De bekende historicus Pierre Goubert zou ooit, ergens rond 1975, tegen een doctorandus hebben gezegd dat je om een goed historicus te worden minstens vijftig jaar nodig hebt. Of de jonge Robert Muchembled (°1944) zich daar unisono mee aangemoedigd voelde weet ik niet; ik stel me wel voor dat zijn promotor hem vooral op het hart wilde drukken dat een doctoraat altijd een beginnerswerk bleef en dat zijn juryleden waar gepast een beginnersfout door de vingers zouden zien. Vijftig jaar later citeert Robert Muchembled die boutade in het voorwoord van zijn nieuwe boek. Hij had al diverse monografieën gepubliceerd over de heksenvervolgingen in vroegmodern Europa en bekroont die nu, intussen emeritus, met een synthese die nadrukkelijk nogal wat corrigerende puntjes op allerlei i’s zet.
De heksenvervolgingen waren decennialang een populair onderwerp waarover, naast Robert Muchembled, ook tenoren zoals de Italiaan Carlo Ginzburg en de Engelsman Keith Thomas bestsellers schreven. Zij waren onder andere een uitdagend thema omdat zij toonden hoe de chronologieën van de ‘nieuwe’ mentaliteitsgeschiedenis en de meer traditionele Geistesgeschichte niet overlapten: de vervolgingen dateerden niet uit de ‘duistere’ middeleeuwen, maar uit de renaissance, die dus niet alleen voor humanisme zorgde. Veel historici zochten in de heksenprocessen ook een zeldzame doorkijk op de dagelijkse leefwereld van lagere klassen, die in kronieken maar bijna evengoed in testamenten en dergelijke meestal buiten beeld blijven. De eindeloze verhoren van de inquisiteurs leken, als hun dossiers bewaard bleven, een buitenkans voor historici.
De jonge Muchembled las deze eerst ook in die optiek en hoopte er toen dus te vernemen wat vroegmoderne havenots en ongeletterde plattelanders zoal bezig hield. Omdat hij gaandeweg ontdekte dat volks- en eliteculturen al die tijd niet alleen sterk verschilden, maar ook op gespannen voet met elkaar stonden concludeerde hij, toen hij de dossiers as such ging bestuderen, al vlug dat de beruchte processen in essentie aanvallen van de tweede op de eerste waren geweest.
Zijn nieuwe boek neemt die stelling niet helemaal terug, maar nodigt uit haar sterk te relativeren. De spanningen tussen de twee culturen zijn tijdens de hele vroege moderniteit zowat overal aan te wijzen, maar alleen al daarom geen afdoende verklaring voor een epidemie aan gruwelijke vervolgingen die zich lang niet overal meldde. De processen lieten zo’n overvloedig en sensationeel archief na dat historici die er soms hun hele onderzoekersleven aan wijdden, al eens uit het oog verloren dat de horror begrensd bleef. Voltaire schreef al in de achttiende eeuw, toen een en ander nog maar pas op zijn eind liep, dat er in totaal honderdduizend heksen op de brandstapel zouden zijn beland; Robert Muchembled geeft al op zijn eerste bladzijde aan dat het bij zo’n veertigduizend doodvonnissen bleef. Het is nog belangrijker dat grote delen van Europa aan de ellende ontsnapten: er waren zo goed als geen heksenprocessen in Engeland, Italië of Spanje en driekwart van Frankrijk, grofweg ongeveer alles binnen de grenzen van het toenmalige koninkrijk, bleef evengoed gespaard.
Wie alle processen op een kaart zet ontdekt een vurig spoor – Muchembled spreek beeldend van un sillon, soms ook van une croix de feu – dat van de Alpen via de brede omgeving van de Rijn naar de Noordzee loopt en daar openwaaiert naar Schotland en, in de andere richting, naar enkele regio’s rond de Oostzee. Alles samen best een uitgebreid gebied, maar toch slechts een kwart van het oude continent, met toen niet meer dan een klein tiende van de Europese bevolking. De andere 90% maakten het drama eerder en sourdine mee.
