Deportatie naar het paradijs: joden in Mauritius 1940-1945

 

 

‘We cannot have a British Dachau.’

Winston Churchill[1]

 

Het eiland Mauritius is een vakantiebestemming die je dicht bij het paradijs brengt. Dat is tenminste wat reisagentschappen ons graag willen doen geloven: prachtige zandstranden, de lauwe turquoise oceaan, een tropische flora en fauna, een vriendelijke bevolking, de fijne Creoolse keuken waar Indische, Afrikaanse en Europese invloeden in harmonie samenvloeien. Paul et Virginie, de sentimentele roman van Bernardin de Saint-Pierre uit 1788, heeft, in de Franstalige wereld en daarbuiten, die arcadische beeldvorming, die vandaag commercieel wordt uitgebuit, in de hand gewerkt: het eiland wordt er voorgesteld als een oord waar je dicht bij de natuur staat, waar deugdzaamheid en altruïsme heersen. Maar dat Mauritius een idyllisch oord zou zijn, is natuurlijk een westerse fantasie, die we op rekening van het ‘oriëntalisme’[2] mogen schrijven: ook in Paul et Virginie worden slaven slecht behandeld en blijkt de liefde tussen de hoofdpersonages gedoemd.

Een goede vijftig jaar later doet Alexandre Dumas’ minder bekende Georges (1843) weinig toegevingen aan het idyllische beeld van het eiland: in deze roman die een moderne gevoeligheid aan raciale vooroordelen koppelt aan oude gemeenplaatsen blijkt Mauritius het toneel te zijn van een meedogenloze strijd tussen blanken, zwarten en metissen. En niet zo lang geleden verkende Nobelprijswinnaar literatuur J.M.G. Le Clézio, die zelf gedeeltelijk van Mauritiaanse afkomst is, in enkele van zijn romans die zich op het eiland afspelen, de thema’s van het verloren paradijs, van slavenhandel, kolonialisme en diversiteit.

Kortom, de geschiedenis heeft deze ogenschijnlijk paradijselijke uithoek van de wereld niet gespaard. Dat merk ik ook wanneer ik tijdens een verblijf in juli 2024 verneem dat de Britse overheid hier in 1940 joden uit Centraal-Europa onderbracht. Hoe kan het dat Groot-Brittannië in het begin van de Tweede Wereldoorlog joden deporteerde? In welke omstandigheden leefden ze? Vonden ze hun vrijheid terug en zo ja wanneer? Vragen die in mij opkomen terwijl het me opvalt dat ook Mauritianen deze episode uit hun geschiedenis niet kennen: Coco, de taxichauffeur die me rondrijdt op zijn geboorte-eiland, hoort het in Keulen donderen wanneer ik hem vraag naar het joods kerkhof en het memoriaal dat sinds 2014 bestaat.

 

Historische schets

Wie een idee wil hebben van de geschiedenis van dit eiland kan terecht in het Musée national d’histoire in Mahébourg, gevestigd in een koloniaal gebouw uit 1772. De collectie zou baat hebben bij een opfrisbeurt, maar de bezoeker krijgt een helder historisch overzicht. Arabieren ontdekten het eiland al in de tiende eeuw en vijfhonderd jaar later brengen Portugezen het in kaart, samen met de nabijgelegen eilanden Santa Apolonia – het huidige Réunion – en Rodrigues. Maar ze tonen verder geen belangstelling voor de eilandengroep.

De geschiedenis van de kolonisering begint in 1598, wanneer een Nederlandse expeditie, onder leiding van Wijbrand van Warwijck, op weg van Texel naar wat Nederlands-Indië zou worden, in het zuidoosten van het eiland strandt. Wanneer je Mahébourg richting westen verlaat, passeer je langs de plek die vandaag aangeduid is als ‘Dutch Landing’ en in de toponymie merk je nog enkele sporen van hun aanwezigheid: een berg is bijvoorbeeld vernoemd naar Pieter Both, de eerste gouverneur van Nederlands-Indië, die in 1615 omkwam bij een cycloon voor Mauritius. Het belangrijkste schip van de vloot van Van Warwijck heette de Mauritius, naar stadhouder Maurits van Nassau: vandaar de naam die het eiland vandaag nog draagt. De Nederlanders drukten hun stempel: vanuit Java voerden ze tabak en suikerriet in – vandaag nog de eerste bron van inkomsten van het land – en herten, die nog op het menu van de Mauritianen staan. Met de komst van de Nederlanders begon ook de slavenhandel. Maar de pogingen om het eiland te koloniseren mislukten: ontmoedigd door orkanen, tropische ziekten en mislukte oogsten, verlieten ze Mauritius in 1710.

