Welke rol spelen straatnamen in ons leven? Wellicht een kleine, als ik mag afgaan op mijn eigen ervaring. In mijn jonge jaren woonde ik in Antwerpen onder meer in de Juul Grietensstraat en recent vijftien jaar in de Van Luppenstraat. Nooit had ik de nieuwsgierigheid na te gaan wie die personen waren en waarom het stadsbestuur het ooit nodig had gevonden hen te eren. Tenslotte kiezen we onze verblijfplaats niet in functie van een straatnaam, maar wel van de woning waar we hopen ons thuis te voelen. Een straatnaam is eerst een plaatsaanduiding en daarbij vervaagt de betekenis of de eventuele verwijzing naar een concrete persoon.[1]
Toch is er meer aan de hand. George Steiner merkte ooit op dat straten vernoemen naar staatslui, militairen, schrijvers, kunstenaars, wetenschappers, filosofen enzovoort een typisch Europees fenomeen is. Wij wonen in ‘echokamers van historische, intellectuele, artistieke en wetenschappelijke prestaties’.[2] Je moet Amerikaan zijn om straten te nummeren of te noemen naar hun oriëntatie: ‘West’, North’ en zo meer. Maar het gewicht van de geschiedenis dat zelfs in onze toponymie tot uiting komt heeft een schaduwzijde. Straatnamen hebben iets paradoxaals. Enerzijds zijn ze onzichtbaar, herleid tot hun topografische functie, en anderzijds doen ze passies oplaaien en conflicten ontketenen.
Denk aan de niet aflatende debatten rond de franquistische straatnamen in Spanje.[3] Ondanks verwoede pogingen van de socialistische regering van Pedro Sánchez om de verwijzingen naar de dictatuur uit de openbare ruimte te halen vind je nog altijd straatnamen die verwijzen naar José Antonio Primo de Rivera, leider van de fascistische Falange, of naar Sanjurjo, Mola en Queipo de Llano, generaals die samen met Franco de staatsgreep van 18 juli 1936 organiseerden. In Vlaanderen zijn ondertussen de verwijzingen naar Cyriel Verschaeve uit het straatbeeld verdwenen – en in Lanaken zelfs vervangen door Anne Frank – maar Leopold II, ook een betwiste figuur, is nog aanwezig in het stratenplan van onder meer Oostende, Hasselt en Sint-Truiden.
Dergelijke herinneringsconflicten tonen dat straatnamen vorm geven aan een ‘politieke kosmos’,[4] want een naam geven aan een straat is een manier om een maatschappijvisie ruimtelijk zichtbaar te maken. Vanaf het begin van de zeventiende eeuw kregen Parijse straten namen die verwezen naar de monarchie: rue Royale, place Dauphine, rue Christine – naar de tweede dochter van koning Hendrik IV – enzovoort.[5] In 1792 besloten de Franse revolutionairen alle straatnamen met verwijzingen naar de monarchie te vervangen door republikeinse thema’s – zoals vrijheid en gelijkheid – of personen. Ook bij ons gebeurde dat in de Franse tijd: in Gent, bijvoorbeeld, werd de Keizerstraat de ‘rue du Peuple souverain’ en de Kanunnikstraat de ‘rue Jean-Jacques Rousseau’.[6]
Ook vandaag nog is het stratenplan van Franse steden een politieke pedagogie. Als je in het centrum van Parijs of eender welke provinciestad rondslentert, zie je dezelfde namen opduiken: figuren van de Revolutie als Danton, Sieyès of Marat; politici en militairen die een rol speelden in het verzet en de Bevrijding als De Gaulle, Jean Moulin of maarschalk Leclerc. Italië lijkt in dat opzicht op Frankrijk. In het centrum van de steden vind je meestal de helden van het Risorgimento, de strijd die in 1861 leidde tot de eenmaking van Italië: Garibaldi, Cavour, D’Azeglio en anderen. Uiteraard bots je op straatnamen die verwijzen naar het verzet tegen het fascisme: figuren als communist Antonio Gramsci, sociaaldemocraat Gaetano Salvemini, christendemocraat Luigi Sturzo.
