Een enigszins nieuwe term heeft de laatste jaren opgang gemaakt, te weten ‘de cultuuroorlogen’. Maar waar verwijst hij werkelijk naar? Ik zou willen stellen dat het gebruik van het woord ‘cultuur’ nogal beperkend is, en zelfs misleidend en ongepast. Daarover later meer. Maar het gebruik van de term ‘oorlogen’ past wel. Het verwijst inderdaad naar de betekenis van dreigende strijd, strijdbaarheid, urgentie, van een situatie die een existentiële bedreiging kan worden voor onze vrijheid, zelfs voor lijf en leden. We moeten de wereldwijde historische context bezien die de Verenigde Staten bracht in een toestand waarin we die ‘cultuuroorlogen’ niet kunnen negeren, noch de Trump / Make America Great Again-beweging die blijft praten over deze oorlogen en de noodzaak die uit te vechten, bijvoorbeeld in de context van het idee voor Project 2025 van de Heritage Foundation.
Laten we eerst vaststellen wat de huidige situatie is, hoe wijd verspreid, inderdaad wereldwijd en overal doordringend. Laten we vervolgens onderzoeken hoe en waarom de huidige situatie is ontstaan. En ten slotte, laten we bezien hoe de situatie zich mogelijk ontwikkelt, en wat we kunnen doen om de toekomst te beïnvloeden.
Een snelle blik op de wereldwijde context van de laatste honderd jaar
We moeten beginnen met een kort overzicht van een beetje geschiedenis. Velen verkiezen tegenwoordig te vergeten, of hebben nooit geleerd dat er in de tijd voor de Tweede Wereldoorlog een actieve pro-fascistische beweging is geweest in de Verenigde Staten, Engeland en elders. De vader van John F. Kennedy, Joseph Kennedy, Amerikaans ambassadeur in het Verenigd Koninkrijk (1937-1940), meende dat de Verenigde Staten zich niet tegen de Nazi’s moesten verzetten. Er bestond een actieve pro-Duitse en pro-fascistische beweging in de Verenigde Staten waarin Charles Lindbergh was betrokken. Hitler stuurde zelfs een afgevaardigde naar Engeland in de hoop de sterke fascistische beweging daar te overtuigen dat zij het Verenigd Koninkrijk neutraal moest zien te houden, of mogelijk zelfs een bondgenootschap met Duitsland laten aangaan. Het eugenetica-programma van de nazi’s, dat een zuiver Arisch ras en cultuur wilde vormen, was voor een niet gering deel gebaseerd op het eugenetica-programma dat eerder was ontwikkeld in de Verenigde Staten.
Maar na de Tweede Wereldoorlog bestond er breed gevoelde woede en afkeer over wat het fascisme had gedaan in heel Europa, Noord-Afrika en Oost-Azië, en een breed gedeelde afwijzing van autoritarisme en het zoeken naar een soort ‘zuiver’ volk en cultuur. In plaats daarvan ontstond er een stroming van sterke steun voor het opbouwen van democratische politieke structuren op een fundament van trouw aan de rechtsstaat en van sterke onafhankelijke rechtssystemen die toezicht konden houden op uitwassen van de uitvoerende of zelfs wetgevende macht en deze zelfs konden beteugelen. Deze trend zette zich door in de jaren 1970, met de dood van Franco, de val van de Berlijnse Muur in 1989, en de daaropvolgende ineenstorting van de Sovjet-Unie. In 1991 viel Joegoslavië uit elkaar. De Europese Unie kwam in 1992 tot stand. Rusland werd in 1994 uitgenodigd bijeenkomsten van de G7 bij te wonen, en in 1997 werd het de G8. Slechts vier jaar later trad China toe tot de Wereldhandelsorganisatie, en zegde toe haar regels te volgen. (Dit gebeurde niet meer dan 12 jaar na het onderdrukken van de protesten op het Tiananmenplein.) Dit korte proces van zestig jaar begon aan het begin van de jaren 2000 te verbrokkelen.
