Voor Joris Gerits (1943-2016)
‘Il s’agit de savoir si un écrivain est responsable de ses écrits au point de mériter de les payer de sa vie.’
Vercors, Les nouveaux jours
Een man van woorden
Op 6 februari 2025 was het precies tachtig jaar geleden dat Robert Brasillach in het fort van Montrouge, net ten zuiden van Parijs, de kogel kreeg wegens landverraad. Als literatuurcriticus, vertaler van oud-Griekse teksten, romancier, dichter, toneelauteur, journalist, behoorde hij in de jaren dertig tot de meest briljante intellectuelen en kunstenaars van zijn generatie. Hij stond aan de extreemrechtse kant van het politieke spectrum: eerst was hij lid van de nationalistische en monarchistische Action Française van Charles Maurras, maar het Italiaanse fascisme en nazi-Duitsland oefenden een onweerstaanbare aantrekkingskracht op hem uit, vooral na zijn bezoek aan de Reichsparteitag in Neurenberg in 1937.
Het verbaast dan ook niet dat hij na de nederlaag van juni 1940 in de collaboratie terechtkwam. Als hoofdredacteur van het weekblad Je suis partout – de bestverkochte publicatie tijdens de bezetting in Frankrijk – steunde hij ten volle de Nieuwe Orde. Brasillach droeg nooit een uniform en nam nooit wapens op, er kleefde geen bloed aan zijn handen: hij was een man van woorden. Maar de geschiedenis leert ons ten overvloede dat woorden soms ook kogels zijn.
Op 25 juni 1940 viel Brasillach, als Frans officier, in handen van de Duitsers. Hij bracht tien maanden door in een krijgsgevangenkamp in Soest, waar hij opviel door zijn antisemitisme: in een brief aan zijn moeder ging hij er prat op een joodse lotgenoot die een lezing gaf het zwijgen te hebben opgelegd. ‘C’était très drôle’, schreef hij.[1] In maart 1941 kwam hij vrij en nam hij het hoofdredacteurschap op van Je suis partout. Als vertrouweling van de Duitse overheid in Parijs aarzelde hij niet om deel te nemen aan twee propagandareizen. In oktober 1941 behoorde hij tot de Europese schrijvers die deelnamen aan het derde ‘Dichtertreffen’ in Weimar, in het gezelschap van andere collaborerende auteurs als Pierre Drieu la Rochelle en Jacques Chardonne.[2] Uit Vlaanderen waren ook Felix Timmermans en Filip de Pillecyn van de partij. En in juli 1943 reisde hij naar het Oostfront, inclusief een bezoek aan Katyn, waar de Duitsers bewijzen voorlegden van de Sovjet-verantwoordelijkheid voor de moord op meer dan 20.000 Poolse officieren in april-mei 1940.
Met Duitsland in bed
In zijn weekblad schreef Brasillach teksten waarvan de brutaliteit vandaag ondraaglijk is. Hij riep op vooroorlogse politici ter dood te veroordelen: Léon Blum – de premier van het Front Populaire –, Edouard Daladier – de man van de akkoorden van München in 1938 – en George Mandel, die vóór de nederlaag Binnenlandminister was. Op 25 september 1942 schreef hij: ‘Il faut se séparer des juifs en bloc et ne pas laisser les petits.”[3] Bovendien aarzelde het weekblad niet om joden te verklikken, ook al staat het niet vast dat Brasillach zich daaraan zelf bezondigde. Maar als hoofdredacteur was hij moreel verantwoordelijk voor wat in Je suis partout verscheen.
In augustus 1943 diende hij zijn ontslag in bij het weekblad, net na zijn terugkeer van het Oostfront. Die reis moet iets in hem gebroken hebben. Aan zijn collega’s van Je suis partout vertelde hij dat hij onnoembare dingen had gezien in de ghetto’s van Lodz, Lwow en Warschau: ‘C’est le massacre ou l’extermination par la faim’.[4] Had de schrijver ingezien wat de Endlösung inhield? Hij voegde eraan toe: ‘Nous ne pouvons pas avoir l’air d’approuver ça’ ofwel ‘we mogen niet doen alsof we dat goedkeuren’. Een merkwaardige uitspraak, overigens: je zou eerder verwachten ‘we mogen dat niet goedkeuren’.[5] In ieder geval nam Brasillach vanaf dit ogenblik afstand van de harde lijn van het blad waarvan hij al twee jaar de hoofdverantwoordelijke was.
