Hamburg en de herinnering aan het bombardement van juli 1943

 

 

‘Was uns umgab (…) war das Fremde, es war das eigentlich Nicht-Mögliche‘[1]

Hans Erich Nossack, Der Untergang

 

Hamburg is een charmante waterstad, waar een reusachtig meer – de Alster – de stad in twee klieft en de havenwijken elegant in het stadsweefsel zijn opgenomen. Terwijl ik van het centrum in de richting van Altona loop, langs de prachtige promenade aan de Elbe, denk ik aan dat mooie citaat van de bij ons weinig bekende Franse auteur Valéry Larbaud, die ergens schrijft dat als je een gelukkig leven wil leiden, je veel wandelingen moet maken in grote havensteden. Zoals elders in Duitsland valt me de koele jaren zestig-achtige architectuur op. Dat heeft natuurlijk alles te maken met de intensieve bombardementen waarvan de steden tijdens de Tweede Wereldoorlog het doelwit waren. Want ik overdrijf niet als ik zeg dat meer dan tachtig jaar geleden deze stad met de grond gelijk werd gemaakt. Ik wil van mijn verblijf gebruik maken om als ‘donker toerist’[2] na te gaan hoe de Hanzestad vandaag omgaat met de herinnering aan de tien dagen durende bombardementen van juli-augustus 1943 die rond de 40.000 slachtoffers maakten.

Hamburg was als grootste Duitse havenstad vanaf het begin van de oorlog een belangrijk doelwit. Vóór de zomer van 1943 hadden al 137 bombardementen plaatsgevonden, maar met relatief weinig schade. De inwoners hadden leren leven met luchtalarm en haastten zich niet altijd naar de schuilkelders. Maar op 14 februari 1942 had het Britse Air Ministry de ‘area bombing directive’ bekrachtigd: vanaf nu zouden woonwijken het doelwit zijn, met de bedoeling de moraal van de bevolking te breken.[3] Na Essen, Lübeck, Rostock en Keulen, lag Hamburg in het vizier: op 24 juli 1943 begon ‘Operatie Gomorrha’. Om 21.45 uur die avond stegen 728 Britse bommenwerpers op in Oakington, bij Cambridge, en zetten koers naar de het noorden van Duitsland. Ze vormden een konvooi van 325 kilometer lang. In minder dan een uur tijd gooiden ze 2.284 ton bommen uit boven de stad. Per vierkante kilometer vielen 17.000 brandbommen. De verliezen aan geallieerde kant waren minimaal: slechts 12 bommenwerpers, of 1,6% van de vloot, werd uit de lucht geschoten. Dat was te danken aan het ‘Windows’-systeem: toen de vliegtuigen de kust naderden, losten ze miljoenen aluminium strips die de Duitse radars ontregelden en de luchtafweer blind maakte. De aanvallen gingen door, elke nacht tot 3 augustus.

In de nacht van 27 op 28 juli vlogen nog eens 729 vliegtuigen naar de al zwaar getroffen stad. De brandbommen veroorzaakten toen, onder meer door het uitzonderlijk warme zomerweer, de niet te blussen Feuersturm die door hele wijken raasde. De vuurstorm bedreigde het leven op drie manieren, door de extreme hitte – tot 800° Celsius; door een windsnelheid tot 270 km/uur die het onmogelijk maakte te lopen en in het ergste geval mensen in de vuurhaard zoog; en door het wegnemen van alle zuurstof.[4] Overdag kende de stad geen rust: de Amerikanen voerden nieuwe aanvallen uit, maar zij hadden een andere filosofie dan de Britten. Zij deden niet aan area-bombing waarbij hele wijken werden platgelegd, maar probeerden specifieke doelen te vernietigen, zoals de scheepswerf van Blohm & Voss, die onderzeeërs maakte. Bovendien beschikten ze over betere technologie en vlogen hun bommenwerpers hoger, waardoor ze minder kwetsbaar waren voor luchtafweer en overdag konden vliegen.[5]