Deze periode van 1945 tot 2005 werd ook gekenmerkt door meerdere culturele en maatschappelijke ontwikkelingen. De rol van vrouwen veranderde ingrijpend, doordat zij, voortbouwend op het stemrecht, publieke functies gingen bekleden en het recht op zeggenschap over hun eigen lichamen opeisten, in het bijzonder met betrekking tot voortplanting en seksualiteit. In de jaren 1960 kwam de pil beschikbaar in de Verenigde Staten. En binnen twee jaar gebruikten miljoenen vrouwen hem. Maar pas in 1972 besliste het Hooggerechtshof dat ongetrouwde vrouwen het grondwettelijk recht op voorbehoedsmiddelen hadden. Al snel kwam ook andere verfijnde contraceptiemiddelen in algemeen gebruik. De Roe vs Wade beslissing van het Hooggerechtshof volgde in 1973, en stelde dat vrouwen een grondwettelijk recht op abortus hadden. In veel steden in de Verenigde Staten kwam de strijd op om verschillende burgerrechten, op de eerste plaats doordat de zwarte gemeenschap, voor een groot deel nazaten van slaafgemaakten, het recht opeiste op geïntegreerd openbaar onderwijs, stemrecht, en het recht op economische ontplooiing. Ook groeide de beweging voor compensatie van wat Amerikanen van Japanse afkomst tijdens de Tweede Wereldoorlog was aangedaan, en ook, verder terug, de Chinees-Amerikaanse gemeenschap bij de aanleg van transcontinentale spoorlijnen in de negentiende eeuw. De Latino-gemeenschappen werden politiek actiever, en sommige waarvan de wortels teruggingen tot voor de vorming van de Verenigde Staten, werden invloedrijk. Een van hun slogans luidde: ‘Wij zijn geen grenzen overgestoken, de grens werd over ons getrokken’. Ook Native Americans begonnen hun burgerrechten op te eisen, met de American Indian Movement (AIM) in 1969, en de bezetting van Wounded Knee in 1973.
Vervolgens verscheen opnieuw een beweging die kwesties rond homoseksualiteit, biseksualiteit en ten slotte ook transseksualiteit aan de orde stelde. Zorgen rond seksuele en genderidentiteit waren niet nieuw en bestonden in menselijke samenlevingen al duizenden jaren, tot in het oude Griekenland. Tijdens deze zestig jaar kreeg deze beweging in veel landen nieuwe politieke betekenis, met name ook in de Verenigde Staten, met bijvoorbeeld de Stonewall Riots in 1969.[1] Maar we waren laat, pas het zeventiende land dat uiteindelijk, in 2015, het homohuwelijk toestond.
Vroeg in de jaren 2000 liep de beweging voor grotere vrijheid voor iedereen in veel landen op haar einde. In 2010 kwam Orban aan de macht in Hongarije. In 2013 kwam de extreemrechtse anti-immigratie partij Alternative für Deutschland (AfD) op in Duitsland, in 2014 kreeg zij zetels in het Europese Parlement en nu is zij de op een na grootste partij in Duitsland. In 2015 kwam in Polen Recht en Rechtvaardigheid (PiS) aan de macht, en ook andere, zelfs nog meer autoritaire partijen ontstonden er. De fascistische Fratelli d’Italia kwam in 2022 aan de macht. De extreemrechtse Freiheitliche Partei Österreichs (FPÖ) kwam in 2023 opnieuw op als een sterke politieke beweging. In hetzelfde jaar verloor, ver weg in Nieuw-Zeeland, de progressieve Labor Party de macht aan een rechtse coalitie geleid door de New Zealand First partij. Zelfs in China kwam de beweging naar een meer open systeem tot stilstand met de opkomst van Xi Jinping in 2013. In 2023 won een extreemrechtse, uitdrukkelijk anti-Islamitische populist met zijn Partij voor de Vrijheid de verkiezingen in Nederland.
Wat bijna al deze rechtse bewegingen gemeen hebben zijn strenge anti-immigratie opvattingen, gewoonlijk samengaand met antifeministische, anti-abortus en anti-LHBTQ+ opvattingen. Zij worden vaak gekoppeld aan wat vaak ‘pro-gezin’ opvattingen worden genoemd, maar van een bijzondere inslag. Deze politieke bewegingen zijn niet voor kinderopvang en -ondersteuning, maar roepen daarentegen vrouwen op thuis te blijven en kinderen te krijgen, en niet met mannen te concurreren op de arbeidsmarkt. Er is nog iets wat bijna al deze conservatieve bewegingen gemeen hebben: zij verzetten zich tegen pogingen om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen en de opwarming van de aarde te beperken, gewoonlijk verhuld in pleidooien om de vrijheid te eerbiedigen een auto naar keuze te mogen rijden, te eten wat men wil, huizen te bouwen zoals men wil en van elektriciteit te voorzien zoals men wil.