Een tweede reden waarom Brasillach zich terugtrok was de afzetting en arrestatie van Mussolini op 25 juli 1943. Dat betekende het einde van twintig jaar fascisme in Italië. Waarschijnlijk had de Franse schrijver begrepen dat de oorlog verloren was. Hij wilde van Je suis partout een publicatie maken die zich op literatuur zou toeleggen, meer dan op politiek. Maar dat botste op verzet van redactieleden die meer dan ooit de Duitse kaart wilden spelen. Brasillach zocht de luwte op, maar bleef, merkwaardig genoeg, provocerende teksten publiceren die later tegen hem zouden worden gebruikt. Op 19 februari 1944 bijvoorbeeld stelde hij in het tijdschrift Révolution nationale de collaboratie in seksuele termen voor: ‘Les Français de quelque réflexion, durant ces années, auront plus ou moins couché avec l’Allemagne, non sans querelles, et le souvenir leur en restera doux’.[6] Die zin zal een belangrijke rol spelen tijdens zijn proces, waarover straks meer.
Collaboratie en homoseksualiteit
Na de Bevrijding duikt hij onder, maar verzetslui arresteren zijn moeder, opdat hij zich zou aangeven, wat hij meteen doet. Het assisenproces vindt plaats op 19 januari 1945. De rechtszaal zit barstensvol. Ook Maurice Merleau-Ponty en Simone de Beauvoir volgen de debatten. Zijn advocaat, Jacques Isorni, die enkele maanden later raadsman zal zijn van maarschalk Pétain, poogt vruchteloos het proces uit te stellen, omdat hij – niet onterecht – vindt dat eerst de hoofdverantwoordelijken van het Vichy-regime moeten worden berecht: Pétain en zijn eerste minister Laval.
Het duel tussen procureur Marcel Reboul en meester Isorni is uitermate boeiend en niet ontdaan van ironie wanneer men beseft dat de twee in hetzelfde gebouw wonen op de Parijse linkeroever en bevriend zijn. Als men naar de essentie gaat, kunnen de stellingen als volgt worden samengevat: voor de procureur is het onweerlegbaar dat Brasillach vanuit zijn bureau in het redactielokaal van Je Suis Partout mensen de dood heeft ingestuurd: zijn artikelen in Je suis partout hebben gevolgen gehad. De raadsman daarentegen meent dat Brasillach op de beklaagdenbank zit voor een zuiver meningsdelict en dat niet hard kan worden gemaakt dat mensen zijn opgepakt als gevolg van de geschriften van Brasillach.
Interessant genoeg speelt de kwestie van het antisemitisme amper een rol in de debatten. Dat is verbazend vanuit ons perspectief, omdat de genocide op de joden in de loop van de decennia – en vooral vanaf het Eichmann-proces in 1961 – een centrale plaats is gaan innemen in onze opvatting over de Tweede Wereldoorlog. Maar in februari 1945 had die bewustwording nog niet plaatsgevonden: de bevrijding van Auschwitz vond plaats acht dagen na het proces en de oorlog zou pas drie maanden later ten einde komen.
Waar de heren wel over redetwisten is de zin waarin de beschuldigde verklaart met Duitsland naar bed te zijn gegaan. Reboul ziet een homoseksuele ondertoon in de zin: de zachte Franse intellectueel zou voor brutale Germaanse mannelijkheid gevallen zijn. Zo speelt de procureur in op in die tijd nog zeer aanwezige homofobe gevoelens en op hardnekkige geruchten over de homoseksualiteit van Brasillach[7]; Isorni daarentegen probeert de kwestie te ontmijnen door erop te wijzen dat de uitdrukking een literaire allusie is: in 1872 – net na de nederlaag tegen Pruisen – had schrijver, filosoof en historicus Ernest Renan geschreven dat Duitsland zijn ‘maîtresse’ was geweest. Brasillach zelf had zijn advocaat op de bron gewezen.