Ook binnen de vuurstrook was de horror trouwens niet gelijkelijk verdeeld. De vervolgingen verliepen vaak in opstoten (bij Muchembled paniques-sorcières), die enkele jaren of twee decennia door raasden, maar dan weer voor enkele generaties en soms voor de betrokken plek zelfs definitief stilvielen. En er waren ook tussen de Alpen en de Noordzee allerlei gebieden die ongeveer de hele tijd gespaard bleven; we lezen bijvoorbeeld dat er in de Spaanse Nederlanden vreselijke piekmomenten waren in de graafschappen Vlaanderen en Henegouwen, maar dat het in het hertogdom Brabant, met de metropolen Brussel en Antwerpen, ongeveer de hele tijd rustig bleef.
Dorpsmagie
Heksenwaan en -vervolgingen bleven tot op zekere hoogte keer op keer afgrijselijke uitzonderingen. Ze bonden wel de strijd aan met een werkelijkheid die veel breder verspreid en allesbehalve een uitzondering was, maar die zo ook tot een onheuglijke orde van de dingen behoorde en eeuwenlang geen buitensporige reacties had losgeslagen.
Zoals bekend leefden de meeste Europeanen – zoals de rest van de wereld al die tijd trouwens evengoed – van het neolithicum tot de industriële revolutie vooral in kleine dorpsgemeenschappen, waar landbouw de eerste zorg en de hoofdbezigheid van bijna alle betrokkenen was. Het was een harde wereld, waar men op weinig dingen greep had. De dorpen, dikwijls weinig meer dan een paar honderd mensen, overleefden moeizaam van de ene oogst naar de volgende en beschikten voor ziektes hoogstens over rudimentaire huismiddeltjes. Betrokkenheid was er genoeg omdat iedereen iedereen kende, maar al te idyllisch moet men zich die sociétés de l’interconnaissance zeker niet voorstellen: het was gewoon bittere of minstens prozaïsche noodzaak dat iedereen zijn of haar vaste bijdrage leverde aan de sinds eeuwen vastliggende en evident onwrikbare gang van zaken en dat de hele gemeenschap voortdurend samenwerkte.
In die context zorgden allerlei vormen van populaire magie voor de nodige ruggensteuntjes. In elk dorp was er wel iemand die de toekomst kon voorspellen, toverdrankjes voor ziektes samenstelde of formules kende om vijanden een loer te draaien of een vloek juist weg te toveren. Het ging ook daar om onheuglijke riten, die in heel Europa – en opnieuw evengoed in de rest van de wereld – in allerlei varianten voorkwamen en die, al werkten ze uiteraard niet daadwerkelijk, de velen die er beroep op deden minstens het gevoel gaven dat ze niet compleet weerloos stonden tegenover al wat hen overkwam.
Robert Muchembled spreekt van magies de survie, tovermiddeltjes die hielpen te overleven in een wereld vol gevaren. Ze bleven geloofwaardig omdat men er maar al te graag in geloofde, en ze soms nog leken te werken ook. Niet alle recepten voor geneeskundige drankjes waren compleet schimmig, en als lichtere ziektes kort na de inname gewoon vanzelf genazen had de kruidenkenner weer eens een succes geboekt. Wie het veld van een gehate buurman liet vervloeken dacht later te zien dat zijn oogst inderdaad mager uitviel of concludeerde, als het tegendeel gebeurde, dat de buur onraad vermoed had en tijdig voor een tegenbezwering had gezorgd. Dat leek a priori plausibel: de betrokkenen zullen elkaar voor één van beiden een bezweerder inschakelde al een tijdlang over en weer scheef hebben bekeken en gewantrouwd.