Overheden gaan er dus van uit dat straatnamen een pedagogische functie hebben en bewoners waarden en referenties bijbrengen die de grondslag vormen van het politieke stelsel. Maar als we de blik richten naar de gewone burgers, de gebruikers van die straten, kunnen we de vraag stellen welke de reële impact van die namen is. Ter illustratie, een Italiaanse casus.
De broers Rosselli
Onlangs publiceerde ik de eerste Nederlandstalige biografie van twee Italiaanse antifascisten die bij ons relatief onbekend zijn, maar in hun geboorteland beschouwd worden als iconen van de strijd tegen het fascisme, de broers Carlo en Nello Rosselli.[7] De jongere broer hekelde het regime op subtiele wijze, in zijn wetenschappelijk onderzoek als historicus, terwijl Carlo de militant was: als intellectueel die een theoretische basis gaf aan wat hij het ‘socialismo liberale’[8] noemde, schuwde hij concrete politieke actie niet en kwam hij snel in aanraking met het regime van Mussolini. Hij bracht drie jaar in gevangenschap door, voor hij naar Parijs uitweek en daar de verzetsorganisatie Giustizia e Libertà oprichtte die acties ondernam tegen het regime in Rome, maar ook afstand nam van het totalitarisme in het eigen linkse kamp: voor Rosselli was het socialisme in de eerste plaats een filosofie van de vrijheid en die overtuiging was niet te verzoenen met het stalinisme.
Toen de Spaanse Burgeroorlog uitbrak richtte hij – nog voor de Internationale Brigades actief waren – in Barcelona een eenheid van Italiaanse vrijwilligers op om Franco te bestrijden. Hij raakte gewond en was verplicht terug te keren naar Frankrijk, ontgoocheld door de verdeeldheid in het linkse kamp, waar anarchisten en communisten elkaar naar het leven stonden. Op 9 juni 1937 viel hij samen met zijn broer in een hinderlaag in een Normandisch kuuroord. Franse extreemrechtse militanten maakten hen af met messteken en revolverschoten. De broers waren nog geen veertig. Als helden van het antifascistisch verzet betaalden ze de hoogste prijs voor hun engagement: ze waren democraten in hart en nieren die hun tijd ver vooruit waren door hun consequent antitotalitarisme, want ook een dictatuur in naam van de ‘goede zaak’ was voor hen onaanvaardbaar. Ze liggen aan de basis van de naoorlogse sociaaldemocratie in hun land en Carlo’s liberaal socialisme werd, samen met christendemocratische ideeën, de voedingsbodem van de grondwet die in januari 1948 in voegen trad.
Via Fratelli Rosselli
Het verbaast dan ook niet dat de naam Rosselli vaak opduikt in het stratenplan van Italiaanse steden, onder meer in Rome, Milaan, Bologna, Novara, Modena, Ferrara, Genua, Reggio Calabria, enzovoort. Die straten verwijzen ofwel naar Carlo alleen, ofwel (en meestal) naar de broers, ongetwijfeld door het tragische levenseinde dat zij deelden. Voor zover ik heb kunnen natrekken wordt in slechts twee gevallen enkel de jongere broer Nello geëerd.[9] Vaak vind je de broers terug in wijken waarvan de toponymie een zekere thematische eenheid kent. In Rome bijvoorbeeld ligt de Via Fratelli Rosselli in de buurt van de Via Pilo Albertelli, een partizaan die vermoord werd tijdens de slachting van de Fosse Ardeatine,[10] van de Via Gioacchino Gesmundo, die hetzelfde lot kende en van de Via Eugenio Colorni, een antifascist die op 28 mei 1944 vermoord werd door fascisten in Livorno.