Welk effect heeft het briljante steekspel tussen beide heren op de vier juryleden – een drukker, twee elektriciens en een ingenieur? Zijn zij gevoelig voor subtiele literaire zinspelingen? Dat zullen we nooit weten, maar het staat vast dat ze positief antwoorden op de vraag of de beschuldigde het land heeft verraden met de intentie een vijandelijke mogendheid te steunen. De stemming is niet unaniem: in haar nauwgezette reconstructie van het proces vertelt Alice Kaplan[8] dat een van de juryleden, ingenieur André Van der Beken, ontzet is over de manier waarop Brasillach werd gearresteerd, namelijk door zijn moeder als lokaas te gebruiken. Heeft die inderdaad aanvechtbare aanpak een rol gespeeld in zijn beslissing op het ogenblik van de stemming?
Hoe dan ook, om 19.00 uur, na een proces dat precies zes uur duurde, valt het doek. Op basis van artikel 75 van het strafwetboek wordt Robert Brasillach ter dood veroordeeld en zijn bezittingen worden verbeurdverklaard. De veroordeelde hoort het vonnis onbewogen aan. Er is boegeroep vanuit de zaal, iemand roept ‘Assassins!’ en ‘C’est une honte!’. Brasillach antwoordt kalm: ‘C’est un honneur!’. Een kleine drie weken later, op 6 februari 1945, net voor de twaalf mannen van het executiepeloton de fatale schoten afvuren, roept hij ‘Vive la France, quand-même’. Men kan niet ontkennen dat de man een zekere panache had, waar zelfs een politieke tegenstrever als Simone de Beauvoir gevoelig voor was[9]: spiegelde hij zich aan de onvervaarde personages van de zeventiende-eeuwse dramaturg Corneille, over wie hij in 1938 een essay had gepubliceerd waarin hij, zonder het anachronisme te schuwen, de klassieke dramaturg, als ‘poète de l’action’, inlijfde in het fascisme? [10]
Talent en verantwoordelijkheid
De veroordeling van de schrijver en journalist zendt een schokgolf door het intellectuele milieu. Dramaturg Jean Anouilh lanceert een petitie om het gratieverzoek van Brasillach bij De Gaulle kracht bij te zetten. De bekende katholieke romancier François Mauriac, die sinds 1941 in het verzet actief was, tekent meteen, ondanks het feit dat Brasillach als literair criticus zijn romans in het verleden vaak had neergesabeld. Maar Mauriac vindt dat men in de gegeven omstandigheden blijk moet geven van lankmoedigheid. Daar is Albert Camus het niet mee eens: rechtvaardigheid primeert voor hem op mildheid. Toch gaat de auteur van L’étranger overstag, niet uit sympathie voor de schrijver, ‘die ik uit de grond van mijn hart misprijs’, en zeker niet voor de polemist die volgens hem verantwoordelijk was voor de dood van enkele van zijn vrienden, maar ‘omdat ik altijd een grondige afschuw heb gehad voor de doodstraf’.[11]
De argumentatie van de petitie is kort en bondig: ze herinnert er enkel aan dat de vader van de veroordeelde, luitenant Brasillach, op 13 november 1914 was gesneuveld voor Frankrijk. Jean-Paul Sartre, Simone de Beauvoir en André Gide weigeren hun handtekening. Maar 59 schrijvers, en niet de minste, ondertekenen het gratieverzoek, onder wie Roland Dorgelès – de auteur van Les croix de bois (1919), een klassieke getuigenis over de Grote Oorlog –, Jean Cocteau – wiens houding tijdens de bezetting niet volledig eenduidig was geweest –, Colette, Georges Duhamel, Paul Valéry en uiteraard François Mauriac en Albert Camus.