Vijf jaar later namen de Fransen de plaats in. Ze herdoopten het eiland tot Isle de France en hadden meer succes in de organisatie van het nieuwe territorium. De hoofdstad Port-Louis breidde uit en werd een marinebasis voor de Franse vloot. Slaven uit Mozambique, Madagascar en Zanzibar maakten op het einde van de achttiende eeuw tachtig procent uit van de bevolking. Tijdens de Napoleontische oorlogen was het Isle de France de uitvalsbasis voor raids op Britse handelsschepen. Het werd de Britten te veel: in december 1810 stuurden ze 10.000 soldaten naar het noorden, bij Cap Malheureux – vandaar volgens sommige bronnen de naam – en de Fransen capituleerden.

Het verdrag van Parijs van 30 mei 1814 bevestigde de Britse controle over het eiland dat zijn oorspronkelijke naam terugkreeg. In 1835 werd de slavernij afgeschaft in de Britse koloniën. Dat had grote gevolgen voor het eiland waarvan de economie in grote mate steunde op de zwarte arbeidskrachten. Om ze te vervangen in de suikerplantages werden Indiërs overgebracht. Tot 1924 kwamen niet minder dan een half miljoen onder hen aan in de Aaprasavi Ghat of het ‘Immigration Depot’ in Port-Louis. Dit verklaart waarom de bevolking van Mauritius, naast zwarten, Chinezen en Europeanen, vandaag voor 68% bestaat uit afstammelingen van Indiërs: je merkt het aan de talrijke hindoe en Tamil tempels die verspreid liggen over het eiland. Mauritius blijft een kroonkolonie tot 1968, wanneer het zijn onafhankelijkheid uitroept, met Elizabeth II als staatshoofd, en in 1992 wordt het een republiek binnen het Commonwealth.

 

Een thuis voor de joden?

Maar hoe kwamen op 26 december 1940 bijna 1600 joden uit Oostenrijk, Duitsland, Polen en Tsjechoslowakije terecht in Beau Bassin, ten zuiden van de hoofdstad Port-Louis? Dat is de vraag die me bezighoudt, terwijl ik het eiland verken dankzij de goede zorgen van Coco. Het verhaal begint in 1939[3], wanneer op de achtergrond van spanningen tussen Arabieren en joden – het klinkt actueel – in wat toen het Britse mandaatgebied Palestina was, de regering van Neville Chamberlain een witboek – het White Paper – uitvaardigde dat het beleid in de regio moest bepalen voor de volgende jaren. Het stelde dat met de aanwezigheid op dat ogenblik van 450.000 joden in het gebied de doelstelling van de Balfour-verklaring van 1917 – ‘a national home for the jewish people’[4] – was bereikt. Verdere joodse immigratie in het gebied zou worden beperkt tot 15.000 per jaar voor een periode van vijf jaar. Dit document werd op gemengde gevoelens onthaald door de Arabieren, die geen waterdichte garantie kregen dat joodse immigratie ooit zou ophouden, en het werd ronduit verworpen door zionistische organisaties die gekant waren tegen elke beperking.

Maar ondertussen waren joden in Europa op de vlucht voor de nazi-vervolging. Velen onder hen wensten naar Palestina te trekken. Via de Weense financier Berthold Storfer, een tot het katholicisme bekeerde jood,[5] kregen 3600 joden uit Oostenrijk, Duitsland, Polen en Danzig de kans om vanuit Bratislava de Donau af te varen richting Zwarte Zee en zo Palestina te bereiken. Op 4 september 1940 verlieten vier schepen de Slowaakse hoofdstad. Het was geen plezierreis. De Uranus en de Helios waren voorzien voor 300 passagiers, maar ontvingen elk meer dan 1000 vluchtelingen. De Schönbrunn en de Melk waren kleinere plezierschepen zonder kajuiten die elk 150 passagiers konden opnemen, maar 800 personen scheepten in. De opeenhoping en het gebrek aan intimiteit leidden tot spanningen tussen rijk en arm, tussen seculiere en orthodoxe joden, tussen zionisten en zij die enkel weg wilden uit Europa.