Het geloof in de magie had in zo’n geval zelfs iets functioneels. In kleine gemeenschappen waar men voortdurend en zijn leven lang vlakbij elkaar leefde, waren er onvermijdelijk ook veel onderhuidse spanningen. De tovermiddeltjes zorgden op die manier minstens voor een al bij al onschadelijke uitlaatklep, die andere vormen van agressie voorkwam (of, als men dat zo wil formuleren, inderdaad bezwoer). Ze beletten ten minste dat ze gevaarlijk uit de hand liepen. Robert Muchembled vond uiteraard geen documenten die dit zo rechtstreeks formuleren. Het lijkt toch een aantrekkelijke gedachte dat de dorpsheksen en hun mannelijke soortgenoten ook zo lang geloof vonden omdat ze, in dorpen waar het leven te fragiel bleef om er veel hoog oplopende conflicten te kunnen bijnemen, zorgden voor une subtile méthode de régulation des antagonismes (blz. 79).
Wat overigens niet betekent dat men die welkome regulatie altijd in onverdeelde dank aanvaardde. De bewoners van traditionele maatschappijen waren sowieso geen lieverds: in hun altijd bedreigde overleven, konden ze zich die luxe ook niet permitteren. Wie over geheime krachten heette te beschikken was op de koop toe minstens even gevreesd als geliefd: wie genezende drankjes maakte kon ook gif mengen en wie een vloek wegnam kon vervloeken. Als de beloofde genezingen of successen uitbleven of als een onvertogen woord van de tovenaar op een snood plan leek te wijzen werd de sfeer dikwijls grimmig.
De gevolgen daarvan lieten soms sporen na. Het gebeurde bijvoorbeeld dat een groep jongeren een oudere heks, die iedereen sinds jaar en dag als zodanig kende c.q. consulteerde maar die nu in ongenade was gevallen, bij valavond op een afgelegen plek een stevig pak stokslagen gaf en haar daarna bewusteloos lieten leggen. Als het slachtoffer de volgende morgen bleek te zijn overleden, volgde er soms vanuit een naburige rechtbank een proces voor moord; het liep nogal eens uit op een sisser omdat het dorp met succes een lettre de rémission, een genadeverzoek aan de koning indiende. Wie de teksten nu doorleest raadt door de verhullende woorden heen zonder overmatige moeite wat er echt gebeurde en dat deden de magistraten die de verzoeken moesten behandelen naar alle waarschijnlijkheid ook. Ze adviseerden in de regel mild omdat de summiere manier waarop dorpsgemeenschappen zichzelf ‘recht’ verschaften voor hen een vertrouwde en al bij al onschuldige gang van zaken bleef: ze geloofden doorgaans zelf ook in allerlei vormen van magie en begrepen dat de dorpelingen er soms onrustig van werden.
De moeder van alle ketterijen
De bijzondere vermogens waarover toekomstvoorspellers, wondergenezers, vervloekers, vloekbrekers, … dachten te beschikken pasten niet in één of andere theorie. Ze hadden nauwelijks een theoretisch achterplan omdat ze daaraan gewoon geen behoefte voelden: hun clientèle vroeg om concrete ingrepen in even concrete situaties en was niet op zoek naar esoterie. De vroegmoderne magie is dus, anders dan sommige onderzoekers de voorbije decennia wat overhaast geloofden, geen late getuige van één of andere voorchristelijke religie die na de kerstening in grote delen van Europa heimelijk zou zijn blijven bestaan.
Ze had evenmin bijzondere banden met de duivel. Hij wordt evident af en toe vermeld in allerlei bezweringsformules, maar komt er niet vaker en zeker niet nadrukkelijker voor dan diverse populaire heiligen. Er is nooit sprake van een duivelspact of een verbond met de duivel en nog minder van een of andere sabbat waar Lucifer zijn getrouwen ’s nachts zou samenbrengen voor orgieën en godslasterlijke rituelen. De traditionele bedienaars van de rurale magie belegden in de regel geen bijeenkomsten, maar werkten in verspreide orde en zonder veel onderling contact. Ze vormden geen netwerk en al helemaal geen heterodoxe gemeenschap met een afwijkend credo.