Het mag niet baten, ook niet na een dertien minuten durende persoonlijke tussenkomst van raadsman Isorni bij De Gaulle, die hij als een ‘sfinx’ beschrijft, als een man die ‘vol is van zichzelf en ondoorgrondelijk wil zijn’.[12] De latere Franse president zal nooit zijn beslissing motiveren, behalve, zeer kort, in zijn memoires en zonder Brasillach te noemen. Hij stelt dat hij in principe gratie toekende aan schrijvers, behalve als ze ‘passioneel’ de vijand hadden gediend. In één enkel geval, gaat hij verder, ‘vond ik niet dat ik het recht had inschikkelijk te zijn, want in de letteren, zoals overal, is talent een verplichting tot verantwoordelijkheid’.[13] Hij had het over Robert Brasillach.
Esthetisering van de politiek
Als politiek journalist hanteerde Brasillach de pen als wapen. Maar hij was ook de auteur van een literair oeuvre dat een zeker succes kende, hoewel het de tand des tijds moeilijk heeft doorstaan. Hij publiceerde dromerige, magisch-realistische romans, die enigszins doen denken aan Alain-Fournier’s Le grand Meaulnes uit 1913, en waar politiek geen thema is, behalve in Les sept couleurs (1939) waar de hoofdpersoon, in de voetsporen van de auteur, in vervoering deelneemt aan een Reichsparteitag in Nürnberg. Die gespletenheid van Brasillach – de sentimentele romancier tegenover de nazi-sympathisant – bracht me ertoe in mijn jonge jaren een doctoraatsproefschrift aan hem te wijden. Misschien was dat een uiting van jeugdige overmoed: kende ik wel voldoende de context van oorlog, bezetting en collaboratie in het Parijs waar de Duitsers het hoge woord voerden?
Overigens moedigden collega’s mijn onderzoek niet aan. Een Duitse hoogleraar, die een artikel had gepubliceerd over Brasillach en beweerde ‘bezoedeld’ te zijn door zijn teksten, raadde me af mijn energie te steken in het oeuvre van de collaborateur. Franse collega’s lieten me verstaan dat de keuze van Brasillach werkelijk niet paste in een slimme carrièreplanning, ook al drukte ik hen op het hart dat mijn benadering kritisch zou zijn: in de inleiding van mijn proefschrift heb ik het over een ‘critique d’opposition’. Dat een studie over Brasillach geen goed entreeticket is aan een Franse universiteit klopt ongetwijfeld, ook vandaag nog trouwens. Maar als Belg die een thesis aan een Amerikaanse universiteit voorlegde stond ik buiten schot en mijn doctoraat is alvast geen belemmering geweest voor de uitbouw van een carrière aan een Belgische universiteit.
In het proefschrift dat na een lange aarzeling van de uitgever – die zeker wilde zijn dat ik geen politiek sympathisant van de auteur was – toch in Frankrijk werd uitgegeven[14] stelde ik me de vraag hoe een ogenschijnlijk goedaardig intellectueel als Brasillach zich kon ontpoppen tot de propagandist van een misdadig regime. Ik meende het antwoord te vinden in het onvermogen om de realiteit onder ogen te zien en de behoefte ze te overstijgen in een synthese van droom en daad, van esthetiek en politiek – de thesis van Walter Benjamin uit 1935 indachtig over het fascisme als ‘esthetisering van de politiek’[15]: wanneer Brasillach op de Reichsparteitag van 1937 gefascineerd naar de performance van Hitler kijkt, ziet hij in hem de hogepriester van een seculiere godsdienst die verlossing zal brengen en vorm geven aan een nieuwe mens die zich kan ontplooien in een esthetisch verantwoorde gemeenschap.
Meervoudigheid of coherentie?