Op 12 september meren de schepen aan in het Roemeense Tulcea, aan de Donaumonding. Daar wachten drie schepen op hen, waaronder de Atlantic, het grootste, dat uiteindelijk Mauritius zal bereiken – maar op dat ogenblik kan niemand vermoeden dat het kleine eiland in de Indische oceaan de eindbestemming zal zijn. 1800 vluchtelingen gaan aan boord van de oude schuit uit 1870 die toegerust is voor 1200 passagiers. Wie dacht dat hij beter af was dan op de boten die hen uit Bratislava brachten kwam verkeerd uit. Op het dek lagen mensen samengepakt als sardines; de oudsten – meer dan honderd waren over de 60 – lagen op tafels of op de grond in de eetzaal en de lounge; in de kajuiten, voorzien voor drie personen, sliepen er zes op de slaapbanken en nog eens zes op de grond; het ruim was volgepakt – ze noemden het de ‘catacomben’: mensen rustten er op planken van 50 centimeter breed en verstikten bijna in de vieze lucht. Zelf de reddingssloepen werden ingenomen! Het sanitair was erbarmelijk: er waren in totaal drie toiletten voor de vrouwen en twee voor de mannen. Doorspoelen was niet mogelijk: passagiers moesten zelf een emmer zeewater meenemen; al gauw verspreidde zich een misselijkmakende stank. Tijdens het oponthoud in Tulcea, dat bijna een maand zal duren, stierven vier vluchtelingen.

Het schip beschikte nog niet over een bemanning. Aangezien de Britten joodse immigratie in Palestina een halt wilden toeroepen, liepen ook scheepsbemanningen risico’s: schepen konden in beslag worden genomen en gevangenisstraffen liepen op tot acht jaar. Toch aanvaardde de Griekse kapitein Spiro het bevel van het schip op zich te nemen. Op 9 oktober licht de Atlantic uiteindelijk het anker. De tocht via de Bosphorus, Istanbul, de Zee van Marmara is hels. Er is dysenterie en buiktyfus aan boord. Medicijnen zijn schaars en elke dag vallen er doden. Bovendien verloopt de tocht langzaam: uit angst voor Italiaanse marineschepen – de eilanden van de Dodekanesos behoren op dat ogenblik tot Italië – verkiest kapitein Spiro overdag te schuilen en ’s nachts te varen. Na een tussenstop in Heraklion, waar leden van de lokale joodse gemeenschap bijdragen om het schip te bevoorraden met water, voedsel en kolen, gaat het verder richting Haifa.

Maar kapitein Spiro neemt de dreiging van de Britten ernstig om scheepsbemanningen te straffen die joden naar Palestina brengen. Samen met zijn officieren staat hij op het punt van boord te springen, maar ze worden tegengehouden door alerte vluchtelingen die zich hadden georganiseerd als een soort interne politie. Een van de opvarenden, de Tsjechische ingenieur Erwin Kovac, neemt het bevel van het schip over. Maar kapitein Spiro had de voorraad kolen overboord laten gooien. Het schip moest dus bevoorraad worden en dat kon enkel op Cyprus – toen Brits gebied. De vluchtelingen legden geld samen om de kolen te betalen en tot hun verbazing aanvaarden de Britten het gammele schip te escorteren naar Haifa. Euforie maakt zich meester van de joden: wanneer ze de Carmel-berg zien opdoemen, zingen ze de Hatikvah (‘Hoop’), de latere hymne van Israël. Zelfs de grootste pessimisten onder hen denken dat hun doel bereikt is en dat ze binnenkort vrienden en familieleden zullen kunnen omhelzen in Eretz Israel. Maar de Britten houden iets in petto.

 

Naar de Indische oceaan

In het licht van de groeiende clandestiene immigratie van joden in Palestina in 1939-1940, dacht men in Londen na over scherpere maatregelen, ondanks de bezwaren van Churchill, op dat ogenblik ‘First Lord of the Admiralty’, die bekend stond om zijn joodse sympathieën[6]. Tot nu toe werden joden die illegaal in Palestina waren binnengekomen samengebracht in kampen, maar het idee begon terrein te winnen ze ergens in het Britse imperium onder te brengen. Cyprus, Afrika, Australië of Groot-Brittannië zelf behoorden tot de mogelijke bestemmingen, maar uiteindelijk stelde George Lloyd, staatssecretaris voor kolonies, Mauritius voor – en dat op 9 oktober, net op de dag dat de Atlantic uit Tulcea vertrok. Sir Bede Clifford, gouverneur van het eiland, was bereid tot 6000 vluchtelingen op te vangen.