En midden in al deze wereldwijde bewegingen van meer conservatieve, nationaal-populistische, anti-immigratie en autoritaire krachten won Donald Trump in de Verenigde Staten de verkiezingen van 2016 (hoewel hij minder stemmen kreeg, hij won alleen in het Kiescollege). Vervolgens verloor hij nipt in 2020, en probeert nu in 2024 opnieuw te winnen. Is deze opkomst van rechts in de Verenigde Staten en wereldwijd in de jaren 2005-2025 toevallig? We komen dadelijk op deze vraag terug.
Maar eerst dienen we te beseffen dat in deze zelfde tijd ook tegenstromingen waren – sterke politieke krachten die zich verzetten tegen deze beweging naar het conservatisme, nationaal-populisme en autoritarisme. In 2022 behaalde de meer liberale Labor Party in Australië voor het eerst sinds 2007 een kleine meerderheid. In 2023 wist de progressieve leider van de Socialistische Partij in Spanje net genoeg stemmen te behalen om zijn regering te kunnen voortzetten, na het vormen van een coalitie met een Catalaanse partij. In oktober 2023 verloor de rechtse Recht en Rechtvaardigheid in Polen de macht in het parlement aan een brede coalitie van meer progressieve krachten. En nog onlangs, in juli van dit jaar, slaagden drie veeleer progressieve partijen in Frankrijk erin een nogal opmerkelijke samenwerking tot stand te brengen om de partij van de rechtse, anti-immigratie en pro-Rusland Marie Le Pen te verslaan. Ook onlangs nog leidden de nationale verkiezingen in België ertoe dat twaalf verschillende partijen in het nationale parlement werden gekozen, met wat lijkt op een kleine verschuiving naar links. In België duurt het vaak wel anderhalf jaar voordat er een regering is gevormd, dus het is de vroeg om een definitieve evaluatie te maken, zeker voor een buitenstaander. Maar het lijkt er ten minste op dat een grote verschuiving naar rechts, waarvoor werd gevreesd, in België is uitgebleven. En nog recenter leed in Groot-Brittannië de Conservatieve Partij een historische nederlaag tegen een vernieuwde Labour partij. Daarna echter waren er massale rellen waarbij duizenden gewelddadige anti-immigratie, anti-moslim demonstranten in opstand kwamen en moskeeën en hele buurten aanvielen. Maar een paar dagen later stuitten deze relschoppers op progressieve massa’s die de straat opkwamen om te protesteren tegen deze relschoppers.
Ik zal niet proberen een karakteristiek te geven van de interessante politieke veranderingen in de laatste twintig jaar in Marokko, Algerije, Turkije en het Midden-Oosten, het zuiden van Azië, Zuid-Korea, en Afrika ten zuiden van de Sahara. En ik zal niet ingaan op de tragische, tot mislukken gedoemde Arabische Lente die begon in 2010 en laat in 2012 eindigde met de Arabische Winter.
