Vrij algemeen wordt aangenomen dat pas eind negentiende eeuw, met de eugenetica, theoretisch werd overwogen de voortplanting van bepaalde individuen en mensengroepen te beperken en die van anderen te bevorderen. Na enkele sterilisatiecampagnes in hoog beschaafde landen, mondde dit onder de nationaalsocialistische dictatuur uit in grootschalige misdaden. Vrij snel nadien werd dit afgedaan als een breuk in de beschaving, iets waarmee wij beschaafde mensen niets te maken hadden, we dus, alsof er niets was gebeurd, verder konden gaan met alleen in naam verschillende eugenetische praktijken.
In De mens voorbij (2008) maakte ik duidelijk dat dergelijke mensverbetering al tijdens de Verlichting werd overwogen. Samenleving én mens moesten beter. De eugenetica onder nazidictatuur (rashygiëne geheten) was, achteraf gezien, een voorspelbare ontsporing van ons vooruitgangsdenken.
Biopolitiek
William Max Nelson, hoogleraar geschiedenis aan de universiteit van Toronto, toont in Enlightenment Biopolitics. A history of race, eugenics, and the making of citizens aan dat Verlichtingsdenkers al tientallen jaren vóór de Franse Revolutie pleitten voor biologische manipulatie van individuen en populaties. De Verlichting voerde naast vrijheid, gelijkheid, rechten en rede ook denkbeelden in het vaandel om al wie biologisch van de norm afweek uit te sluiten.
Enlightenment Biopolitics is een uitzonderlijk rijk maar geen gemakkelijk boek omdat het nogal wat vastgeroeste ideeën overboord kiepert. Noodgedwongen beperk ik me tot enkele van de vele door Nelson behandelde figuren die in deze evolutie een rol van betekenis hebben gespeeld.

De jaren 1750-60 waren in navolging van de publicatie in 1749 van de eerste drie delen van de enorm invloedrijke Histoire naturelle. Générale et particulière van Buffon een intense periode van biopolitieke ideeën. Georges-Louis Leclerc, graaf de Buffon, ontwikkelde een nieuwe dynamische visie op de natuur als een organisch geheel van organismen. Buffon, die met recht de eerste bioloog mag worden genoemd (al werd het begrip ‘biologie’ pas rond 1800 gangbaar), heeft er met zesendertig delen van zijn hoofdwerk voor gezorgd dat l’histoire naturelle (natuurgeschiedenis) veranderde van een wetenschap van gedetailleerde observatie en classificatie in wetenschappelijk onderzoek van de evolutie van levende wezens, hun verleden, heden en toekomst. Goddelijke schepping, voorzienigheid en statische orde maakten plaats voor complexe historische ontwikkelingen en eeuwige verandering.
De science de l’homme bestudeerde de mens als soort onder de soorten. Buffon omschreef ‘soort’ als een groep vergelijkbare individuen, genealogisch verbonden door voortplanting. Wie zich niet binnen een soort voortplanten kan, behoort tot een andere soort (het onvruchtbaarheidscriterium van Buffon).
Op basis van waarnemingen gedaan door reizigers, missionarissen en natuuronderzoekers van de lichamelijke verschillen (vooral uiterlijke) tussen Europese mensen en gelijkaardige wezens, concludeerde Buffon dat de mensheid niet uit verschillende soorten, maar uit verschillende rassen bestaat. Oorspronkelijk bestond er maar één mensensoort (monogenese). Die verspreidde zich over het aardoppervlak, onderging veranderingen door klimaat, voedselverschillen, levenswijze, epidemische ziekten en de oneindig gevarieerde vermenging van min of meer verschillende individuen. Aanvankelijk leverde dat slechts individuele variëteiten op, maar gaandeweg werden het variëteiten van de soort: rassen.
‘Ras’ stond in de tweede helft van de achttiende eeuw voor een erfelijke, biologische manier van fysiek, psychisch moreel, intellectueel ‘zijn’. Alleen in aanleg vormde dit ras-begrip de basis voor de latere, negentiende-eeuwse hiërarchische opvatting, al zijn er bij enkele Verlichtingsdenkers al sporen van terug te vinden.