De geallieerden gebruikten, in tegenstelling tot een hardnekkige legende, geen fosforbommen,[6] maar wel brisant- en brandbommen – de beste combinatie om de grootst mogelijke schade aan te brengen. Daar was over nagedacht. In de loop van 1941-1942 en met de ervaring van de Duitse bombardementen op onder meer Londen in het achterhoofd, hadden Britse wetenschappers verbonden aan het ministerie van oorlog bestudeerd hoe vuur op de meest efficiënte wijze grote stadsoppervlakken kan platleggen. Architecten en bouwingenieurs, onder wie ook Duitse ballingen zoals Walter Gropius, bestudeerden de Noord-Duitse woningbouw en concludeerden dat de gebruikte materialen garanderen dat ‘een Duits huis goed zal branden’.[7] De kwetsbaarheid van Hamburg voor bombardementen werd als ‘uitzonderlijk groot’ beschouwd en dat bracht Arthur Harris, de leider van Bomber Command, ertoe een grootschalige aanval op de stad uit te voeren.

Er zijn geen woorden om de situatie op de grond tijdens Operatie Gomorrha te beschrijven. Inwoners van de stad poogden te ontsnappen aan de meervoudige dreiging van het razende vuur, de bommen (waarvan sommige met vertraging ontploften), de verstikkende rook, de instortende huizen en de orkaan veroorzaakt door de vuurstorm. Mensen liepen vast in het smeltend asfalt en verkoolden tot de helft van hun normale lichaamsgrootte. Velen waren naakt omdat ze wanhopig poogden hun brandende kleren uit te trekken. Maar de meeste slachtoffers vielen in de schuilkelders: door de extreem hoge temperaturen werden ze als het ware gegrild, als ze niet stikten in de rook en het koolstofmonoxide. Dat zou het geval geweest zijn voor 70% van de slachtoffers die de officiële raad hadden gevolgd in hun schuilplaatsen te blijven tot het alarm voorbij was.[8] Het precieze aantal slachtoffers van die week is niet te achterhalen, maar tijdens mijn onderzoek vind ik schattingen tussen 34.000 en 45.000, of ongeveer 10% van de totale bevolking van de stad.

 

De Nikolaikerk

Ik slenter rond in de stad en ben op zoek naar een boekhandel, want ik wil meer weten over die Danteske nachten in juli 1943. Aan de Jungfernstieg, in volle centrum, heeft boekhandel Thalia een afdeling Geschiedenis die bestaat uit drie delen: twee voor de twintigste eeuw, één voor de rest van de wereldgeschiedenis. De twintigste eeuw is grotendeels beperkt tot het Interbellum en de Tweede Wereldoorlog. Ik zie meteen de klassieke en recente werken over die periode, die je ook in onze boekhandels vindt: biografieën van Hitler en Goebbels, studies over de SS, de slag bij Stalingrad en dokter Mengele, de vertaling van het getuigenis van Anne Frank. Ik zie de bestseller van Laurence Rees over Auschwitz, en Bloodlands van Timothy Snyder, enzovoort.

Ik vraag naar Der Untergang, het klassieke werk van Hans Erich Nossack, de Hamburgse auteur die getuige was van het Armaggedon, maar Thalia heeft het niet in voorraad. Ik probeer bij een andere boekhandel, Marissal, tegenover het imposante stadhuis, maar daar blijkt het getuigenis evenmin voorradig en ook in hun assortiment over de Tweede Wereldoorlog vind ik niets over die tragische week van eind juli 1943.Hoe kan het dat een stad met de grond wordt gelijkgemaakt en je tachtig jaar later geen enkele informatie daarover vindt in de belangrijkste boekhandels van die stad?