Elders vind je in het stratenplan de Rosselli’s terug naast antifascisten zoals Gaetano Salvemini, vriend en mentor van Carlo of Piero Gobetti, een progressieve liberaal die jong stierf na een afranseling door fascisten. Soms worden in dezelfde wijk communisten als Antonio Gramsci, de filosoof die jarenlang werd opgesloten, en Palmiro Toglatti, leider van de Partij in ballingschap, geëerd. Ook zie je de Rosselli’s vaak tussen politici die een rol speelden in de naoorlogse heropbouw van de democratie: de christendemocraat Alcide de Gasperi, na de oorlog meerdere keren premier of liberaal Luigi Einaudi, president van de Republiek tussen 1948 en 1955.
De Rosselli’s in Puglia
In augustus 2025 verken ik voor het eerst Puglia, de hiel van het schiereiland. Bari, Brindisi, Lecce staan op het programma, net als Matera, iets verder in Basilicata, het prachtige stadje waar Pasolini’s sterke Il Vangelo secondo Matteo (1964) werd opgenomen. Maar terwijl ik mijn excursies plan met hulp van Google Maps, merk ik dat de aanwezigheid van de broers Rosselli in het stratenplan zich niet beperkt tot grotere steden. Ook stadjes en dorpen eren de antifascisten: in de onmiddellijke omgeving van mijn hotel tel ik er tien. In het kielzog van mijn boek over de broers besluit ik, zonder enige wetenschappelijke aanspraak, een klein onderzoek te doen in het diepe Italië naar de impact van straatnamen: in elk van de dorpen wil ik postvatten in de straat die naar de Rosselli’s is genoemd en aan voorbijgangers vragen of zij vertrouwd zijn met de broers. Ik pas de tactiek van de onwetende toerist toe: buon giorno, ik ben buitenlander, heb belangstelling voor de Italiaanse geschiedenis en heb gemerkt dat de naam Rosselli vaak terugkomt in straatnamen. Weet u eigenlijk wie die broers waren?
Ik ga van start op 15 augustus, Ferragosto, samen met Kerstmis wellicht de belangrijkste feestdag in Italië. In Putignano, de streek van de bekende trulli, de typische witte huisjes, loop ik rond in de Via Carlo Rosselli. Het is middag, de straat is verlaten, Italianen zitten aan tafel of zijn naar de kust getrokken. Een man van rond de 55 komt naar me toe. Op mijn vraag antwoordt hij in een helder Italiaans: ‘Hij is ongetwijfeld bekend, maar ik kan u niet zeggen wie hij was, wellicht een schrijver of een componist’. Maar hij is wel vertrouwd met de moderne technologie: ‘U hebt toch een iPhone in de hand, zoekt u het eens op’. Ik blijf trouw aan mijn gespeeld naïeve houding: ‘Natuurlijk, dat ik daar niet aan dacht’… Een paar minuten later kruis ik een jong koppel, rond de dertig. Ook zij blijven het antwoord schuldig, maar gaan ervan uit dat Carlo Rosselli een lokale beroemdheid was.
Dezelfde dag rijd ik naar Gioia del Colle, een twintig kilometer naar het westen. Op het plein waar de Via Fratelli Rosselli op uitgeeft staan zes gepensioneerden, tussen de 70 en de 80. Ze schuilen tegen een gevel, want het is beginnen regenen. Scusate signori, ik onderbreek hen en speel mijn rol van onnozele toerist. Ontreddering. Ze kijken elkaar aan, zoals leerlingen doen wanneer de leraar een moeilijke vraag stelt. Een van hen wijst naar een kompaan: ‘Hij zal dat weten, hij is technicus’ Maar de man kijkt verveeld rond, als een adolescent die betrapt wordt op een onvergeeflijke lacune in zijn kennis. Een andere, die ervan uitgaat dat alle Belgen Frans spreken, wil zijn kennis van de taal tonen en zegt, paradoxaal: ‘j’ignore le français’. Een van de oudjes vertelt dat hij ooit in het zuiden van België was, bij de grens met Luxemburg. Ondertussen is me duidelijk dat de oudere generatie niet noodzakelijk vertrouwd is met de Rosselli’s.