Maar ik kan opmerken dat we als we laatste honderd jaar bezien, van de jaren 1920 tot de jaren 2020, we eerst de opkomst van de fascisten zien, autoritaire regeringen die leidde tot een wereldoorlog tegen meer democratische, maar ook imperialistische landen. Dan, na de Tweede Wereldoorlog, zagen we een al te korte periode, van 1945 tot 2005, van een beweging naar het toenemen van het aantal democratieën met een rechtsstaat en een terugloop van het kolonialisme. Tegelijkertijd zien we opkomst van een spectrum aan wat wordt aangeduid als progressieve maatschappelijke bewegingen. Maar dan lijken we, droevig en tragisch genoeg, nu al twintig jaar (2005-2025) ondergedompeld in een periode van heropleving van nationaal-populistische, autoritaire, zelfs proto-fascistische regeringen en bewegingen, waarvan er vele zich ook verzetten tegen de meer progressieve maatschappelijke en culturele bewegingen van de voorafgaande zestig jaar. Deze rechtse, conservatieve bewegingen neigen zich in elke samenleving te verzetten tegen de roep om grotere zelfstandigheid en meer politieke macht voor vrouwen, voor etnische, religieuze en culturele minderheden en voor de LHBTQ+-gemeenschap. Bovendien hebben ze het gevoel gewekt te verkeren in een cultuuroorlog, die in de Verenigde Staten de vorm aanneemt van een strijd over taal. Zij spreken zich uit tegen ‘wokeness’, tegen wat zij onjuist aanduiden als ‘kritische rassentheorie’, tegen pogingen ‘diversiteit, gelijkwaardigheid en inclusie’ te bevorderen, tegen het erkennen van de gerechtvaardigdheid van de rechten op gelijkwaardigheid en zelfstandigheid van LHBTQ+-mensen. Interessant genoeg bestaat er in de meeste Europese samenlevingen – hoewel er aanwijzingen zijn dat dezelfde zogenaamd ‘culturele’ kwesties aan de orde worden gesteld – veel minder tegenstand tegen de sociaaldemocratische verworvenheden uit de voorafgaande zestig jaar op het gebied van toegankelijke gezondheidszorg, openbaar vervoer, gratis openbaar onderwijs tot en met post-graduate programma’s op medisch, juridisch en ander gebied, een humaan rechtssysteem en betaalbare huisvesting. Deze verworvenheden zijn zo ingebed en aanvaard in hun samenlevingen dat zelfs de nieuw opkomende rechtse politieke bewegingen ze niet ter discussie durven stellen.
Maar ongeveer rond dezelfde tijd (rond 2005) als we de wedergeboorte van rechts extremisme zien, zien we ook sterke en niet zelden ook succesvolle tegenstand tegen deze verschuiving naar rechts. Tegen deze wereldwijde verschuivingen moeten we de beweging van Trump en Make America Great Again (MAGA) zien. Deze ontwikkelingen in de Verenigde Staten op zichzelf beschouwen, alsof zij geen verband houden met en zijn beïnvloed door veel van dezelfde sociaal-culturele economische en politieke krachten wereldwijd, is niet alleen uiterst naïef, maar intellectueel en politiek onverantwoordelijk. De autoritaire leiders wereldwijd hebben zelfs geregeld contact met elkaar, en velen hebben Trump bezocht in Mar-a-Lago. Tegelijkertijd moet men beseffen dat er specifieke omstandigheden in elk land zijn, die moeten worden herkend en aan de orde gesteld. We moeten dus bescheiden zijn, en toegeven dat de poging de wereldwijde en nationale krachten te begrijpen die leidden tot de Trump / MAGA-beweging en haar voortstuwen ingewikkeld is. Laten we niettemin beginnen.
Een kort overzicht van de krachten die leidden tot de gebeurtenissen van 1945-2005, en de recente onrust
Er zijn veel boeken geschreven waarin in detail de maatschappelijke en economische krachten worden geanalyseerd die leidden tot de opkomst van het fascisme in Italië en Duitsland, het op expansie gericht militaire imperialisme in Japan, en de excessen van deze regimes die leidden tot de Tweede Wereldoorlog met al zijn wreedheden. Daarom zal ik niet proberen dat hier samen te vatten. Laten we in plaats daarvan onze analyse beginnen met de krachten die leidden tot de gebeurtenissen en bewegingen die we beschreven voor de periode 1945-2005, en dan kijken naar die krachten die leidden tot de tegenreactie tegen deze progressieve bewegingen en de eruit volgende conflicten die we de laatste twintig jaar zien.
Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog moest de grootschalige vernietiging van de economische en maatschappelijke infrastructuur worden aangepakt in bijna alle grote geïndustrialiseerde landen behalve de Verenigde Staten en Canada. En alle landen verloren zoveel jonge mannen in de strijd, en zoveel anderen door bombardementen, dat zij moesten omgaan met een gebrek aan belangrijke arbeidskrachten, en hun arbeidskracht weer moesten opbouwen en opleiden. Toen de Verenigde Staten voor het eerst besloten tot handhaving van het militair-industriële complex, zoals beschreven door Eisenhower in zijn beroemde afscheidsrede, moest tegelijkertijd ook de binnenlandse economie weer worden opgestart, en huisvesting gebouwd voor de miljoenen terugkerende soldaten die woonruimte vroegen om eigen gezinnen te beginnen. Tegelijk moeten we goederen verkopen en sturen aan onze bondgenoten en voormalige tegenstanders om hen te helpen hun economie weer op gang te brengen. Dit leidde tot wat de Franse econoom Thomas Piketty ‘de gouden dertig jaren van economische groei’ noemde, van 1945 tot 1975. In deze periode ontstond de middenklasse opnieuw, en groeide enorm in heel Europa en de Verenigde Staten en zelfs in Japan, China, Korea en de Filippijnen. Daarbij moesten alle arbeidskrachten nieuw gereedschap krijgen en worden opgeleid en hun aantal uitgebreid, en dit bood nieuwe mogelijkheden aan vrouwen, aan de vroegere plattelandsbevolking, en allerhande minderheden die in elk land anders werden omschreven. Dit was de achtergrond die leidde tot en ten grondslag lag aan de vele progressieve trends in de eerste helft van de periode van 1945 tot 2005 die ik eerder beschreef.