Buffon introduceerde de term réproduction in de levenswetenschappen als verklaring voor de overerving van biologische én tijdens het leven verworven kenmerken van ouders. Met deze nieuw begrepen hérédité werden theorieën over overdracht tussen generaties mogelijk. Ideeën over het elimineren van rasverschillen, het homogeniseren van de soort, en om door raciale kruising de mensensoort te verbeteren, te ‘veredelen’, naar analogie met de succesvolle kruisingen van planten en dieren. Door de mélange of croisement des races zou de zwarte huidskleur in vier generaties tijd wit worden, de – ook volgens Buffon – oorspronkelijke huidskleur van de mens. In 1778, tien jaar voor zijn dood, sloot Buffon zijn Des époques de la nature af met een veelzeggende retorische vraag: ‘En wat zou de mens niet met zichzelf kunnen, zijn eigen soort, als de wil altijd door intelligentie werd geleid? Wie weet tot welk punt de mens zijn morele of fysieke aard verbeteren kan?’
Biologie en politiek vergroeiden met elkaar tot ideeën en praktijken die niet louter biologisch of politiek waren, maar biopolitiek: kennen, beheren, beheersen, bevorderen en veranderen van biologisch leven. De biopolitiek van de Verlichting bestond – zoals later die van de eugenetica – uit twee onderling verbonden procedures. Enerzijds het bevorderen van positief gewaardeerde individuen en groepen, anderzijds uitsluiting van ondergewaardeerde individuen en mensengroepen.
Het sociale en politieke lichaam – bevolking, staat, natie – werd opgevat als een natuurlijk lichaam zoals dat van haar samenstellende individuen. Bestuur werd de kunst om de gezondheid van beide te behouden of te herstellen. Om het collectieve lichaam te beschermen moesten afwijkende, zwakke, ongezonde, misdadige… individuen genezen of verwijderd worden – zoals een ontstoken appendix uit een menselijk lichaam. Vooral noodzakelijk omdat in het Frankrijk van de jaren 1740-60 nogal wat natuuronderzoekers, politieke economen en overheden tekenen van stilstand, verval en uitputting meenden te bespeuren.
De voortplanting van ondergewaardeerde tot verachte mensengroepen moest worden beperkt, verboden of onmogelijk gemaakt door opsluiting in kampen of deportatie naar ontoegankelijke gebieden of eilanden (‘negatieve eugenetica’). De positieve pre-eugenetische maatregelen bleven beperkt tot ideeën, maar er was minstens één negatief-eugenetisch project toen in 1770-80 in Frankrijk een reeks wetten en richtlijnen werden uitgevaardigd om de relatief kleine Afrikaanse bevolking in de metropool te onderwerpen aan de Police des Noirs (zie hieronder).
Verlichtingseugenetica
Gericht kweken van mensen kwam bij de meeste Franse denkers slechts terloops aan bod. Grote uitzondering vormde het aan wereldlijke heersers gerichte Essai sur la manière de perfectionner l’espèce humaine (1756) van Charles-Augustin Vandermonde, een jonge Parijse arts en leerling van Buffon.
Vandermonde stelde voor mensen te fokken zoals dieren en hij gaf een aantal richtlijnen om mensen en populaties door gerichte voortplanting te verbeteren. De kwaliteit van pasgeborenen mocht niet langer door toeval worden bepaald. Gericht kweken zou de natuur ‘verbeteren’, ‘wakker schudden’, ‘haar krachten doen herleven’. ‘Als de menselijke soort door toeval kan ontaarden, dan kan kunst haar vervolmaken’.

Bron: Bibliothèque Nationale de France
Joachim Faiguet de Villeneuve, een van de grondleggers van de politieke economie, nam in L’Ami des Pauvres, ou L’Economie Politique (1763) een aantal ideeën van Vandermonde over. Zwakke en fysiek slecht gevormde mannen mochten zich niet langer voortplanten terwijl betere mannen in het leger en de religieuze orden celibatair bleven. De voortplanting van zwakke en gehandicapte mensen moest worden bemoeilijkt, wetten en prikkels moesten bekwame en gezonde mensen tot huwen aanzetten.