Ondertussen ligt de Atlantic met zijn nietsvermoedende passagiers voor anker in Haifa, maar het is hun verboden contact te hebben met kennissen aan de wal en van ontschepen is geen sprake. Integendeel, op 25 november begint bij dageraad de overbrenging van de joden van de Atlantic naar de Patria, een voormalig Frans schip dat de Britten als troepenschip gebruiken en dat de tocht naar de Indische oceaan zal aanvatten – maar dat weten de vluchtelingen nog niet. Om 9 uur weerklinkt een explosie. De Patria kapseist en zinkt. 202 vluchtelingen en 50 politiemensen en bemanningsleden komen om. De bom was geplaatst door de Haganah[7], op initiatief van de latere Israëlische premier Moshe Shertok[8], in een poging het schip te beletten af te varen. Maar het explosief was sterker dan gedacht. Op aandringen van Churchill kregen de overlevenden van de Patria de toelating om zich in Palestina te vestigen, als uiting van een ‘act of clemency’ – die echter niet van toepassing was op de vluchtelingen die zich nog aan boord van de Atlantic bevonden. Zij gingen uiteindelijk toch aan wal, maar enkel om in het Atlit-kamp, boven Haifa, te worden opgesloten.

Op 9 december moet de zeereis naar Mauritius van start gaan aan boord van twee Nederlandse schepen, de Johan De Witt en de Nieuw Zeeland. De vluchtelingen besluiten passief verzet te bieden: ze slapen naakt en weigeren op te staan. Maar dat houdt de Britse politie niet tegen, die brutaal optreedt: de overbrenging van naakte en half geklede mensen gebeurt chaotisch, ze krijgen klappen, er vloeit bloed. Bovendien worden bezittingen in beslag genomen, onder het voorwendsel dat er – de sabotage van de Patria indachtig – explosieven zouden kunnen tussen zitten: schoenen, zeep, polshorloges, speelkaarten, muziekinstrumenten, zelfs geneesmiddelen en medisch materiaal…

Wat ging er op dat ogenblik door het hoofd van de vluchtelingen? Ze hadden drie maanden op het water doorgebracht in extreme omstandigheden, kenden hun definitieve bestemming niet, hadden contact verloren met familieleden en vrienden in Europa of in Palestina en wat misschien het ergste is: ze waren tot ballingschap gedwongen door een regering waarvan ze bescherming hadden verwacht. Was rechtvaardigheid dan geen Britse waarde? Had de Balfour-verklaring van 1917 niet het recht erkend van de joden zich te vestigen in Palestina? Was Hitler niet hun gemeenschappelijke vijand?

Hoe dan ook, de tocht naar het zuidelijk halfrond was begonnen. Elf dagen na het vertrek vernemen de passagiers eindelijk dat het kleine eiland in de Indische oceaan hun voorlopige thuis zal worden. De omstandigheden waren beter dan op de Atlantic, onder meer dankzij een Nederlandse bemanning die vriendelijker was dan de Britten; op tweede Kerstdag, om 4 uur ’s ochtends komt Mauritius in zicht. In de haven van Port-Louis worden de joden goed ontvangen: dokwerkers bieden sinaasappelen en lychees aan en zelfs de politieagenten glimlachen. Maar wanneer de joden hun uiteindelijke bestemming bereiken op 28 december 1940 krijgen ze een nieuwe klap: boven de ingang is te lezen ‘His Majesty’s Prisons’.

 

Het Jewish Detainees Memorial

Vanuit mijn hotel aan de zuidkust van het eiland brengt Coco me naar de begraafplaats van Saint-Martin, in Beau Bassin. Overweldigd door de weelderige schoonheid van het tropische landschap, de machtige oceaan die na elke bocht voor ons verschijnt en de gezellig wanordelijke sfeer in de dorpen die we doorkruisen, denk ik na over de impact die geschiedenis kan hebben op het leven van gewone mensen, hoe ook zij de speelbal kunnen worden van politieke krachten die hen overstijgen, tot ze terecht komen in een uithoek van de wereld waar ze misschien nog nooit over hadden gehoord.