Maar rond de tweede helft van deze periode, te beginnen rond het midden van de jaren 1970, begonnen de eerste barsten te verschijnen in de Amerikaanse economie. Misschien de belangrijkste verandering in de Verenigde Staten en deels ook elders betrof de inkomens. Vanaf 1945 tot 1975, dus in de gouden dertig jaren, steeg het gemiddelde inkomen van werknemers (uitgezonderd de leidinggevenden en de landarbeiders) in de Verenigde Staten, dat is ongeveer 80% van alle werkenden, in ongeveer hetzelfde tempo als de winsten van bedrijven, en beide namen ongeveer even snel toe als de toename van de productiviteit. Maar na 1975 nam de groei van de gemiddelde inkomens van de werknemers af, terwijl de groei van de winsten toenam. Tegelijkertijd nam het percentage van de werknemers die waren aangesloten bij een vakbond af van 35 naar onder de 10%. Een van de gevolgen daarvan is dat de verhouding tussen het inkomen van de algemeen directeuren van bedrijven en de werknemers is veranderd van ongeveer 25:1 naar boven de 340:1. Dat wil zeggen, het is niet zo dat de rijken rijker worden terwijl de armen armer worden, zoals zo vaak wordt beweerd, maar wel zo dat de rijken snel heel veel rijker werden, terwijl de armen en middenklassen heel langzaam iets minder arm werden. Om het duidelijk te zeggen: de kloof in levensstandaard tussen gezinnen uit de midden- en lagere klassen en die uit de bovenste klassen is veel groter geworden. Dit ondermijnt de economische grondslag waarvan democratische samenlevingen afhankelijk zijn.
Maar wat de groeiende verdeeldheid politiek nog belangrijker maakt, is dat deze kloof meer en meer duidelijk en zichtbaar werd door eerst de komst van de televisie en daarna de sociale media. Dat wil zeggen, de lagere en middenklassen konden steeds duidelijker zien hoe een steeds rijker wordende bovenklasse in staat was een veel beter leven te leiden dan zij. Niettemin was het patroon duidelijk tot het midden van de jaren 1970 in de industrie – of het nu auto-industrie, staal of hun toeleveringsbedrijven betrof – en de industriesteden: de arbeiders waren vakbondslid en verdienden, in hedendaagse termen, meer dan $ 30 per uur, hadden een ziektekostenverzekering en goede pensioenregelingen en de voornaamste ‘kostwinner’ (doorgaans de man) verdiende genoeg om een huis te kopen, elke paar jaar een nieuwe auto, en eten en kleding voor zijn gezin. En vervolgens konden zijn zonen, zo niet ook zijn dochters, een vergelijkbare baan vinden zonder een vervolgopleiding te volgen. Maar dit begon te veranderen rond het midden van de jaren 1970. De groei van de inkomens vertraagde, de consumptiekosten namen toe, en vrouwen hadden geen andere keuze dan te gaan werken. Vervolgens begonnen gezinnen, zelfs met twee inkomens, helemaal niet toevallig afhankelijk te raken van nieuw bedachte creditcards om rond te komen, en zagen zij hun schulden meer en meer toenemen terwijl de winsten van banken groeiden. Voor alleenstaande ouders, met name alleenstaande vrouwen met een gezin, werd het bijna onmogelijk rond te komen. En vervolgens, in de tweede helft van deze periode van zestig jaar (dus de jaren 1975-2005) sloten de Amerikaanse industrieën en werden hun fabrieken verplaatst naar China en Mexico, en later naar Vietnam en elders in Azië. Een nieuwe, geautomatiseerde en door computers gestuurde vorm van productie werd de norm, bedrijven bouwden dergelijke fabrieken in het buitenland waar er veel arbeidskrachten waren die geen vakbondslid waren, gemakkelijk konden worden opgeleid, en goedkoop waren. Deze bedrijven hadden geen oog voor de gevolgen voor het Amerikaanse binnenland en zijn bevolking. Voor het eerst konden zij het moderniseren en zelfs het op peil houden van de Amerikaanse infrastructuur negeren, nu Amerikaanse bedrijven niet langer afhankelijk waren van hun eigen samenleving met een moderne infrastructuur. Vergelijk bijvoorbeeld