Kolonies
Ook in de Franse kolonies maakte men zich zorgen. In 1777 stelden twee vooraanstaande kolonisten in Saint-Domingue (nu Haïti) onafhankelijk van elkaar voor sociale, politieke en militaire problemen in de kolonie op te lossen door het kweken van een tussenras. Verwijzend naar experimenten met het fokken van schapen, en zich baserend op huidskleur als raskenmerk, wilden ze door gerichte kruisingen mannelijke mulat-soldaten kweken die de veiligheid van de kolonie zouden bewaken, witte dominantie waarborgen en de grote slavenmassa onder controle houden (volkstelling uit 1789: 424.000 tot slaaf gemaakte mensen, 30.000 blanken en 24.000 vrije mensen van kleur). Dit race perfectionnée zou minder rechten krijgen en door zijn gele huidskleur goed herkenbaar zijn.
Moreau de Saint-Méry, een Franse jurist op het Indische Oceaan-eiland Ile de France (nu Mauritius), stelde in de jaren 1780 aan koloniale bestuurders voor alle mensen van ‘gemengd bloed’ te verbannen. De man werkte een gedetailleerde nomenclatuur uit over raszuiverheid. Wie minder dan acht delen wit was, gold als zwart. Zwartheid kon niet uitgezuiverd worden. Bij één deel zwart en 8.191 delen wit was ze weliswaar onzichtbaar, maar wel berekenbaar.


en zo gaat dat nog drie bladzijden door
Interne uitsluiting
Ook in de metropool werden verscheidene categorieën van mensen als biologisch minderwaardig beschouwd. Vagebonden, zwarten en vrouwen werden intern uitgesloten. Ze zaten wel in de samenleving, maar waren er geen deel van. Nieuw was dit niet. Vrouwen, bedelaars, criminelen en slaven werden in heel wat tijden en contreien alleen als uitgesloten groep opgenomen in de samenleving. Nieuw was, dat dit nu met zogenaamd biologische argumenten gebeurde.
Het in 1764 anoniem (maar met koninklijke instemming) gepubliceerde Mémoire sur les vagabonds et les mendiants schilderde vagebonden en bedelaars niet alleen af als een arm deel van de bevolking dat geen liefdadigheid verdiende, maar ook als een groep natuurlijke criminelen, een bedreiging voor de samenleving. Ze waren niet schuldig aan een specifieke handeling, maar aan hun staat van zijn. Dit ‘beestachtig ras’, dit ‘oneindig kwaad’ moest worden opgesloten in werkkampen.
Guillaume-François Le Trosne, de vermoedelijke auteur van dit Mémoire, bouwde voort op een Verlichtingstheorie over ‘vooruitgang in stadia’. Populaties werden geacht stadia van beschaving te doorlopen. Men hoefde niet naar de Zuidelijke Stille Oceaan of Amerika te reizen om mensen te vinden die in een vroeger stadium van historische ontwikkeling leefden. Vagebonden in Frankrijk leefden als in een verschillend historisch tijdperk. Deze ‘vraatzuchtige insecten’, ‘vijanden van het volk’ moesten worden verwijderd uit het sociaal organisme, het volkslichaam. Eenmaal opgesloten kon hun slechte voorbeeld niemand meer besmetten, konden ze ook ‘geen vagebonden meer verwekken’.
Kleurlingen
Vrije slaven werden in Frankrijk herdefinieerd als ‘zwarten’ en onderworpen aan nieuwe regels, toezicht en controle. Uit vrees voor degeneratie werd op biologische gronden, hoe wankel ook, besloten dat voortplanting tussen zwart en wit moest worden verhinderd, zowel in de kolonies als in het moederland.