Ik zie aan mijn linkerzijde een gigantisch kerkhof, waarvan het joodse deel uitmaakt, en Coco zet me af aan de ingang van het Beau Bassin Jewish Detainees Memorial & Information Center. Recht voor mij zie ik de joodse begraafplaats, maar ik loop eerst naar de voormalige kapel die is omgebouwd tot het informatiecentrum. Een glimlachende jonge vrouw met een roze muts en gehuld in een dikke overjas – het is hier winter en ook al zijn de temperaturen die van een milde Belgische zomer, de Mauritianen hebben het koud – komt op me af en begint spontaan te vertellen. Kavita Smith had goede punten voor het vak geschiedenis in de middelbare school en directeur Owen Griffiths vroeg haar opzichter te worden en de bezoekers te ontvangen. Dat doet ze met charme en enthousiasme.

De informatieborden gaan niet in op de moeizame tocht van Bratislava naar Mauritius, die ik net vertelde, maar focussen op het verblijf ter plaatse van de joodse vluchtelingen. Hoe verging het ze? De eerste weken en maanden waren bijzonder moeilijk. Aaron Zwergbaum, een van de vluchtelingen die een leidersrol op zich zou nemen in de gemeenschap, vatte het zo samen: ‘In most of us a world had collapsed’. Om te beginnen waren velen gebroken door de meer dan drie maanden durende reis. Er waren nog altijd buiktyfus en dysenterie, malaria stak de kop op, sommigen waren ondervoed en uiteraard moet het avontuur gewogen hebben op het gemoed. In de eerste vijf weken stierven niet minder dan 28 personen, onder wie twee kinderen.

Dat ze in een (kort daarvoor ontruimde) gevangenis gehuisvest werden was niet geruststellend: welke statuut hadden ze nu eigenlijk? De koloniale overheid zat verstrikt in een semantische discussie: waren de joden refugees, detainees, prisoners of internees? Dat ze vluchteling waren, daarover bestond geen twijfel, maar de administratie besliste dat ze ook gedetineerden waren, want ze hadden gepoogd in het Mandaatgebied van wal te gaan, wat inging tegen de beperkingen die het White Paper oplegde. Bovendien waren de Duitsers en Oostenrijkers onder hen enemy aliens, dus onderdanen van een vijandige mogendheid: zouden er geen spionnen tussen zitten? Uiteindelijk werd beslist ze ‘illegal Jewish immigrants’ te noemen. Hoe dan ook was het duidelijk dat de Britse overheid in de deportatie een bestraffende dimensie zag: het was de bedoeling andere kandidaten voor emigratie naar Palestina af te schrikken.

 

Levensomstandigheden

De mannen kwamen terecht in de cellen van twee gebouwen, de eigenlijke gevangenis, waarvan de deuren niet op slot gingen. De vrouwen werden ondergebracht in een kamp van plaatijzeren constructies dat nog in opbouw was, buiten de gevangenismuren. Zij waren van de buitenwereld afgesloten door prikkeldraad. Jongens vanaf de leeftijd van 13 jaar werden bij de mannen ondergebracht, ook al was hun vader niet aanwezig.

Correspondentie met de buitenwereld mocht alleen in het Frans of het Engels, talen die de gedeporteerden niet noodzakelijk beheersten. Ze mochten trouwens geen lokale kranten lezen. Daardoor waren ze volledig afgesloten van de gebeurtenissen in de wereld. Het eten in het kamp was goed maar vergde enige aanpassing: Duitse of Poolse joden waren niet gewend aan zoete aardappel, gedroogde bonen of fruitbrood. Velen hadden gezondheidsproblemen. Bijna de helft werd getroffen door malaria en op elk ogenblik bevond 10% van hen zich in het ziekenhuis, dat overigens van goede kwaliteit was.

Maar wat wellicht de grootste frustratie opwekte, was het verbod op contact tussen mannen en vrouwen, ook als ze getrouwd waren: het was niet mogelijk een normaal gezinsleven te leiden. Een koppel dat erin was geslaagd elkaar heimelijk te zien werd gestraft, maar het was te laat: het kind werd geboren in 1941. Pas een jaar later kwam er een versoepeling: er werden tenten opgetrokken waar koppels zich voor een uur of twee konden terugtrekken, maar niet iedereen vond dit een elegante oplossing en na drie maanden verdwenen de tenten ‘on moral grounds’[9]. Uiteindelijk werd gekozen voor een systeem van passen die vrouwen toelieten een bezoek te brengen aan het mannenkamp.

