Een bespreking van Blitzed: Drugs in the Third Reich van Norman Ohler[1]
Toen ik gisteren langs het Metropolitan Museum in New York wandelde, zag ik, tussen de vele standjes met allerlei snuisterijen, een tafel vol boeken. Een ervan trok mijn aandacht. Het heet Blitzed: Drugs in the Third Reich door Norman Ohler. Ik had nooit van het boek gehoord, noch van de schrijver. Ik aarzelde zelfs wat om het te bekijken, want het leek opzettelijk ‘schandalig’, zoals de boeken die om maar te verkopen in detail de schunnige details uit het leven van totalitaire leiders onthullen (of verzinnen). Maar nadat ik een paar bladzijden had gelezen verdwenen mijn twijfels, en ik kocht het boek. Het kostte vijf dollar.
Norman Ohler, een journalist met ambities als historicus, publiceerde het in 2015. Het kan grofweg in drie delen worden onderverdeeld. In het eerste beschrijft Ohler de groei van de Duitse farmaceutische industrie voor en na de Eerste Wereldoorlog. Aan het einde van de negentiende eeuw werd Duitsland wereldleider in wat tegenwoordig ‘big pharma’ wordt genoemd, en veel van de destijds opgerichte bedrijven (zoals Merck) bestaan tegenwoordig nog steeds, en zijn winstgevend. Dit leverde de wereld allerlei stoffen op, van aspirine, uitgevonden in 1897, tot derivaten van morfine (datzelfde jaar uitgevonden door dezelfde man, dr. Felix Hoffman) en verschillende methamfetamines (zogeheten ‘pepmiddelen’).
Het tweede deel is gericht op een van die stoffen, pervetine (vergelijkbaar met benzedrine, geproduceerd in de Verenigde Staten), dat hoewel het door het Nazibewind was verboden voor algemeen gebruik, alomtegenwoordig was in de hogere echelons, de Wehrmacht inbegrepen. Pervetine zou de concentratie vergroten, de behoefte aan slaap en eten verminderen, het denkvermogen verbeteren, en zo het ideale middel zijn voor soldaten en officieren die urenlang moesten vechten, rijden of marcheren. Maar Ohler lijkt het belang van pervetine voor de Duitse Blitzkrieg in 1940 te overschatten. Er is een vage aannemelijkheid in het onderkennen van de samenhang tussen de effecten van het pepmiddel en de militaire noodzaak van een snelle zege (die 24 uur per dag en zeven dagen in de week tegenwoordigheid van geest vroeg van soldaten en officieren), maar traditionele aspecten zoals het buitengewoon gewaagde plan van de generaals Von Manstein en Guderian, en de slechte moraal van het Franse leger speelden een veel grotere rol dan een amfetamine.
Het beste deel van het boek is het derde dat in detail, historisch bewijsmateriaal gebruikend, de verhouding analyseert tussen dr. Theodor Morell, de persoonlijke arts van Hitler, en zijn patiënt A. Dr. Morell had een enorm succesvolle loopbaan in Berlijn. Hij leerde Hitler kennen in 1936, en vanaf 1942 waren zij onafscheidelijk, omdat patiënt A in toenemende mate afhankelijk was van dagelijkse doses, eerst van verschillende vitamines, daarna van pervetine, morfine, geleidelijk ‘opgewaardeerd’ tot cocaïne en tot een mengsel van opium en cocaïne (de zogeheten ‘speedball’). Ohler maakt het tamelijk aannemelijk dat er, met uitzondering van Eva Braun, niemand dichter bij Hitler stond dan dr. Morell, ten minste vanaf de tijd dat Hitler verkaste naar zijn Wolfsschanze in Oost-Pruisen en daarna naar een andere fortificatie bij Vinnytsja in het huidige Oekraïne. Er zijn, schrijft Ohler, 1349 dagen tussen augustus 1941 en augustus 1945; op 883 ervan bestaat er bewijs van ontmoetingen van Morell met Hitler (blz. 132). Het verblijf van Morell was naast dat van Hitler, en de arts was bijna dagelijks bij hem om de Führer te injecteren met drugs (en werd soms opgeroepen om midden in de nacht te komen).