In de metropool ging het om vijfduizend, hooguit tienduizend kleurlingen (93% uit Afrika) op meer dan twintig miljoen witten. In 1777 werd bij koninklijk besluit de Police des Noirs opgericht. Allerhande regels en bureaucratische instrumenten werden ingevoerd om kleuringen te identificeren. Ze moesten te allen tijde hun cartouche bij hebben, een voorloper van de identiteitskaart (naam afgeleid van het Italiaans voor ‘kaart’). Hun voortplanting moest in de mate van het mogelijke beperkt worden. Vanaf 1778 werden zwarte nieuwkomers teruggestuurd naar hun land van herkomst.

Vrouwen
In de achttiende eeuw geraakte het oude mensbeeld met betrekking tot de geslachten in ongebruik. Er werd niet langer uitgegaan van één menselijk lichaam, waarbij het onderscheid tussen man en vrouw werd bepaald door graduele verschillen qua levenskracht en graad van ontwikkeling. Dit hiërarchisch model waarin vrouwen in zekere zin gezien werden als inferieure en onderontwikkelde mannen, werd geleidelijk vervangen door een dimorf of ‘tweeledig’ model: man en vrouw als fundamenteel van elkaar verschillende, niet tot elkaar herleidbare biologische wezens.
Centraal hierin stond Système physique et moral de la femme (1775) van de arts Pierre Roussel. In dit toen hogelijk gewaardeerd werk presenteerde de man een nieuwe, gedetailleerde versie van het eeuwenoude argument dat vrouwen vatbaarder waren voor de passies, minder in staat tot het gebruik van hun verstand. Onderworpen aan de ’tirannie van sensaties’, onbekwaam tot abstractie en verstrikt in ‘directe oorzaken’ vormden deze ‘radicale, aangeboren verschillen’ een serieuze beperking voor hun intellectuele ontwikkeling.
De centrale rol van vrouwen in de voortplanting van de bevolking noodzaakte volgens Roussel hun beperking tot de sociale en biologische rol van moeder. Of met andere woorden: de biopolitieke betekenis van vrouwen als voortplantingspersonen werd gebruikt als rechtvaardiging voor hun biopolitieke uitsluiting. ‘Nadat ze leven heeft geschonken aan een nieuw wezen’, schreef Roussel, ‘is haar taak volbracht’ en ‘het plan van de natuur vervuld’.
Tijdens de Revolutie kwamen argumenten om vrouwen politieke participatie te ontzeggen vaak overeen met de ideeën van Roussel, als ze die al niet overnamen. De vele vrouwen die desondanks deelnamen aan politieke acties, werden ‘gemengde wezens’, ‘man-vrouwen’ genoemd.
De prerevolutionaire idee van een absoluut en allesomvattend ‘seksueel’ verschil tussen mannen en vrouwen zorgde ervoor dat de vele vrouwen en de enkele mannen die tijdens de Franse Revolutie voor de rechten van de vrouw opkwamen dat deden vanuit de aanname dat vrouwen een aparte, totaal verschillende groep mensen waren. Zo erkenden en bekrachtigden ze (ongewild) het verschil in ongelijkheid dat ze wilden overwinnen. Ze betwistten de morele, intellectuele, sociale en politieke ongelijkheid tussen man en vrouw, maar niet het (zogenaamde) absoluut fysieke verschil tussen man en vrouw waarin die ongelijkheid zat verankerd. Dit soort denken raakte in het Revolutionaire en Napoleontische tijdperk wijdverbreid en werd institutioneel verankerd.
Nieuwe burgers, nieuwe slaven
Abbé Emmanuel-Joseph Sieyès, de auteur van Qu’est-ce que le Tiers-État? (1789), wordt door enkele historici beschouwd als ‘de man van 1789’, de ‘sleutel van de Revolutie’, maar voor de rest werd hij in de geschiedschrijving stiefvaderlijk behandeld. Toch speelde hij in bijna alle fasen van de Franse Revolutie een politieke rol, vooral wat betreft de realisatie en radicalisering van de biopolitieke ideeën uit de voorgaande decennia.