Elke gezonde persoon tussen 18 en 55 moest zich nuttig maken, want er was werk te over: onderhoud, koken, schoonmaken, tuinieren. Ambachtslui bevoorraadden het kamp in kleren, schoenen, meubelen, keukenbenodigdheden, enzovoort. Na verloop van tijd verkochten ze de spullen ook buiten het kamp. Er werd winst gemaakt en de overheid besliste dat de gedetineerden 5% van hun inkomsten zouden afstaan aan een collectieve kas: een deel daarvan vloeide terug naar de ‘intellectuelen’, lesgevers en artsen die het minder breed hadden. Toen er in het kamp heuse Kaffeehaüser kwamen, kenden die zoveel succes dat de gemeenschapskas goed werd gespijsd.

In mei 1941 richt Aaron Zwergbaum, die ik al citeerde, de Zionist Association of Mauritius op die culturele activiteiten organiseerde zoals lezingen over joodse onderwerpen en lessen Hebreeuws. Ze richtte een bibliotheek op en nam contact met joodse en zionistische organisaties in het buitenland om te berichten over de situatie van de joden op het eiland, hoewel de Britse overheid dit niet aanmoedigde. Een joodse groep uit Kaapstad zond kleren, boeken en magazines naar Beau Bassin.

En de Mauritianen? Zij waren de joden niet ongenegen, zoals al bleek bij hun aankomst in de haven van Port-Louis. Het begrip ‘jood’ was vrijwel onbekend op het eiland en ook al maakte Mauritius deel uit van het Empire, de Europese oorlog was een ver van mijn bed show. Bovendien verbood de overheid elk contact tussen de vluchtelingen en de lokale bevolking. Wie een poging deed om toenadering te zoeken tot de joden kon een gevangenisstraf van twee jaar krijgen. Bijgevolg sloeg de initiële welwillendheid al gauw om in onverschilligheid.

 

‘We want to be free!’

Maar in de loop van 1943 verzuurt de relatie tussen de gedetineerden en de lokale bevolking. U-Boten waren actief in de Indische oceaan en meerdere Britse schepen werden getorpedeerd in de omgeving van het eiland. Sommige Mauritianen waren ervan overtuigd dat er tussen de joden spionnen zaten die informatie doorseinden naar de Duitsers. Dit bracht de overheid ertoe de relatieve vrijheid van de joden opnieuw in te perken. Uitstapjes naar de nabijgelegen stad, jobs buiten het kamp, zelfs het kijken naar films werden verboden en de politiebewaking in het kamp werd gevoelig opgedreven.

Tijdens het vierde jaar van het gedwongen verblijf op het eiland lopen de spanningen op met de overheid. Ook al waren de joden erin geslaagd zich in grote mate aan te passen aan hun nieuwe leven, toch was de vrijheidsberoving op magere juridische gronden, gekoppeld aan de frustraties over hun nog altijd schamele levensomstandigheden moeilijk te verdragen. Waarom mochten ze niet vrij bewegen? Waarom mochten ze niet vertrekken naar het land van hun keuze? Na een nieuwe pesterij werd het teveel: de kampoverheid verbood twintig gedeporteerden die door sympathiserende Mauritianen waren uitgenodigd om thee te drinken de gevangenis te verlaten. Ze riepen een staking uit. De vrouwen lieten zich niet onbetuigd: vierhonderd onder hen drongen binnen in de mannenafdeling. Ook de mannen onderbraken het werk en een groep van duizend gedetineerden trok dreigend naar de kantoren van de kampoverheid: ‘We want to be free!’. Bij de overheid begon het te dagen dat de situatie onhoudbaar was.  In een telegram aan de staatssecretaris voor kolonies in Londen onderstreepte gouverneur Donald Mackenzie-Kennedy van Mauritius: ‘There does exist a camp psychosis, which is aggravated by prolonged detention’ en hij pleitte voor de vrijlating van een aantal gedetineerden, zoals zij die familie hadden in Palestina of in de geallieerde troepen.

Maar het zou nog duren tot 21 februari 1945 voor de Britse overheid groen licht geeft voor het vertrek van alle gedeporteerden. Die dag worden de joodse verantwoordelijken van het kamp ontboden in het Government House in Port-Louis, waar de gouverneur de volgende verklaring aflegt:

‘His Majesty’s Government in the United Kingdom and the Government of Palestine have decided that the Jewish refugees now in Mauritius be allowed to enter Palestine when the necessary arrangements have been made’.

Die noodzakelijke regelingen gingen over het transport: het was niet vanzelfsprekend om meteen een schip voor meer dan duizend personen te vinden. En nog voor hun vertrek worden ze getroffen door een nieuwe tegenslag: er breekt een epidemie van polio uit, waardoor het kamp nog maar eens van de buitenwereld wordt afgesloten. Maar op 11 augustus 1945 is het zover: de joden schepen in op de Franconia, een troepenschip dat beperkt comfort biedt, maar daar kunnen ze mee leven, want eindelijk, na vijf jaar, zijn ze vrij.