In 1999 stelde W.G. Sebald in een spraakmakend essay[9] dat literatuur en geschiedschrijving in Duitsland er niet in slaagden de horror van de luchtoorlog over te brengen. Maar ondertussen zijn we meer dan een kwarteeuw verder en, ook al is het bombardement van Hamburg van juli 1943 een lacune in de lokale boekhandels, toch kan ik niet zeggen dat de stad de catastrofe is vergeten. Wie door het centrum kuiert, botst bijvoorbeeld onvermijdelijk op de evangelische Nikolaikirche, een kerk waarvan enkel nog de zwartgeblakerde toren en enkele muren overeind staan. Ze was in 1943 het hoogste punt van de stad en diende als oriëntatiebaken voor de bommenwerpers. Na de oorlog besloten het stadsbestuur en de kerkelijke overheid de ruïne als Mahnmal, als waarschuwingsmonument, te laten staan. Maar het wil zich uitdrukkelijk niet beperken tot een exclusief eerbetoon aan de slachtoffers van de bombardementen: de officiële benaming van de herdenkingsplaats is ‘Mahnmal St. Nikolai. Für die Opfer von Krieg und Gewaltherrschaft’.[10]

Ik loop het gebouw binnen en lees een tekst die de vijftigste verjaardag van de catastrofe herdenkt. De burgers van de stad vergeten niet ‘welk onheil hun eigenwaan veroorzaakte’ en hebben zich na de oorlog ‘verplicht tot verzoening’. Daarnaast hangt een kruis dat uit drie spijkers bestaat, het Nagelkreuz, een gift van de kathedraal van Coventry, de Britse stad die in november 1940 doelwit was van de Luftwaffe. Dergelijke kruisen hangen in 250 kerkgebouwen over de hele wereld die werden vernietigd tijdens de oorlog. De ‘Community of the Cross of Nails’ heeft als doel ‘de wonden van de geschiedenis te helen’ en een cultuur van vrede en rechtvaardigheid te promoten. [11]

Meteen valt me op wat een Leitmotiv zal blijken van de manier waarop herinneringsplaatsen in Hamburg omgaan met de catastrofe van juli 1943: de vernietiging van de stad kan enkel worden herdacht via het onheil dat de Duitsers zelf aanrichtten in Groot-Brittannië, een paar jaar vroeger, tijdens de Blitzkrieg. Dit blijkt ook op het open terrein van de voormalige kerk, waar enkele kunstwerken staan opgesteld. Mijn aandacht wordt getrokken door een beeld dat een zittende figuur voorstelt, de handen in het haar. De titel is Prüfung ofwel Beproeving en stelt de manier voor waarop mensen omgaan met extreme omstandigheden. Een passend thema in de context van het bombardement van juli 1943. Maar daarover gaat het kunstwerk niet. Met deze sculptuur wilde kunstenares Edith Breckwoldt de Poolse, Franse, Belgische, Russische krijgsgevangenen herdenken van Stalag X B in Sandbostel, ten westen van Hamburg. De sokkel bestaat uit bakstenen waarmee de barakken van de gevangenen werden gebouwd.

In de voormalige crypte van de kerk is sinds 1998 een Dokumentationszentrum ondergebracht dat de geschiedenis van de kerk vertelt sinds haar oprichting in 1195. Maar de nadruk ligt op het verhaal van de vernietiging door de Royal Air Force in 1943. Zoals vaak in Duitsland is de tentoonstelling degelijk opgezet en georganiseerd. Via foto’s, documenten en objecten schetst een eerste ruimte de brede context van de luchtoorlog. Ik zie bijvoorbeeld hoe in het begin van de oorlog de bevolking werd voorbereid op verblijven in de bunkers: er werden zelfs opendeurdagen georganiseerd. Kinderen werden spelenderwijs vertrouwd gemaakt met mogelijke bombardementen: in een gezelschapsspel Luftschutz tut Not! volgden ze het verloop van een luchtalarm, vanaf het ogenblik dat de sirenes weerklinken, via het verblijf in de kelder, tot het happy end – want de in het spel voorgestelde woning loopt geen schade op.