Het idee van zo’n gemeenschap kwam pas opduiken in de vijftiende eeuw en was toen in de eerste plaats een bedenksel van een kleine groep gedreven theologen uit de kringen van de Inquisitie, die vaak geloofden dat het einde van de tijden nabij was. Het Westers Schisma leek op dat punt een onheilspellend apocalyptisch voorteken! Het bleef jammer genoeg niet bij angstige speculaties omdat het gangbare draaiboek voor de eindtijd ook een ultieme grootscheepse aanval van Satan op de Ware Kerk omvatte. De theologen dachten die te ontdekken bij de vele tovenaars en waarzeggers die zowat in alle dorpen te vinden waren en die dus, als men ze maar als één groep beschouwde, vlot konden doorgaan voor een alomtegenwoordig duivels regiment. Eenmaal zover drong het idee zich op dat Satan zijn getrouwen geregeld verzamelde voor een wapenschouw, waar hij ze enthousiast liet zondigen en de nodige ordewoorden kon laten rondgaan: het waren in zijn geval onvermijdelijk de gruwelijkste ketterijen en daarnaast diverse boosaardige influisteringen om het kwaad overal langs slinkse wegen te laten triomferen.
De sabbat speelde geen rol in de traditionele magie, maar werd er van buitenaf of eerder van bovenaf op geprojecteerd en zou drie eeuwen lang de hoofdmoot blijven van zowat alle heksenprocessen. Dat het daarbij vooral om heksen, dus om vrouwelijke slachtoffers ging, was ook eerder een novum: in de plattelandstradities kwamen bijzondere magische vermogens zonder veel herkenbare verdeelsleutels zowel voor bij mannen als bij vrouwen. De bronnen geven hoogstens de indruk dat de stemming net iets gemakkelijker omsloeg ten koste van de tweeden: in de in alle opzichten patriarchaal georganiseerde dorpen waren ze nu eenmaal de meest kwetsbare groep. De theologen mikten bijna exclusief op vrouwen; het was overigens niet het enige terrein waar de vroege moderniteit zich bepaald vrouwonvriendelijker toonde dan de hoge middeleeuwen.
Afgedwongen bekentenissen
De rurale magie en de vroegmoderne sabbatsfantasieën zijn twee aparte verhalen en stonden, als men me die Duitse tournure toelaat, fundamenteel op een ander blad. De vraag is dan hoe die fantasieën, die nauwelijks op feitenmateriaal berustten en zo goed als verzonnen waren door een kleine groep geobsedeerde theologen, zo’n breed gehoor vonden. De eerste historici die over de heksenprocessen schreven concludeerden doorgaans, al dan niet expliciet, dat hun succes bewees dat ze een breed gedeelde obsessie verwoordden, die iedereen in feite al deelde. Robert Muchembled stelt nu vast dat de processen, ondanks het overvloedige archief dat ze nalieten, hoe dan ook te punctueel bleven voor zo’n algemene verklaring.
Het tweede en langste deel van zijn boek wordt zo een geduldige kroniek, die eerst met het nodige cijferwerk een lijst van piekmomenten van de heksenprocessen opstelt om zich dan voor elk van die episodes af te vragen waarom de hel uitgerekend dan en daar losbarstte. Het werd, zoals in een goed historisch relaas gepast, een bijzonder genuanceerd verhaal, waarvan ik hier alleen een drietal hoofdlijnen overhoud.
Dat het tijdens de processen vlot tot bekentenissen kwam, is niet echt verwonderlijk. De theologen die de sabbat bedachten schreven niet alleen veelgelezen boeken zoals de Malleus maleficarum, de roemruchte ‘heksenhamer’ uit 1487, maar preekten ook in volle kerken.