 

De begraafplaats

Maar 128 gedeporteerden zullen het geluk niet kennen hun vrijheid terug te vinden. Zij stierven op het eiland en liggen begraven op het kerkhof van Saint-Martin. Nadat ik het memoriaal heb bezocht, loop ik naar de begraafplaats, dat, ondanks de schade aangebracht door talrijke cyclonen, goed onderhouden is, dankzij het South African Jewish Board of Deputies: ik vermeldde al dat ook tijdens de oorlog Zuid-Afrikaanse joden de gedeporteerden steunden. Boven de ingang lees ik: ‘1940 Blessed Be The Judge 1945’. Dat is een citaat uit het ‘Tziduk Hadin’, het gebed dat joden doen nadat het graf is gevuld. Het wordt gevolgd door een lezing van psalm 49, die onderstreept dat de mens, hoe rijk of hoe wijs hij ook is, niets meeneemt in het graf dat zijn eeuwige woonst wordt.

Terwijl ik rondloop tussen de graven, mijmer ik over de grilligheid van het lot dat deze mensen trof die voorbestemd waren ver van hun geboorteplaats te overlijden. Jonas Rosengarten bijvoorbeeld: geboren in Wenen overleed hij op 1 augustus 1943, op 69-jarige leeftijd in de gevangenis van Beau Bassin; of Hermann Flatow uit Danzig, die hier, 59 jaar oud, op 28 juni 1941 stierf; of Klara Gruber, die 70 was toen ze op 30 mei 1941 haar laatste adem uitblies in het kamp, ver van haar geboorteplaats Brody, in de buurt van Lviv.

Het valt me op dat twee graven in een andere richting staan. Hoe komt dat? Ik stel de vraag aan Kavita, die gehuld in haar overjas, met mij over het kerkhof struint. Het zijn de twee eerste joden die in Beau Bassin overleden: Anita Hirschmann uit München, die op amper 35-jarige leeftijd stierf op 5 januari 1941 – de joden waren pas sinds tien dagen op het eiland aangekomen; en Izchok Repinsky uit Danzig, die dertien dagen later overleed: hij was vier jaar jong… Op joodse begraafplaatsen staan de grafstenen in de richting van Jerusalem. Maar in het begin van hun verplicht verblijf kenden de gedeporteerden die niet: vandaar dat de graven van de twee eerste overledenen anders gericht zijn. Het zegt veel over de verwarring die de joden in de eerste maanden van hun ballingschap moeten ervaren hebben: ze waren letterlijk de richting kwijt, desoriëntatie was hun lot.

Tragische historische gebeurtenissen zijn vaak doordrongen van ironie. Dat toont ook het verhaal van de 1580 joden van Mauritius. Ten eerste slaagden ze erin Europa te ontvluchten dankzij de medewerking van de als jood geboren Berthold Storfer met de diensten van Adolf Eichmann; ten tweede, in de poging te ontsnappen aan de nazi-vervolging, ontzegde Groot-Brittannië, een democratisch land dat verondersteld werd bescherming te bieden, hun de toegang tot Palestina en werden ze verbannen naar deze verre uithoek van de wereld; ten slotte reageerde het Jewish Agency lauw op vragen van gedetineerden om bijstand: aan familieleden van de joden op Mauritius, antwoordde Moshe Shertok (Sharett), die we al tegenkwamen in de zaak van de gezonken Patria, dat ‘zolang de gedetineerden opgesloten zijn, ze tenminste in veiligheid zijn’[10].

Dat klopt natuurlijk: een gedwongen verblijf in de gevangenis van Beau Bassin was ver te verkiezen boven deportatie naar Auschwitz of Bergen-Belsen. En toch wringt er iets. De joden van Mauritius waren pionnen in een dubbel geopolitiek schaakspel: ten eerste, het Europese waar de dreiging die van de nazi’s uitging hen verplichtte have en goed te verlaten en rond te dolen in de hoop ergens veiligheid te vinden, liefst in Palestina voor de meesten onder hen; dat van het Midden-Oosten, vervolgens, waar de Britten in het Mandaatgebied ernaar streefden een evenwicht te vinden tussen de wens van de zionisten om zich in het beloofde land te vestigen en het Arabische verzet tegen de nieuwkomers. Maar de 1580 joden betaalden een hoge prijs: vier jaar en acht maanden lang werden ze beroofd van hun vrijheid, voor ze konden vertrekken naar de plek van hun keuze. En 128 onder hen zijn voor altijd verbonden met het idyllische eiland in het zuidelijke halfrond. De graven van het joodse kerkhof van Saint-Martin herinneren eraan dat er geen ontsnappen is aan de geschiedenis, zelfs niet op paradijselijke eilanden.

