriteerd en zien er een soort cultuursnobisme in, waarmee Yourcenar haar proza wat te nadrukkelijk voor een elitair publiek reserveert. Liefhebbers van haar oeuvre herkennen er eerder een van de vele ingrediënten die dat proza zijn unieke timbre geven – en herinneren zich uiteraard dat Yourcenar ook de nodige stevig doortimmerde essays over dichters en andere kunstenaars schreef; ze wist meer en beter dan de losse woorden die ze in Traversée weer eens kwistig rondstrooit.
Bedreigde natuur
Yourcenar vreesde al jaren voordat iedereen zich daarover zorgen leerde te maken, dat de mens zijn natuurlijke Umwelt onherstelbaar zou gaan beschadigen. Ze is telkens onder de indruk als ze ergens ongerepte natuur aantreft en geniet er hier voor het eerst van als ze bij Newfoundland reusachtige ijsbergen ziet drijven: ‘Trois faîtes de banquises submergées, trinité polaire. Grandes formes qui font penser à des sculptures très primitives ou très abstraites: ours rampant ou marchant sur ma mer. Solennité de ces spectres formés par l’hiver ou par l’océan’ (blz. 22). In 1964 zijn de poolkappen nog niet zichtbaar aan het wegsmelten en zorgen de reuzeschotsen die er begin april afbreken voor indrukwekkend spektakel. Een en ander oogt via woorden als trinité of solennité vaag sacraal; ook dat is in de natuurevocaties van Yourcenar meer regel dan uitzondering.
In Polen ontdekt ze een brok ongerepte natuur op het schiereiland Hel vlakbij Gdansk: ‘une bande de pur sable bordée à perte de vue par la mer verte roulant sauvagement ses vagues est une des plus belles choses que j’ai vues pendant ce voyage’ (blz. 36). Als beschermd landschap is de plek uiteraard niet bedreigd; Yourcenar noteert wel dat ze er twee wilde zwanen ziet en dat het er twee eeuwen geleden vast meer zouden zijn geweest. En ze bedenkt ook dat ze maar een kwartier op de fraaie plek kon blijven en dat de (taxi)rit heen en terug veel langer door een saai landschap voerde: ‘Dans ce paysage admirable j’aurai passé en tout un quart d’heure: l’auto attend’ (blz. 37).
De sneltrein van de kust naar Warschau komt opnieuw langs fraaie natuur, die deze keer nagenoeg zeker zal verdwijnen: ‘La campagne est belle… Dans dix ans, tout ceci sera mécanisé, les marais où pèchent des hérons seront recouverts de terre’ (blz. 56). Yourcenar voorspelt een toekomst die elders al een voldongen feit is en die een eeuwenoude nabijheid tussen mens en natuur inruilt voor vervuilende en verloederende industrialisering. De grote boosdoener is hier alleen herkenbaar in een op het eerste gezicht wat gratuit mécanisé; het hoefde niet veel duidelijker omdat Yourcenar enkele dagen voordien in de fabrieksbuurten rondom Sopot al uitvoerig had kunnen vaststellen dat de ambities van de communistische regimes in het Oostblok niet substantieel verschilden van wat ze in Europa of haar eigen thuisland in de States kende: ‘Ce que j’en dis n’a rien de politique: les mêmes réflexions me viendraient dans la banlieue de Paris ou à Bangor, Maine’ (blz. 39).
Waarbij ik aanteken dat je haar rien de politique in meer dan één betekenis kunt lezen. De korte reistekst was evident niet de aangewezen plek om te zoeken naar oplossingen voor de voorzienbare catastrofes, maar dat gebeurt, als men erop let, in de rest van haar oeuvre eigenlijk evenmin. Yourcenar lijkt ten gronde overtuigd dat het tij niet meer te keren valt. Er bestaat, voor zover ik zie en ondanks de ruime aandacht die haar oeuvre in academische kringen kreeg en krijgt, nog geen synthesestudie over haar ecologische zorgen; de auteur van dat standaardwerk zal, denk ik, alleszins moeten constateren dat ze stevig vooruitliep op veel groene ideeën, maar ook dat haar vroege variant van dat gedachtengoed bijzonder somber- of donkergroen kleurt en daardoor eerder passief uitvalt. Politiek engagement om het Armageddon alsnog te keren is er in elk geval minder bij.
Broze banden
Yourcenar vertelt in haar reisverslag ook over medepassagiers en over locals die ze onderweg leert kennen. De korte portretten worden soms, als ze de tijd en de gelegenheid had vragen te stellen, minibiografieën. De meest uitvoerige betreft de chauffeur die haar tussen Hel, Gdansk en Sopot rond-taxiet en vooral diens tienjarige zoon, die ze opvoert als een ‘enfant polonais très beau, à la fois délicat et solide comme un ange de Van Eyck, intelligent et réfléchi, déjà homme’ (blz. 43). Yourcenar kan vlot met hem praten omdat zijn vader hem dure Engelse lessen liet volgen en graag met die talenkennis pronkt; zijn spruit is dat kennelijk gewend en weet zich navenant te gedragen als een ‘guide charmant et candide’ (blz. 43).