de grote uitbreiding van het net van hogesnelheidstreinen en het gemoderniseerde elektriciteitsnet overal in Europa en Azië, China inbegrepen – en probeer zoiets maar eens in de Verenigde Staten te vinden. Deze ontwikkeling werd versterkt door een passage in het Noord-Amerikaanse Vrijhandelsverdrag (NAFTA) uit 1992, ten tijde van president Clinton, dat begin 1994 volledig in werking trad. Deze export van banen leidde overal in het midden en zuiden van de Verenigde Staten tot woedende en gedesillusioneerde gemeenschappen. Zij begonnen te zoeken naar een verklaring, naar iets of iemand om de schuld te geven van het steeds moeilijker en vervreemde leven dat zij moesten lijden.
Tegelijkertijd begonnen de culturele normen waarmee zij opgroeiden te veranderen. De vrouwenbeweging werd erg zichtbaar en machtig. Abortus en het recht van vrouwen op zeggenschap over hun eigen lichaam werden een grondrecht. De zogeheten seksuele revolutie was krachtig. Nieuwe vormen van contraceptie kwam breed beschikbaar. Het homohuwelijk werd gelegaliseerd. De Burgerrechtenbeweging eiste gelijkheid in onderwijs, toegang tot banen, betere levensomstandigheden en stemrecht. De Latino-gemeenschappen werden politiek actief. De Native Americans verenigden zich in hun strijd tegen de toestand in hun reservaten. De Black Lives Matter-beweging ontstond als reactie op politiegeweld tegen zwarten. Maar al deze veranderingen kwamen ten goede aan specifieke groeperingen, en negeerden de benarde omstandigheden en nood van de witte arbeidersbevolking, waaronder het gevoel ontstond dat hun levens minder waard waren.
En toen, onvermijdelijk, werd in de Verenigde Staren en in veel andere landen, zoals zo vaak in het verleden in zowel de Verenigde Staten als in heel Europa, opnieuw de hamvraag opgeworpen: immigratie. Geef immigranten de schuld van het verlies aan banen en misdaad. Dit is een aloude en beproefde manier om de aandacht en woede af te leiden van de rijken, van de bedrijven en bedrijfsleiders. Gebruik de zogeheten culturele kwesties als een volgende afleidingsmanoeuvre, alsof het vestigen van vrouwenrechten, de rechten van de LHBTQ+-mensen, of de rechten van minderheden er de oorzaak van waren dat fabrieken sloten, de lonen niet stegen, de gezondheidszorg en het onderwijs onbetaalbaar werden, de infrastructuur instortte en steeds meer ontoereikend werd. En toen begonnen de zogeheten Cultuuroorlogen, opnieuw, als zo vaak in de geschiedenis van de Verenigde Staten en de wereldgeschiedenis. En in deze context wordt ons, eens te meer, door de autocraten en de leiding van grote bedrijven verteld niet langer te vertrouwen op de democratie, niet langer te vertrouwen op verkiezingen als weerspiegeling van de wil van de meerderheid van de burgers. Ons wordt voorgehouden niet te geloven dat de wil van de meerderheid het land als geheel ten goede zal komen, daarbij inbegrepen de witte arbeidersklasse zo goed als andere etnische minderheidsgroepen, mannen en vrouwen, heteroseksuelen en LHBTQ+-mensen. In plaats daarvan zouden we opzij moeten stappen, en de macht van de rijken en hun bedrijven moeten steunen. Geef de financiële belangen meer en meer toegang tot en controle over de verkiezingen – door bedrijven dezelfde politieke rechten te geven als individuen, en door te stellen dat geld uitgeven in de verkiezingsstrijd valt onder de vrijheid van meningsuiting – beide gedaan door het Hooggerechtshof. Vervolgens zijn we gedwongen toe te zien hoe het vertrouwen in de werking van de verkiezingen wordt ondermijnd, en we moeten merken dat ons wordt gevraagd diegenen te steunen die weigeren de uitslag van verkiezingen te erkennen en respecteren. En ten slotte worden we gedwongen de vestiging van autoritair gezag toe te staan, waarover de geschiedenis ons leert dat het enkel de heerschappij van de bedrijven en de macht van de allerrijksten zal beschermen.