Hoeveel broers?
’s Anderendaags rijd ik naar Cavallino, een voorstadje van Lecce. De Via Fratelli Rosselli ligt in een wat deprimerende buitenwijk. Er hangt maar één bord met de straatnaam, maar daaronder zie je nog vaag de naam geschilderd – waarschijnlijk uit de tijd toen er nog geen borden hingen. Ik spreek een man van een 65 jaar aan die in de Via Caprarica woont, vlak tegenover de Fratelli. Of hij ze kent. Ja, net daar achter u, antwoordt hij vriendelijk. Nee, niet de straat, kent u de broers? Verbazing. Nee, het spijt me, geen idee, ik kan u echt niet helpen, ik weet ook niet hoeveel broers er waren… Maar als u naar het centrum rijdt kunt u het in het politiekantoor vragen.
17 augustus. Ik rij in de richting van de kust en stop in Conversano. In de eerste drie dorpjes die ik bezocht lagen de straten vernoemd naar de broers of naar Carlo in een buitenwijk. Eindelijk vind ik een levendige Via Fratelli Rosselli in het volle centrum. Maar ik merk iets eigenaardigs: aan de ene kant zie ik een oud straatbord ‘Via C. Rosselli’; aan de overkant hangt een nieuw bord ‘Via Fratelli Rosselli’ met daaronder een minimale duiding: ‘(1937) Politici’. Overigens is dit de enige plek tijdens mijn onderzoek waar men een poging doet om de broers te situeren. Dat het bord er nieuw uitziet wijst erop dat er hier niet zo lang geleden wijzigingen waren in het beleid rond straatnamen. Ik spreek een man van een 60 jaar aan en vraag hem of het nu Via Carlo of Via Fratelli Rosselli is. Hij hoort het in Keulen donderen, blijkbaar was het verschil hem nooit opgevallen. En wie die broers dan waren kan hij niet zeggen. Ik probeer bij een dame van rond de veertig. Ook zij kan me niet helpen. De straat geeft uit op een plein waar ik in de bar Italia een koffie ga drinken. De jonge, wat schuchtere, ober heeft geen idee, maar wanneer hij hoort dat ik Belg ben, begint hij over voetbal. Daar weet ik dan weer niets over.
‘Twee geëxecuteerde antifascisten’
Ik rij verder naar de kust, naar de op deze hete augustusdag veel te drukke badplaats Polignano a mare, bekend om zijn pittoresk strandje dat tussen twee rotsmassa’s ligt. De Via Fratelli Rosselli ligt aan de rand van de stad. De straat is verlaten. Toch zie ik een jongeman van rond de 35 die uit zijn auto stapt. Hij brengt een pakje aan een vrouw – zijn moeder, denk ik – die uit het venster kijkt. Ik stel mijn vraag en zonder aarzelen antwoordt hij: ‘Sono due antifascisti giustiziati ‘, twee antifascisten die geëxecuteerd werden. Bingo. Ik spreek hem niet aan op het werkwoord ‘giustiziare’ dat eigenlijk ‘executeren’ betekent na een wettelijke veroordeling, wat zeker niet het geval was van de Rosselli’s: ‘assassinare’ zou het juiste werkwoord zijn. Maar ook in het Nederlands halen we ‘executeren’ en ‘vermoorden’ wel eens door elkaar. Ik ben al blij dat de veertiende persoon die ik aanspreek weet wie de broers Rosselli zijn.