Fugit irreparabile tempus. In de loop van 1984 vroeg de altijd innemende Joris Gerits, redactielid van Streven en onvermoeibaar ambassadeur voor het tijdschrift, me of ik af en toe over Franse letterkunde wilde publiceren. Ik legde toen de laatste hand aan mijn thesis over het fascisme in de romans van Brasillach en ging graag in op die kans om mijn interpretatie aan een Nederlandstalig publiek kenbaar te maken. In april 1985, net na de veertigste verjaardag van de executie van de auteur, verscheen mijn allereerste bijdrage in Streven, met als titel ‘Robert Brasillach: literatuur en fascisme’ en de wat ongelukkige ondertitel ‘Hitler, de laatste der magiërs’.
Het is altijd ontluisterend eigen teksten te herlezen na vele decennia. Ik herken me en toch heb ik de indruk dat iemand anders de pen vasthoudt. Het is allemaal wat schematisch. Terwijl ik mijn jongere ik lees besef ik hoezeer ik getekend was door een stug structuralisme waarin weinig ruimte was voor twijfel. De vooronderstelling, die ik probleemloos aanvaardde, van de samenhang van de persoonlijkheid, lijkt me vandaag enigszins dogmatisch. Ben ik milder geworden of begrijp ik ondertussen beter dat het niet ongewoon is dat mensen meervoudig, versplinterd, ja, in tegenspraak met zichzelf kunnen zijn?
Ik zocht coherentie en bijgevolg vond ik ze: Brasillach was een fascist, dus kwam het erop aan de romans zodanig te kneden dat ik ze het etiket ‘fascisme’ kon toekennen. Overigens stel ik ontgoocheld mijn toenmalige ongevoeligheid vast voor historische nuance: ik gebruikte systematisch het begrip ‘fascisme’, ook wanneer ik nationaalsocialisme bedoelde, en dat is niet hetzelfde. Toch wil ik mijn vroegere ik niet verloochenen: ja, het irrationele, dat centraal staat in de romans van Brasillach en zijn orgelpunt vindt in de beschrijving van de Reichsparteitag van 1937, speelde een grote rol in de verlokking die uitging van wat Susan Sontag fascinating fascism[16] noemde; ja, er was wel degelijk een romantische stroming in het denken van Brasillach die hem ertoe bracht de alledaagse werkelijkheid te willen esthetiseren en te streven naar een perspectief van verlossing en verbinding dat voor hem een concrete politieke gestalte kreeg in het nationaalsocialisme.
Een kwestie van datum?
Simone de Beauvoir weigerde de petitie van de schrijvers voor Robert Brasillach te ondertekenen, want, zo schreef ze, ‘il y a des mots aussi meurtriers qu’une chambre à gaz’.[17] De Jodenuitroeiing heeft ons bewuster gemaakt van de impact die taal kan hebben, want we weten dat genocides beginnen met artikelen, met boeken, met toespraken, met woorden van ontmenselijking. Haatdiscours van journalisten, politici, schrijvers of kunstenaars vervliegt niet zomaar in de wind. In onze democratische rechtsstaat hebben we daar conclusies uit getrokken en de wetgever heeft wetten uitgevaardigd om taal te bestraffen die tot geweld oproept.
In zijn pleidooi wierp Jacques Isorni echter op dat je niet met zekerheid kunt vaststellen dat de woorden van Brasillach tot iemands dood hebben geleid. Maar context is alles: de journalist, als opiniemaker, deinsde er niet voor terug te schrijven dat hij voorstander was van uitsluiting van een groep mensen, op het precieze ogenblik dat die groep slachtoffer was van een onnoemelijke discriminatie door een totalitaire staat. Woorden doen ertoe, ook al riep criticus Jean Paulhan, die zelf actief was geweest in het verzet, een ‘recht op vergissing’[18] in. Maar in oktober 1945 verwijst Jean-Paul Sartre spottend naar die schrijvers die hun pen hadden verhuurd aan de Duitsers en verbaasd waren dat ze daarvoor ter verantwoording werden geroepen[19]: Sartres theorie van de literatuur als daad en het engagement van de schrijver vindt zijn oorsprong in de processen van de bevrijding tegen schrijvers en journalisten.