Het charmante tafereeltje kraakt af op een valse noot als de taxi halt houdt bij de ruïnes van een Blockhaus (bunker), waar nog verroest wapentuig uit de Tweede Wereldoorlog rondslingert. De mooie gids begint er zowaar meteen soldaatje te spelen: ‘aussitôt le beau petit tout joyeux de s’installer dans ces ruines et de jouer à la mitrailleuse… Soldat futur d’une cause quelconque…’ (blz.43). De mooie knaap zal zich, als het moment gekomen is, voor eender welke zaak laten mobiliseren! Het contrapunt is Yourcenar ten voeten uit: we herkennen er het fundamentele pessimisme dat haar zelden of nooit toelaat haar personages, zowel de fictieve als de ‘echte’, onverdeeld krediet te geven. Dat doet ze alleen voor de natuur, maar nooit voor mensen: ze ontdekt er bij nader toezien (en vandaar dus dikwijls in een contrapunt) onvermoede schaduwzijden, dubieuze kanten en een elementaire hang naar geweld die weliswaar lang kan inslapen en dan afwezig lijkt, maar die nooit veel nodig heeft om te ontwaken. Yourcenar concludeert met een even typerende zwarte humor dat ook de engeltjes van Jan Van Eyck daar wellicht debet aan zijn: ‘il faut croire que les anges enfantins des peintres du Moyen Âge, pour se distraire entre deux visitations angéliques, jouaient à la bataille en plein ciel’ (blz.43).
In de volgende paragraaf hebben we recht op een tweede contrapunt. We lezen daar dat dezelfde jongen vertelde dat hij landkaarten (gelukkig geen stafkaarten!) verzamelde en dat de reizigsters beloofden hem er enkele te zenden. Als ze thuiskomen zijn ze het notaboekje verloren waarin ze zijn adres noteerden en is het, van Mount Desert Island, onbegonnen werk zijn coördinaten terug te vinden. De jongen zal niets ontvangen en denken dat ze hem vergeten zijn. Yourcenar ontdekt er ‘un nouvel exemple de cette précarité des rapports humains à laquelle je pense si souvent. Les êtres rencontrés et quittés se perdent dans les multitudes comme les poissons dans la mer et les morts dans la mort’ (blz. 46). Het lijken grote woorden voor een nogal futiel incidentje. De inleiders van deze inédit vonden dat blijkbaar ook en suggereren een link met de privézorgen die Yourcenar op dat moment bezighielden: reisgenote Grace Frick had kort voor het vertrek een operatie ondergaan om, en niet voor het eerst, twee kwaadaardige gezwellen te laten wegnemen. Yourcenar vreesde misschien de hele tijd, al zegt ze dat in Traversée nergens expliciet, dat het gevaar niet definitief bezworen was en zich elk moment opnieuw kon melden.
Los daarvan past de aantekening inderdaad bij een thema waar Yourcenar zeker ‘dikwijls aan dacht’. In haar oeuvre hebben alle menselijke banden altijd iets fragiels en kunnen ze op de meest onverwachte momenten afbreken of de mist ingaan: ‘l’irréversible commence à chaque coin de rue’ (blz. 46). Dat wordt hier verder geïllustreerd met een overzicht van het vijftal Poolse mannen en vrouwen die Yourcenar op haar levenspad kruiste en weer uit het oog verloor; ze zal nooit weten hoe het hen na hun sporadische ontmoetingen verder vergaan is. Opnieuw een wat bevreemdende nadruk – acht bladzijden, een vijfde van de korte tekst! –, waarbij je als lezer bedenkt dat elk mensenleven wel zijn figuranten kent en dat die allicht talrijker zijn voor wie veel op reis is en zo vanzelf meer vluchtige contacten legt; omgekeerd kan men zich afvragen of de gedreven reislust van Yourcenar ook geen poging was te wennen aan die fragiliteit …
In haar werk is die onontkoombare broosheid hoe dan ook voortdurend aan de orde. Haar personages moeten het zo goed als altijd rooien in een wereld waar je nooit duurzaam op wie dan ook kunt rekenen en die zo, al spreekt iedereen er een veel klassieker Frans, ten gronde even somber en even desolaat oogt als die van Samuel Beckett.
Conclusie
Traversée sur le Bathory brengt niets sensationeel nieuws. Voor Yourcenar-liefhebbers is de inédit vooral een onverwacht feest der herkenning, voor wie haar oeuvre niet kent ideaal om haar in kort bestek bijna exhaustief te ontdekken. Voor beide groepen een buitenkans!
Marguerite Yourcenar, Traversée sur le Bathory – 1964, Joan E. Howard en Natalia Nielipowicz (red.), Gallimard, Parijs, 2026, 72 blz., ISBN 978-2-07-315509-2, € 12
Over Yourcenar in Streven:
Dieuwke Eringa, ‘Historische romans van Marguerite Yourcenar, december 1976, blz. 248-255.
Luc Devoldere, ‘Afscheid van Yourcenar. Quoi l’éternité: een autobiografie zonder ik’, juni 1989, blz. 797-806.
Maurice Delcroix, ‘De verborgen Yourcenar’, september 2003, blz. 692-701.
De beste biografie blijft die van Josyane Savigneau, Marguerite Yourcenar. L’invention d’une vie, Gallimard, Parijs, 1990 (Nederlands: Marguerite Yourcenar, De regie van een leven, Athenaeum, Pollak & Van Gennep, Amsterdam, 1991)