 

[1] Geciteerd door Robert Philpot, « From Palestine to Jail in Mauritius : When Britain Deported 1580 Jews to Mauritius », in : The Times of Israel, 12 augustus 2020. https://www.timesofisrael.com/from-palestine-to-jail-in-mauritius-when-britain-deported-1580-shoah-refugees/

[2] Oriëntalisme verwijst naar de stereotiepe manier waarop westerse denkers en kunstenaars Azië, het Midden-Oosten en Noord-Afrika voorstellen. De term werd gemunt door Edward Saïd, Orientalism (1978).

[3] Ik steun op het gedetailleerde boek van Geneviève Pitot, The Mauritian Shekel, The Story of the Jewish Detainees in Mauritius, 1940-1945, Port-Louis, Vizavi, 2017 (1998). Vertaald uit het Frans door Donna Edouard.

[4] Zie Bernard Regan, The Balfour Declaration, Verso Books, 2018.

[5] In samenwerking met de diensten van Adolf Eichmann, organiseerde hij het vertrek van in totaal 9096 joden uit Europa tussen 1938 en oktober 1941, toen de nazi’s het vertrek van joden uit hun invloedsgebied verboden. Ondanks zijn bekering werd hij naar Auschwitz gedeporteerd waar hij in november 1944 omkwam. Zionisten beschouwden hem als een collaborateur. Zie het Duitstalige Wikipedia artikel over hem en https://www.auschwitz.at/berthold-storfer-en.

[6] “During the war, Churchill sought many avenues to provide refuge for Jews fleeing the Nazis, including in Palestine, and in the teeth of great opposition from virtually all of his officials”. Daniel Mandel, “Winston Churchill – a Good Friend of Jews and Zionism?”, in: Jerusalem Center for Public Affairs, 11 May, 2009. https://jcpa.org/article/winston-churchill-a-good-friend-of-jews-and-zionism/

[7] De joodse paramilitaire organisatie in het Britse mandaatgebied, die de kern zal vormen van het latere Israëlische leger.

[8] Hij was verantwoordelijk voor de politieke afdeling van de Jewish Agency, die ook vandaag nog uitwijking van joden naar Israël aanmoedigt. Shertok verandert later zijn achternaam in Sharett. Zie Meir Chazan, “The Patria Affair: Moderates vs. Activists in Mapai in the 1940s”, p. 67-68. http://humanities1.tau.ac.il/segel/meirch/files/2012/06/The-Patria-Affair3.pdf

[9] Geneviève Pitot, The Mauritian Shekel, o.c., p. 180.

[10] Geciteerd in https://www.timesofisrael.com/from-palestine-to-jail-in-mauritius-when-britain-deported-1580-shoah-refugees/

Surinamer in de Oost
Nachtmis
De maakbare mens
Hoe lang is de antifascistische oorsprongsmythe van de...
‘J’avais toujours raison’
Een ‘politieke kosmos’? Over de pedagogie van straatnamen
Duivelse armoe
Dr. Morell en Patiënt A
Christendom en burgerlijk gezag
‘Rwanda valt aan, Rwanda wordt niet aangevallen’ (Urwanda...
Dubbele politieke moord
Wat vertellen we onze kinderen (niet)?
Een jurk vertelt
Filip de Pillecyn als links-progressieve journalist
Numineuze slachtoffers
Wetenschap, een sisyfusarbeid
Nog een herdenking in 2025
De onverwachte val van Assad
Woorden zijn wapens. Over Robert Brasillach
Een mooi kijkboek, meer niet
Deportatie naar het paradijs: joden in Mauritius 1940-1945
Het kleedje voor Hitler: een boekbespreking
Het einde en het begin van de geschiedenis
Begrensde Tolerantie, Botsende Meningen
Taiwan: de nalatenschap van Nederlandse handel
Gedeelde grond
Moeten arme landen arm blijven?
Oudheidkunde op maat
De eeuwige actualiteit van het verleden: Het Adrianus-dossier
Beyond the Wall van Katja Hoyer