De dag daarop, 18 augustus, ben ik in Mola di Bari, halfweg tussen Polignano a mare en Bari, de hoofdstad van de regio. De Via Fratelli Rosselli ligt iets buiten het centrum, maar wel naast het gemeentehuis. Drie personen kunnen me niet helpen: een vrouw van een 55 jaar, een oudere man die op een bank zit en de tabaccaio, de uitbater van een bar en tabakswinkel, die nors reageert: het kan hem duidelijk gestolen worden wie die broers zijn. In het midden van de straat houdt een man van een zestig jaar een (vermoedelijk clandestien) groentewinkeltje in zijn garage. Hij plaatst de Rosselli’s in de context van Garibaldi, van de Italiaanse eenheidsstrijd. Ten slotte kruis ik een jonge man met een schort zoals obers die dragen. Hij heeft een vage notie: waren zij geen patriotten tijdens de Tweede Wereldoorlog? Bovendien plaatst hij ze aan de linkerzijde: kwamen zij niet op voor de gewone mens?
De apotheker is van slag
Mijn hotel ligt niet ver van het stadje Fasano. Op 19 augustus rij ik naar de Via Fratelli Rosselli, een vrij centraal gelegen lange straat, maar die is verlaten rond 15 uur. Ik zie slechts één persoon, een man van rond de veertig die op zijn iPhone tokkelt voor zijn winkeltje. De man is zeer vriendelijk, maar kan me niet helpen. ’s Anderendaags ben ik in Carovigno, tussen Ostuni en Brindisi, eens te meer in de straat genoemd naar de broers. Ook hier een mistroostige straat in een wijk buiten het centrum. Een man van een dertig jaar loopt haastig met een boodschappentas in de hand. Toch houd ik hem tegen. Hij heeft geen idee wie de Rosselli’s zijn. Misschien hebben ze iets te maken met de oorlog? Een man van rond de zestig steekt de straat over. Hij is minder gehaast, maar blijft het antwoord schuldig en verwijst me door naar de apotheek, een beetje verder.
Ik volg zijn advies en ga in de rij staan in de Farmacia Colucci. Om me een air te geven neem ik een tandenborstel, die ik niet nodig heb, uit de rekken. Op het ogenblik dat ik betaal zeg ik tegen de apotheker, een man tussen de dertig en de veertig: ik heb nog een wat eigenaardige vraag, weet u wie die ‘fratelli Rosselli’ zijn? Hij kijkt me met wijd open ogen aan, enigszins van slag. Ik haal hem uit zijn farmaceutische routine. Ik woon niet in deze wijk, stamelt hij, ik ken de straatnamen hier niet. Ook de klant achter mij, een man van misschien 45, heeft geen idee en laat lachend verstaan dat het hem niet interesseert. Ik besluit met een kwinkslag: geen probleem, ik zal het aan professor Google vragen. Buona giornata.
Op 21 augustus rijd ik naar Matera, met zijn prachtige sassi, de huizen die in de bergen werden uitgehouwen, het decor niet alleen van Pasolini’s Christusfilm, maar ook van tientallen andere films, waaronder No Time To Die, de laatste James Bond. De Via Fratelli Rosselli is een bijzonder lange straat in het moderne deel van de stad. Een oude man van wellicht 85 jaar, weet het niet en geeft me de indruk het niet te willen weten. Een andere van rond de 50, niet beseffend dat de broers met minstens twee waren, oppert: waarschijnlijk een componist of een schrijver, maar eerder een schrijver… Een jonge vrouw met een klein kind twijfelt even en situeert de broers in het Risorgimento. Ten slotte spreek ik de tweede persoon aan die, tijdens mijn bescheiden speurtocht, op de hoogte is, een man van rond de 65 die zelfverzekerd toelicht dat het om ‘due antifascisti imprigionati’ gaat, twee antifascisten die werden opgesloten.