Er bestaat weinig twijfel over dat Hitler medio 1943 verslaafd was aan opiaten. Waarschijnlijk bracht hij geen dag door zonder dat hij werd geïnjecteerd met een van de brouwsels van dr. Morell, of er een slikte. Morell hield een gedetailleerde lijst bij van stoffen en injecties, een manier om zich te beschermen tegen mogelijke beschuldigingen van wanpraktijken door de entourage van Hitler. Deze dagboeken van Morell zijn onze voornaamste bron van informatie. Ohler speculeert over de geestelijke toestand van de dictator, vooral na 1943, toen zijn beslissingen vanuit militair gezichtspunt in toenemende mate gestoord waren. Volgens die interpretatie (die naar mijn mening niet helemaal overtuigend is) had de lichamelijke en geestelijke toestand van Hitler niet te verwaarlozen gevolgen voor de wijze waarop de drie laatste jaren van de oorlog werden uitgevochten, en daarmee behoort het verhaal van Morell tot de Geschiedenis (met een hoofdletter) veeleer dan tot het domein van eigenaardigheden van dictators.
De lichamelijke toestand van patiënt A was inderdaad beklagenswaardig. Levend in de volledig kunstmatige omstandigheden van gepantserde bunkers (in het bijzonder na de mislukte moordaanslag in juli 1944), zonder lichamelijke oefening, met nauwelijks frisse lucht en zonneschijn, slapend in een kamer met verstikkende en stinkende lucht, en alleen vegetarisch voedsel etend, verouderde Hitler enorm: ‘tot 1940 zag Hitler er jonger uit dan hij in werkelijkheid was (51 jaar), maar daarna werd hij snel ouder. Tot 1943 kwam zijn uiterlijke verschijning overeen met zijn leeftijd, maar daarna werd zijn snelle lichamelijke achter uitgang duidelijk’. (blz. 226)
Belangrijker nog was zijn geestelijke toestand. Een dergelijk beklagenswaardige lichamelijke toestand leidde tot neuroses, slapeloosheid, gebrek aan concentratievermogen, problemen met de spijsvertering, en tastte zijn gezichtsvermogen en gehoor aan. Hij kon duidelijk helemaal niet meer helder denken. Dan kwam dr. Morell met zijn wonderdrugs. Morell diende aan een patiënt op het randje doses van pepmiddelen toe die, bijna wonderbaarlijk, zijn denkvermogen en besluitvaardigheid herstelden, en, heel belangrijk, daardoor bij de generaals en buitenlandse leiders die hij ontmoette de indruk wekte helder van geest te zijn, lichamelijk fit, en de leiding te hebben. Bij veel gelegenheden beschrijft Ohler, Morell aanhalend, de transformatie van een oude, lichamelijk gebroken man die binnen een paar minuten na een injectie alert en zelfverzekerd wordt, met grote passen naar de vergaderzaal loopt en daar ieders aandacht trekt en vasthoudt, en iedereen domineert.
Het is mogelijk dat Morell de wonderbaarlijke effecten van zijn verschillende drugs overdrijft. Maar er bestaat geen twijfel over dat hoewel de lichamelijke en geestelijke toestand van Hitler rampzalig was, talrijke waarnemers en deelnemers bij vergaderingen in 1943 en tot eind 1944 vertrokken met de indruk dat de Führer net zo wilskrachtig en vastbesloten was als tijdens zijn klim naar de macht.