Toch wringt er iets. Rechtspraak is des mensen en dus onvolmaakt. Het proces van Robert Brasillach roept een aantal vragen op. Hoe kon het bijvoorbeeld, zoals Jacques Isorni had opgeworpen, dat de journalist werd beoordeeld door magistraten die een eed van trouw aan maarschalk Pétain hadden gezworen? Kon men journalisten vonnissen vóór de leiders van het regime berecht waren? Stond de samenstelling van de jury – vier mannen die een verband hadden met het verzet, onder wie één communist – garant voor een billijk vonnis? Moest een intellectueel harder gestraft worden dan economische collaborateurs of wapenhandelaars, die zelden werden vervolgd?[20] Overigens werden uitgevers, die de publicatie van gewraakte auteurs materieel hadden mogelijk gemaakt, over het algemeen met rust gelaten. Had het proces zes maanden later plaatsgevonden, zou er een doodvonnis uitgesproken zijn? Waarschijnlijk niet: schrijvers en journalisten als Céline, Lucien Rebatet of Pierre-Antoine Cousteau, collaborateurs die op tijd Frankrijk hadden verlaten, kregen mildere straffen of hun doodstraf werd omgezet in levenslang. Bovendien kwam al in januari 1951 een amnestiewet in voege voor misdrijven gepleegd tijdens de bezetting. Verraad, zoals diplomaat Talleyrand ooit zou hebben geschreven, is een kwestie van datum[21].
Lid van het executiepeloton?
Omdat die vragen pertinent zijn heeft Robert Brasillach in extreemrechtse middens het statuut van slachtoffer gekregen, meer nog, de onomkeerbaarheid van de doodstraf heeft van hem een martelaar gemaakt. Had Charles de Gaulle gelijk het gratieverzoek naast zich neer te leggen? Op 6 februari 1975, op het ogenblik van de dertigste verjaardag van de executie, schreef Pascal Ory, een jonge Franse historicus die een mooie carrière zou uitbouwen als specialist van oorlog, bezetting en collaboratie, een bijdrage in Le Monde onder de provocerende titel ‘Apologie pour un meurtre’.[22]
In zijn laatste zin verklaarde hij zonder verpinken dat hij zou hebben aanvaard deel uit te maken van het executiepeloton, juist omdat hij de verantwoordelijkheid van de intellectueel ernstig neemt. Zoveel bereidwilligheid is wellicht het symptoom van de neiging die intellectuelen soms hebben om extreme standpunten in te nemen en die Robert Brasillach zelf kenmerkte: we zijn ondertussen, hoop ik, voldoende overtuigd van de barbaarsheid van de doodstraf om zo’n neiging te onderdrukken. Dat neemt niets weg aan de noodzaak om het gedrukte woord ernstig te nemen – zonder de vrijheid van meningsuiting in gevaar te brengen – in de hoop dat intellectuelen voldoende beseffen dat hun woorden gevolgen kunnen hebben, zeker in extreme omstandigheden als die waarin de generatie van Robert Brasillach werd geworpen, maar die altijd kunnen terugkomen.
Reageren? Mail naar: luc.rasson@uantwerpen.be
Luc Rasson (°1956) is emeritus hoogleraar Franse letterkunde aan de UA en non-fictie auteur. In het najaar van 2022 verscheen zijn boek Donker toerisme. Reizen door het Europa van de 20ste eeuw.
[1] Geciteerd door Alice Kaplan, Intelligence avec l’ennemi. Le procès Brasillach, Gallimard, Parijs, 2001. Folio nr. 3908, blz. 80. Vertaald door Bruno Poncharal.
[2] Over het derde « Weimarer Dichtertreffen » vanuit een Frans perspectief, zie François Dufay, Le voyage d’automne. Octobre 1941, des écrivains français en Allemagne, Perrin, Parijs, 2008 (2000).
[3] ‘We moeten volledig afstand nemen van de joden en de kleintjes niet achterlaten’.
[4] ‘Het is een moordpartij of uitroeiing door uithongering’.