Op 22 augustus, de laatste dag van mijn verblijf in Puglia, trek ik ten slotte naar Casamassima, een dorpje waarvan het historisch centrum volledig in het blauw is geschilderd. Dat zou een dankbetuiging zijn aan de Heilige Maagd nadat het dorp in de zeventiende eeuw gevrijwaard bleef van de pest. Ook deze Via Fratelli Rosselli bevindt zich ver buiten het stadscentrum en straalt iets desolaats uit. Ik spreek een man van boven de 60 aan die in de straat woont. Hij kan me niet helpen en raadt me aan naar het café te gaan dat iets verder ligt. Dat doe ik en ik kom terecht in een bar waar oude mannen rondhangen. Televisieschermen zenden voetbal uit. Je kunt hier ook gokken. De kans is klein, denk ik bij mezelf, dat de broers hier bekend zijn. Het barmeisje van misschien 25 jaar heeft alvast geen idee. Een man van rond de 50 die aan zijn koffie nipt laat me stug begrijpen dat hij niet geïnteresseerd is. Terug op straat doe ik een laatste poging: ik spreek een vrouw van rond de 40 aan. Ze geeft me de indruk hoger opgeleid te zijn, maar ook zij blijft het antwoord schuldig.
Kanttekeningen
Ik bezocht tien stadjes of dorpen en sprak 31 mensen aan. Twee onder hen, de man van rond de zestig in Matera en die van rond de dertig in Polignano a Mare, wisten bondig en trefzeker dat het om twee antifascisten gaat die gevangengezet of ‘geëxecuteerd’ werden. Een derde, de jonge ober die ik kruiste in Mola di Bari, had een vage notie: hij plaatste ze in de context van de Tweede Wereldoorlog en wist dat ze tot de linkerzijde behoorden.
Enkele reserves dringen zich op bij deze kleine steekproef, die, ik herhaal, geen wetenschappelijke ambitie heeft. Om te beginnen sprak ik at random mensen aan die in een Via Fratelli Rosselli passeerden. Dat lijkt op het eerste gezicht een zekere representativiteit te garanderen, maar ik hield geen rekening met het ogenblik waarop ik mensen aansprak. Meestal gebeurde dat tijdens de werkuren, wat de oververtegenwoordiging van oudere personen verklaart. Bovendien ontmoette ik meer mannen dan vrouwen. Speelt hier een cultureel gegeven mee: zijn mannen in Zuid-Italië meer aanwezig in de openbare ruimte?
Ten tweede stelde ik mijn vraag in kleinere steden of dorpjes waar de bevolking wellicht minder ‘intellectueel’ is dan in bijvoorbeeld de universiteitssteden Firenze of Bologna. Bovendien bevond de Via Fratelli Rosselli zich meestal in een volkse buitenwijk. Ik heb niet gepeild naar het opleidingsniveau, maar intuïtief ga ik ervan uit dat de meeste van mijn informanten arbeiders, landbouwers, technici of kleine middenstanders waren.
Een derde opmerking betreft de tweedeling tussen noord en zuid die in Italië nog altijd een belangrijke rol speelt. De broers Rosselli zagen het levenslicht in Rome, maar hun politieke rol speelde zich af in het noorden, in Firenze, Milaan en Genova. Vanaf september 1943 – het ogenblik waarop het bevrijde Zuid-Italië de kant van de geallieerden kiest – wordt het noorden het toneel van de strijd tegen de fascisten van de Republiek van Salò en de Duitse bezettingstroepen. Sommige eenheden van het verzet werden overigens naar Carlo Rosselli genoemd. Zou het kunnen dat de herinnering aan het antifascisme sterker leeft in het noorden?
De klank van de straatnaam
Het resultaat van mijn pretentieloos onderzoek zet aan tot scepticisme wat betreft de impact van straatnamen. Zijn ze de geëigende manier om de herinnering aan historische figuren levendig te houden? Staat hun pedagogische efficiëntie vast? Twijfel daarover is gerechtvaardigd, zoals we allemaal intuïtief ervaren. Straatnamen behoren nu eenmaal tot die fenomenen in ons dagelijks leven die door gewoontevorming aan onze aandacht ontsnappen: het zijn evidenties waar we ons geen vragen bij stellen. Ik schreef het al in mijn inleiding, de eerste functie van een straatnaam is niet inhoudelijk: ze moet vooral eenduidig een plek aanwijzen. Overheden die denken via het stratenplan de historische herinnering te vormen en te onderhouden dwalen: straatnamen ondergaan een semantische devaluatie. Omdat ze deel uitmaken van ons dagelijks leven krijgen ze een aura van vanzelfsprekendheid. De klank van de straatnaam is belangrijker dan de referent.