Dit brengt ons, denk ik, bij de volgende vraag: was dr. Morell een ‘gek’, een ‘charlatan’, een ‘dilettant’ zoals hij altijd wordt beschreven in boeken over Hitler? Ik wist van het bestaan van dr. Morell uit verschillende biografieën van Hitler, en in elke ervan werd hij in minder dan een paragraaf afgedaan als een charlatan die in het gevlij van de Führer kwam. Het boek van Ohler laat ons de dingen anders zien: de aanpak van dr. Morell had nauwelijks iets te maken met geneeskunde als zodanig. Zij werd beheerst door een extreme mate van korte-termijn-denken. Het doel was Patiënt A zichzelf beter te laten voelen, daarbij inbegrepen het gevoel de touwtjes meer in handen te hebben, en vooral ook die indruk te wekken op anderen die hem ontmoetten. Zij had niets van doen met de gezondheid van Hitler op de lange termijn of met bezorgdheid over zijn afhankelijkheid van drugs. Niets daarvan was van belang voor Morell. Morell was er om een politiek probleem op te lossen. En het lezen van dit boek laat er absoluut geen twijfel over bestaan dat Morell inderdaad een politiek probleem oploste, en dat het voor Hitler niet onredelijk was dat hij Morell zo’n lange tijd bij zich hield, en zo ver te gaan dat hij pogingen wegwuifde van Ribbentrop, en later van Himmler en Bormann, om de arrogante en weerbarstige arts te dumpen. Hitler was volkomen afhankelijk van drugs en van zijn zorgverlener. Het was, zoals Ohler schrijft, een geval van volledige afhankelijkheid van een verslaafde van zijn leverancier.
Was dit alles onethisch van de kant van dr. Morell? Men kan deze vraag op twee verschillende manieren stellen. Zou het meer ethisch zijn geweest als Morell Hitler had vergiftigd (waarvan hij, zonder enig bewijs, werd beschuldigd door Himmler)? Mogelijk had het veel levens gespaard. Maar deze gedacht kwam niet op bij dr. Morell, en het zou in strijd zijn geweest met de eed van Hippocrates. Maar was hij trouw aan de eed van Hippocrates? Nee, want hij stelde geen belang in de gezondheid van patiënt A als zodanig, maar in zijn vermogen dag in, dag uit te overleven zonder in het bijzijn van iedereen geestelijk en lichamelijk in te storten (zoals Hitler uiteindelijk in april 1945 deed). Dus hier stuiten we op een politieke, en niet noodzakelijk beroepsmatige, eis van het werk. En enkel vanuit dat gezichtspunt was dr. Morell een groot succes.
PS Er is een interessant detail voor een econoom. De Duitse bezettingsmacht ontdekte bij Vinnytsja, vlakbij zowel Hitler als Morell, een immens ultramodern slachthuis, gebouwd door volledig Amerikaanse techniek te gebruiken, vermoedelijk tijdens het eerste Sovjet Vijfjarenplan. Morell vordert het abattoir en gebruikt het voor zijn eigen ‘grondstoffen’ (delen van geslachte dieren), maar het laat een econoom plotseling en onverwachts het belang zien van toegang tot Amerikaanse techniek voor de vroege ontwikkeling van de Sovjet-Unie.
(Vertaling: Herman Simissen)
Branko Milanović (°1953) is een Servisch-Amerikaanse econoom, onder meer verbonden aan de City University of New York en de London School of Economics. Hij is vooral bekend door zijn werk over inkomensverdeling en ongelijkheid. De oorspronkelijke tekst verscheen op 9 augustus jl. op
https://branko2f7.substack.com/p/dr-morell-and-the-patient-aen wordt hier met toestemming van de auteur in Nederlandse vertaling gepubliceerd.
[1] Norman Ohler, Blitzed: Drugs in the Third Reich, vertaald door Shaun Whiteside, Houghton Mifflin Harcourt, Boston enz., 2017; oorspronkelijke uitgave Norman Ohler, Der Totale Rausch: Drogen im Dritten Reich, Verlag Kiepenheuer & Witsch, Keulen, 2015.