[5] De woorden van Brasillach worden geciteerd door zijn collega Lucien Rebatet in een autobiografische tekst uit 1947. Zie Bénédicte Vergez-Chaignon (red.), Le dossier Rebatet. Les décombres – L’inédit de Clairvaux, Robert Laffont, Coll. Bouquins, Parijs, 2015, blz. 855.
[6] ‘De Fransen die gedurende deze jaren een beetje hebben nagedacht, zullen met Duitsland naar bed gegaan zijn, niet zonder conflicten, en ze zullen er een innige herinnering aan overhouden’.
[7] Ook aan de linkerzijde zagen sommigen een verband tussen fascisme, collaboratie en homoseksualiteit. Schrijver en verzetsman Jean Guéhenno, die weigerde te publiceren tijdens de bezetting, stelde op 18 juni 1941 de volgende vraag in zijn dagboek: ‘Problème sociologique: pourquoi tant de pédérastes parmi les collaborateurs?’. Journal des années noires (1940-1944), Gallimard, Parijs, 2014 (1947), Folio nr. 5722, blz. 172.
[8] Zie Intelligence avec l’ennemi, o.c., blz. 310-311.
[9] Zie haar bladzijden over het proces in het autobiografische La force des choses I, Gallimard, 1963, Parijs, Folio n°764, blz. 36-39. Maar ze voegt eraan toe dat Brasillachs ‘moed’ ook typisch is voor ‘fascisten die meer belang hechten aan de manier waarop ze sterven dan aan hun daden’ (blz. 37, mijn vertaling).
[10] Corneille, in : Robert Brasillach, Œuvres Complètes, Au club de l’honnête homme, Parijs, 1963-1966, deel VII, blz. 519.
[11] Mijn vertaling. Hij schrijft dit in een brief aan Marcel Aymé. Geciteerd in Jean-François Sirinelli, Intellectuels et passions françaises, blz. 247. In 1957 zal Camus een scherp pleidooi tegen de doodstraf publiceren, Réflexions sur la guillotine.
[12] Geciteerd door Alice Kaplan, Intelligence avec l’ennemi, o.c., blz. 346. Mijn vertaling.
[13] ‘Car, dans les lettres, comme en tout, le talent est un titre de responsabilité’. Charles de Gaulle, Mémoires de guerre, Gallimard, La Pléiade, Parijs, 2000 (1954), blz. 701. Mijn vertaling.
[14] De herwerkte versie van de thesis verdedigd aan Princeton University verscheen bij de Parijse uitgever Minard onder de titel Littérature et fascisme. Les romans de Robert Brasillach.
[15] Zie Het kunstwerk in het tijdperk van zijn technische reproduceerbaarheid, Boom, Meppel, 2017.
[16] Het essay met dezelfde titel uit 1975 is opgenomen in Under the Sign of Saturn, Penguin Classics, Londen, 2009, blz. 71-105. Sontag stelt de ‘utopische esthetiek’ van het fascisme tegenover de ‘utopische moraal’ van het communisme.
[17] La force des choses, o.c., blz. 38.
[18] Paulhan laakte de excessen van de repressie in zijn Lettre aux directeurs de la Résistance, Minuit, Parijs, 1952.
[19] ‘Eh quoi ? disent-ils, ça engage donc, ce qu’on écrit ?’ ‘Présentation des Temps modernes’, in: Situations II, Gallimard, Parijs,1975 (1948), blz. 11.
[20] Slechts 5 tot 10% van de strafzaken die verband hielden met collaboratie betroffen economische collaboratie. Zie Bénédicte Vergez-Chaignon, Histoire de l’épuration, Tallandier, Parijs, 2024 (2010), blz. 312.
[21] ‘La trahison est une question de date’. In oktober 1944 opende de raadsman van een andere schrijver en collaborateur, Georges Suarez, zijn pleidooi met dit citaat. Suarez is de eerste journalist die werd ter dood veroordeeld en geëxecuteerd. Zie Alice Kaplan, Intelligence avec l’ennemi, o.c., blz. 167.
[22] https://www.lemonde.fr/archives/article/1975/02/06/apologie-pour-un-meurtre_2598069_1819218.html. (31oktober 2024).