Het is alvast niet via de toponymie dat de Rosselli’s in de herinnering overleven. Maar misschien hoeft dat ook niet. Belangrijk is dat hun naam aanwezig blijft in de openbare ruimte, dat hij vertrouwd klinkt in de oren van de Italianen, ook al weten ze niet, of niet precies, wie ze zijn. Straatnamen creëren een net van culturele en historische allusies die bijdragen tot de eigenheid van een natie – de ‘echokamer’ waar George Steiner het over had. Ze zorgen ervoor dat mensen zich thuis voelen. Frankrijk zou Frankrijk niet zijn zonder de vele rue Gambetta, place Jules Ferry, of avenue Maréchal Foch; en Italië zou Italië niet zijn zonder de talrijke Via Mazzini, Piazza Cavour of Corso Garibaldi.
En in het geval van de Rosselli’s sluit ik niet uit dat zij vrede zouden vinden met het feit dat hun namen vooral in volkse wijken voorkomen, waar mensen niet noodzakelijk een groot historisch besef hebben of de luxe hebben de geschiedenis van het antifascisme te bestuderen, maar moeizaam pogen elke dag de touwtjes aan elkaar te knopen. Precies het soort mensen voor wie ze zelf opkwamen.
Reageren? Mail naar: luc.rasson@uantwerpen.be
Luc Rasson (°1956) is emeritus hoogleraar Franse letterkunde aan de UA en non-fictie auteur. Recent verscheen zijn boek Voor alles komt de daad. De broers Rosselli tegen Mussolini, Uitgeverij Ertsberg, Antwerpen, 2025.
[1] Ondertussen weet ik dat Juul Grietens (1884-1936) een schrijver uit de Kempen was die omwille van zijn flamingantisme de ‘Kempische Rodenbach’ werd genoemd. Joseph Van Luppen (1834-1891) was kunstschilder en docent aan de Antwerpse Academie. https://schrijversgewijs.be/schrijvers/grietens-juul/ en https://nl.wikipedia.org/wiki/Joseph_Van_Luppen.
[2] The Idea of Europe, Tilburg, Nexus Institute, 2004, blz. 21. Ik dank Jasper Vervaeke die me aan deze passage herinnerde.
[3] Zie hierover mijn Donker toerisme. Reizen door het Europa van de 20ste eeuw, Ertsberg, Antwerpen, 2022, blz. 81-94.
[4] Reuben Rose-redwood e.a., ‘The Urban Streetscape as Political Cosmos’, in: Reuben Rose-Redwood e.a., The Political Life of Urban Streetscapes. Naming, Politics and Place, Routledge, London and New York, 2018, blz. 1.
[5] Zie Reuben Rose-Redwood e.a., o.c., blz. 10.
[6] Zie Daniel Milo, ‘Les noms de rue’, in: Pierre Nora (red.), Les lieux de mémoire, Gallimard, Paris, 1992, Vol. 2, blz. 1896-1900 en Joris Vandenbroucke, ‘Gentse straatnamen officieel vastgelegd’, in: Ghendtsche Tydinghen, 50ste jaargang, 2021, nr. 3
[7] Voor alles komt de daad. De broers Rosselli tegen Mussolini, Ertsberg, Antwerpen, 2025.
[8] Dat is ook de titel van het enige boek dat Carlo Rosselli in zijn korte leven schreef. Het verscheen in het Frans in 1930 en pas na de oorlog in het Italiaans. In 1994 verscheen een Engelse vertaling bij Princeton University Press.
[9] In het Toscaanse Guazzino en in Ruvo di Puglia, bij Bari.
[10] Op die plek buiten Rome vermoordden de Duitsers op 24 maart 1944 335 gijzelaars als vergelding voor de aanslag de dag ervoor in de Via Rasella, waar 33 SS-ers het leven verloren.