Hun bedenksels over de sabbat werden zo ook bij de brede gemeente vertrouwde stof, waarbij de donderpreken voor hallucinaties konden zorgen of voor dromen waarvan scrupuleuze mensen zich bij het ontwaken afvroegen of ze een en ander toch niet echt hadden meegemaakt. Daarbij komt dat de rechtbanken in hun strijd tegen de duivel naar alle middelen grepen: de vragen waren tendentieus, de verdachten werden geïntimideerd en veel bekentenissen werden afgedwongen onder tortuur. Waarna sommige verdachten, uitgeput als ze waren door de lange verhoren en eenzame opsluiting, zelf gingen vrezen dat ze de misstappen die men hun aanpraatte misschien inderdaad hadden begaan …
Robert Muchembled is uiteraard niet de eerste die die perverse wisselwerking tussen de rechters en hun kwetsbare slachtoffers onderkent. Die self-fulfilling prophecy was eerder het centrale thema van zowat alle recente studies over de heksenprocessen en werd ook al in de zeventiende eeuw door lucide tijdgenoten doorgeprikt. De Duitse jezuïet Friedrich Spee von Langenfeld, die de horror in Trier van nabij meemaakte, toonde al in zijn Cautio Criminalis (1631) dat ‘marteling de macht heeft om heksen te creëren waar er geen bestaan’.
Robert Muchembled herhaalt dat nu op zijn beurt. Hij voegt er wel nadrukkelijker dan ik tot dusver ergens las aan toe dat een en ander ook betekent dat de bewaarde dossiers, anders dan veel historici van zijn generatie (en hijzelf vroeger soms ook) maar al te graag geloofden, weinig betrouwbaar uitsluitsel geven over de reële leef- en denkpatronen van de onfortuinlijke beklaagden. Ze documenteren vooral de massieve zekerheden van de procesvoerders – en die hoorden dus bij een andere wereld.
Onzekerheid als voedingsbodem
De hamvraag blijft waarom de procesvoerders hun getormenteerde wereldbeeld niet overal konden opdringen. Waarom kwam het maar op sommige plaatsen, en daar dan doorgans voor relatief korte periodes, tot flamboyante paniques-sorcières en was er elders nauwelijks sprake van?
Robert Muchembled constateert eerst dat de vuurstrook of het brandend kruis van de Alpen tot de Noordzee de belangrijkste confessionele grens van Vroegmodern Europa volgt. De eerste theologen die gingen doordraven over heksensabbatten waren getraumatiseerd door de twee en soms drie pausen van het Westers Schisma. Hun opvolgers kregen te maken met de deze keer onomkeerbare scheuring tussen katholieken en protestanten. In de brede omgeving van de Rijn, waar de belangrijkste heksendrama’s zich afspeelden, was die zo mogelijk nog kwellender dan elders omdat de strijd er het langst onbeslist bleef: gereformeerde en katholiek gebleven gebieden lagen er kriskras door elkaar en niets leek er definitief verworven.
In die situatie van algemene instabiliteit voelden de rivaliserende partijen, die elkaar in heel Europa bevochten, zich ook genoopt strak over de eigen rangen te waken. Al wat de cohesie of de zuiverheid in de leer van het eigen kamp kon bedreigen moest met harde hand worden weggewerkt. De suggestie dat Satan en zijn suppoosten altijd heimelijk aan de slag waren om die te ondermijnen klonk dan, in een omgeving waar alles altijd op losse schroeven stond, niet eens onwaarschijnlijk. De strijd tegen hun drijverijen was meteen een ideale manier om alle krachten binnen het eigen kamp maximaal op te spannen en te bundelen.
Het lijkt er soms zelfs op, al zal niemand ook dat ooit zo cynisch hebben berekend, dat een stortvloed aan heksenprocessen soms kon dienen om de krachten tijdens periodes van tijdelijke vrede gespannen en gebundeld te houden. Het Armageddon viel in elk geval nogal eens stil als er weer eens een nieuw gewapend conflict uitbrak. De imaginaire aartsvijand werd overbodig als de echte – en hier altijd nabije – vijand weer actief was.