Sieyès ontwikkelde ideeën over de hervorming van het collectieve politieke lichaam als organisme. Dat ging gepaard met een aantal radicale vormen van interne uitsluiting. De eerste en grootste uitgesloten groep, waren zij die in Frankrijk leefden maar niet actief deelnamen aan het politieke lichaam: vrouwen, kinderen, zwervers, bedelaars, bedienden en al wie ondergeschikt was aan een ‘meester’. Een tweede groep mensen, de arbeiders, het grootste deel van de mannelijke bevolking, kreeg een lage vorm van burgerschap en burgerrechten, maar geen actieve rol in de politiek. Volledig burgerschap was alleen weggelegd voor dat deel van de bevolking dat over de middelen beschikte om niet te moeten arbeiden: de adel en de geestelijkheid. Die eerste en tweede stand uit het Ancien Régime waren zo talrijk dat ze alleen politieke zeggenschap konden krijgen op indirecte, virtuele wijze: door politieke vertegenwoordiging. Het politieke lichaam was voor Sieyès dan ook meer dan louter beeldspraak. Alle streken en uithoeken van Frankrijk waren erin vertegenwoordigd, als een herenigd organisme, vergelijkbaar met de door Buffon beschreven diersoorten.
Productieve arbeid was voor Sieyès een van de belangrijkste criteria voor opname in de staat, maar tegelijk bestempelde hij arbeiders als ‘menselijke beesten’. In alle ernst stelde hij voor om in de Franse kolonies half-menselijke slaven te kweken, ‘een soort tussen mens en dier’ die de taken van politiek passieve burgers zou overnemen, zodanig dat ze opgevoed konden worden tot actieve burgers. Bijkomend voordeel was dat deze tussensoort minder menselijk was, minder medelijden zou opwekken, hun uitsluiting uit het collectieve leven vergemakkelijkte. Nieuwe burgers dankzij nieuwe slaven.
Nelson bespreekt en analyseert ook het werk van Nicolas de Condorcet, een nauwe medewerker van Sieyès en een van de belangrijkste wetenschappers uit zijn tijd. In zijn Esquisse d’un tableau historique des progrès de l’esprit humain (1793) kondigde Condorcet een tijdperk van universele Verlichting aan. Iedere generatie zou het beter krijgen dan de vorige. Wereld en mens zouden er voortdurend op vooruitgaan.
Een andere enthousiaste gelovige was Pierre-Jean-Georges Cabanis. In Rapports du physique et du moral de l’homme (1802) beklemtoonde hij het verband tussen het fysieke en het morele (het psychische en sociale). Hij herformuleerde dat gericht kruisen van mensen snellere en betere resultaten opleverde dan gewoonte en onderwijs.
Besluit
De Verlichting bracht in de achttiende eeuw veel biopolitieke ideeën en plannen voort voor meer tolerantie, gelijkheid, vrijheid, kosmopolitisme en rechten. Tegelijk en parallel met deze grootschalige inclusie pleitte ze voor uitsluiting (exclusie) van zogenaamd minderwaardige bevolkingsgroepen.
Wie radicaal trouw zweert aan ‘de’ principes en waarden van de Verlichting doet dit selectief, met weglating van tegengestelde principes en waarden die ermee samenhingen. De Verlichting voorstellen als alleen maar emancipatorisch, de bakermat van de democratie, of uitsluitend totalitair, de wieg van fascisme, zijn halve waarheden. Nelson toont overtuigend aan dat wie de Verlichting begrijpen wil, oog moeten hebben voor de verbanden tussen de extremen van emancipatie en dominantie, inclusie en exclusie, gelijkheid en ongelijkheid, mensverbetering en ontmenselijking.
Gie van den Berghe is ethicus en historicus, en was verbonden aan UGent. Belangrijkste werken: Met de dood voor ogen (1987), De mens voorbij (2008), Kijken zonder zien (2011). Recentste boek: Sieg heil! Van mythische groet tot verderfelijke ideologie (2020). Website: www.serendib.be.
William Max Nelson, Enlightenment biopolitics. A history of race, eugenics, and the making of citizens, University of Chicago Press, Chicago/London, 2024, 311 blz., paperback, geïllustreerd, ISBN: 9780226825588, $ 35.00