Kan de opkomst van autoritarisme, van fascisme, worden voorkomen, en zo ja: hoe?
In de jaren 1920 en 1930 mislukten de pogingen de democratie te handhaven, en het autoritarisme leidde tot de Tweede Wereldoorlog. Daardoor werden degenen die zich inzetten voor de democratie en de rechtsstaat uiteindelijk gedwongen de militaire strijd aan te gaan. Hopelijk kunnen we een dergelijke strijd nu vermijden, een strijd die de antifascisten deze keer zouden kunnen verliezen. Naar ik hoop is uit het historisch overzicht klip en klaar geworden, dat de kern van de zaak is dat diegenen die klagen terechte klachten, echte grieven hebben, maar dat de ware oorzaak van hun problemen niet ligt bij de bestaande politieke instellingen, niet bij de zogeheten minderheidsgroepen in iedere samenleving, niet bij vrouwen of LHBTQ+-mensen, en zeker niet bij immigranten – noch bij degenen die de laatste jaren zijn gekomen, noch bij degenen die nu (willen) komen. In plaats daarvan ligt de oorzaak van de verschrikkelijke ongelijkheid bij de gevolgen van de enorme concentratie van rijkdom die voortkomt uit de ongecontroleerde en slecht gereguleerde economische structuur van het bedrijfsleven die algemeen verspreid is geraakt. De oorzaak ligt bij de rijken die deze bedrijven bezitten, en ervan profiteren dat die bedrijven de macht hebben om het politieke en zelfs juridische handelen te beïnvloeden, opdat zij hun de macht behouden. Dit alles kan eenvoudig worden gezegd en opgemerkt, maar het is een ingewikkelde taak om het te overwinnen en corrigeren.
De fundamentele stap moet zijn het benaderen van degenen met gerechtvaardigde grieven, hun grieven erkennen, met hen samen te werken om de ware oorzaak van hun problemen uit te leggen, en duidelijk te maken hoe deze problemen te overwinnen en te corrigeren zijn. Dit betekent dat we inderdaad moeten erkennen dat de economische kloof tussen degenen die het meeste werk doen in deze samenleving – zowel degenen met als zonder vervolgopleiding – en degenen die de leiding hebben en profiteren van de organisatie van het bedrijfsleven en zijn gelden, inderdaad bestaat en even werkelijk als onaanvaardbaar is. We moeten erkennen dat zij inderdaad worden gedwongen in heel andere omstandigheden te leven dan degenen die genieten van de winsten die door deze bedrijven worden gemaakt. We moeten duidelijk maken dat er iets fundamenteel verkeerd is als sommige mensen honderden, zelfs duizenden keren meer ‘verdienen’ dan anderen, en dat ten dele doen door het beheersen van de markten en de prijzen van de goederen en diensten die worden geleverd. En we moeten geloofwaardig duidelijk maken dat er manieren bestaan om dit te corrigeren. Zoals:
- Hogere belastingen voor bedrijven en de rijken
- Strengere regelingen voor het bepalen van prijzen
- Rechtvaardigere maatstaven voor salarissen en uiterst noodzakelijke uitkeringen zoals betaald ziekteverlof, ziektekostenverzekeringen, ouderschapsverlof, betaalde vakantie, pensioenen – die in sommige landen allemaal bestaan
- Het opzetten van structuren die zeker voorzien in dergelijke wezenlijke zaken als betaalbare woningen, toegankelijke en betaalbare gezondheidszorg, goede kinderopvang, redelijk geprijsd en voedzaam eten, gratis openbaar onderwijs daarbij inbegrepen postuniversitair onderwijs – die ook in sommige landen allemaal bestaan.