Robert Muchembled ontdekt ook in Schotland en langs de Oostzeeregio’s, die voor enkele bijkomende piekmomenten op zijn lijst zorgden de nodige extra destabiliserende factoren, waar ik hier niet op inga. Zijn algemene conclusie lijkt daarmee duidelijk – en eerder overtuigend: de paniques-sorcières braken uit in contexten die sowieso extreem explosief waren.
Onmisbare steun van boven
Ze meldden zich ook daar niet overal en, waar ze voorkwamen, niet permanent. Robert Muchembled preciseert dus verder dat de proces-epidemieën alleen maar echt van de grond kwamen als ze minstens gedoog- of nog liever actieve overheidssteun kregen. Die was nodig omdat de processen soms verliepen voor bijzondere rechtbanken, waarvoor de landsheer zijn fiat moest geven. Ook gewone rechters namen trouwens in hun gedreven ijver al eens een loopje met de gebruikelijke rechtsgang. De tortuur werd vlugger, langer of intenser ingezet dan de reglementen voorzagen en de vonnissen waren dikwijls gebaseerd op minder getuigenverklaringen dan in gewone processen was vereist. In de strijd tegen de duivel heiligde het doel alle middelen! Het probleem bleef dat de veroordeelden of hun pleitbezorgers in beroep konden gaan en dat hogere instanties, die de panieksfeer van afstand meemaakten of op correcte procedures waren gesteld, de vonnissen dikwijls nietig verklaarden.
In sommige kleine deelstaatjes van het Heilige Roomse Rijk bestond er geen getrapte rechtspraak en kon men dus niet in beroep gaan. De lokale rechters waren meteen de hoogste instanties en konden hun vonnissen zonder verlet laten uitvoeren. In grotere gebieden lag dat anders en maakte de toevallige persoonlijkheid van de plaatselijke heerser soms een beslissend verschil. De prinsbisschoppen die elkaar op de zetels in Keulen, Trier of Bamberg opvolgden bekeken de heksensprocessen wantrouwig of moedigden ze juist aan. In het ene geval raakten de paniques-sorcières in de kiem gesmoord, in het andere vlamden er tientallen zoniet honderden brandstapels.
De bloedigste processen in de Zuidelijke (of Spaanse) Nederlanden vonden plaats onder het bewind van aartshertog Albrecht en vooral tijdens het Twaalfjarige bestand (1609-1621) dat de Tachtigjarige Oorlog even stillegde. Of het er ook daar onderhuids om ging de bevolking warm te houden voor een mogelijke reprise van de vijandelijkheden moet een open vraag blijven. De aartshertog was hoe dan ook een gedreven duiveljager, die zich niet ontzag zijn rechtbanken aan te raden zo streng mogelijk te vonnissen en ook graag bemiddelde als sommige te gedreven prelaten of abten in moeilijkheden kwamen met hun superieuren in Rome.
De conclusie is alweer duidelijk: paniques-sorcières werden alleen maar absolute horror als ze minstens vrij spel en idealiter stevige steun van boven kregen. Dat gebeurde gelukkig zelfs in de vuurstrook niet altijd en niet overal.
Conclusie
Het debuutwerk van Muchembled, Culture populaire et culture des élites, verlegde in 1976 al de nodige stenen. Zijn nieuwe boek bewijst alleszins dat hij nu, net vijftig jaar na die eersteling, zijn vorming als historicus kennelijk meer dan voltooide: het werd een prachtige panoramastudie die haar stof en de overvloedige vakliteratuur daarrond briljant beheerst en er, vermoed ik, een paar definitieve conclusies uit trekt. Grootste onderscheiding dus en, wat mij betreft, felicitaties van de jury!
Robert Muchembled, La Sorcière au Bûcher. Fanatisme religieux et antiféminisme, Les Belles Lettres, Parijs, 2025, ISBN 978-2-251- 456665-2, 407 blz., € 26,50