Een voorbeeld van een concrete en beproefde stap om sommige van deze problemen aan te pakken is dat we federaal een permanente Nationale Infrastructuur Bank (NIB) opzetten, maar die niet federaal financieren, zoals die al vier keer met succes heeft bestaan in de Verenigde Staten (maar die niet langer dan twintig of vijfentwintig jaar bestonden) en zoals die tegenwoordig bestaan in de meeste geïndustrialiseerde samenlevingen, waaronder de meeste Europese landen en de Europese Unie zelf, en in Korea, Japan, Australië en China (dat er drie heeft, met drie verschillende doelstellingen). De laatste infrastructuurbank in de Verenigde Staten was de Reconstruction Finance Corporation (RFC), opgezet onder Herbert Hoover, een Republikein, aan het begin van de Grote Depressie van de jaren 1930. Deze was van wezenlijk belang voor het einde dat F.D. Roosevelt maakte aan de Grote Depressie, en voor het financieren van de oorlogsindustrie die het mogelijk maakte de Tweede Wereldoorlog te winnen. Als ik opmerk ‘niet federaal gefinancierd’, wil dat zeggen dat de Nationale Infrastructuur Bank geen federaal begrote uitgaven of belastingen vergt, maar zou functioneren zoals de eerdere instellingen in de Verenigde Staten, en tegenwoordig die in andere landen, door het herbestemmen van een klein deel van de staatsobligaties die al bestaan. Zo zou de Verenigde Staten in de komende tien jaar kunnen beginnen met:
- Een net voor hogesnelheidstreinen (dat de rest van de wereld al heeft)
- Het vernieuwen of vervangen van het grootste deel van de 35 000 bruggen en viaducten die op instorten staan
- Het bouwen van miljoenen hoogstnodige betaalbare huizen voor de armsten en meest kwetsbaren.
- Het vernieuwen en uitbreiden van het verouderde en inefficiënte elektriciteitsnetwerk van het land.
- Het aanleggen van goede kwaliteit breedband in elk huis, elke school, elke medische faculteit.
- Het vernieuwen en uitbreiden van hoogstnodige waterleidingnetwerken zodat:
- We kunnen stoppen met het vergiftigen van tienduizenden kinderen door loden waterleidingen
- En zonder welke we, in het licht van de klimaatcrisis, niet in staat zijn de voedselproductie te ondersteunen, met name in het zuidwesten, Californië inbegrepen.
- Het vernieuwen en uitbreiden van de faciliteiten voor openbaar onderwijs en openbare gezondheidszorg.
Deze projecten zouden miljoenen goedbetaalde banen opleveren, waarvan gezinnen kunnen leven, en letterlijk de economische groei van de Amerikaanse economie kunnen verdubbelen. Dit kan gebeuren door bestaande staatsobligaties een nieuwe bestemming te geven, en zonder nieuwe federale bijdragen of belastingen. Dit zou zelfs economische groei opleveren die de inkomsten uit federale, statelijke en provinciale belastingen zou verhogen, en de nationale schuld zou verminderen. Dit systeem van financieren werd oorspronkelijk bedacht door Alexander Hamilton.[2] Wij, en veel andere landen (die dit het Amerikaanse systeem noemen) hebben het eerder gedaan, met succes. Het is de hoogste tijd dat we het weer doen.
Het punt van dit alles is dat het mogelijk is velen terug te winnen van diegenen die misleid zijn tot het steunen van politieke bewegingen die het politieke systeem van democratisch gekozen regeringen en rechtsstatelijke structuren willen vervangen door autoritaire en zelfs fascistische alternatieven. De vraag is of degenen onder ons die het democratische systeem willen handhaven en verbeteren de betrokkenheid en energie en moed hebben om dat te doen.
(vertaling: Herman Simissen)
Andrew Winnick is Professor Emeritus, Economics and Statistics, Cal State L.A. University en President, The American Institute for Progressive Democracy (taipd.org)
Reageren? Mail (in het Engels!) naar: andy.winnick@gmail.com
[1] De Stonewall Rellen vonden plaats in juni 1969, toen de politie van New York de homobar Stonewall in de wijk Greenwich Village ontruimde. Het bezoekende publiek vocht terug, De rellen waren van betekenis, omdat de homo-emancipatiebeweging daarna uitdrukkelijk en openlijk haar rechten opeiste. [noot van de vertaler]
[2] Alexander Hamilton (1755-1804) was de eerste minister van Financiën van de Verenigde Staten. [noot van de vertaler]