Uiteraard staat het Dokumentationszentrum stil bij de Duitse bombardementen op Warschau, Rotterdam, Coventry en andere steden. Een informatiebordje herinnert eraan dat propagandaminister Joseph Goebbels het neologisme coventrieren muntte, naar de Britse stad die met brandbommen werd vernietigd, en dat zoveel betekent als ‘met de grond gelijk maken’. Daartegenover lees ik de omineuze uitspraak van het hoofd van Bomber Command, maarschalk Arthur Harris: ‘There are a lot of people who say that bombing cannot win the war. My reply to that is that it has never been tried… And we shall see’. In de centrale ruimte wordt het verloop van Operatie Gomorrha verteld. Asymmetrische vormen en de dominante roestkleur moeten de sfeer oproepen van de verwoesting. Interessant is de manier waarop meerdere perspectieven worden aangebracht: de burgers die een onnoemlijke dood stierven; de soms zeer jonge soldaten – zestien à zeventien jaar –  die de luchtafweer, de flak, bedienden; de bemanning van de geallieerde vliegtuigen, voor wie de vernieling op de grond een abstract gegeven was en die zelf doodsangsten doorstonden; de Sinti en Roma die geen recht hadden op een plaats in de bunkers; de dwangarbeiders en gedeporteerden die ook de vuurzee ondergingen en achteraf de stad moesten opruimen…

De tentoonstelling staat ook stil bij de chaos van de eerste weken en maanden na de bommen. 250.000 woningen werden tot as herleid, net als 277 scholen en 24 ziekenhuizen. Er was geen water, gas en elektriciteit meer. Een stadsplan maakt de omvang van de schade duidelijk: de wijken ten oosten van de Alster waren volledig van de kaart geveegd, net als de helft van het stadsdeel ten westen van het meer. 900.000 vluchtelingen ontvluchtten de stad en zochten een onderkomen in andere delen van het land, wat  spanningen veroorzaakte. Maar orgelpunt van de tentoonstelling is waarschijnlijk het videoscherm met filmbeelden uit die tijd: ‘Der Hamburger Feuersturm in Berichten von Augenzeugen’ – een onverdraaglijke aaneenschakeling van vuurlawines, instortende huizen en verhakkelde en verkoolde lichamen…

 

Het Bunkermuseum

Ook al worden ze niet overrompeld door toeristen, er zijn nog meer plekken die de herinnering aan Operatie Gomorrha levendig houden. Ik neem de metro naar het station Rauhes Haus, dat pal in de oostelijke wijk van Hamm ligt, waar zich het oog van de vuurorkaan bevond, en die voor 96% werd vernietigd. Het is vandaag een rustige slaapwijk waarvan de architectuur uiteraard functioneel modern is. In nummer 16 van de Wichernsweg kun je elke donderdag het Bunkermuseum bezoeken, een voormalige schuilplaats die in 1997 openging voor het publiek. De ingang van de bunker ligt achter een gebouw, naast een vredig grasveld. Kinderen spelen in een speeltuin. Een geel bord met een rode pijl wijst de weg aan de bezoeker: tijdens de oorlog werden de openbare schuilkelders op die manier aangeduid.

Bij de ingang pik ik een brochure op waar ik verneem dat het Bunkermuseum een initiatief is van het district Hamm, dat de geschiedenis niet van bovenuit wil vertellen, maar ‘vanuit de ervaring van de kleine vrouw en de kleine man’. In de maand juli van elk jaar herinnert een evenement aan de catastrofe van 1943. Een man van voorbij de zestig ontvangt me en vertelt dat de schuilplaats een ‘Vier-Röhrenbunker’ is, een bunker die uit vier parallelle tunnels bestaat, van elk twee meter breed en zeventien meter lang. Het geheel ligt vijf meter diep en heeft betonwanden van een meter. Vijftig personen konden in elk van de tunnels een onderkomen vinden. Hamburg is bezaaid met dergelijke bunkers, die werden gebouwd in de eerste oorlogsjaren, maar de meeste zijn niet te bezoeken, want ze liggen vandaag onder water.

Ik daal af naar de tunnel en lees de eerste tekst die zich tot de wijkbewoners richt. Hij herinnert eraan dat, gezien de totale vernietiging en de heropbouw van de wijk, sporen van het verleden zeldzaam zijn: in Hamm is het Bunkermuseum de enige plek waar nog iets te bespeuren is van de oorlogstijd. De insteek is, zoals de brochure al aankondigde, ervaringsgericht: ‘Wat betekent het ’s nachts gewekt te worden door het luchtalarm, en uit doodsangst naar een plek te rennen die je misschien de kans zal geven je vege lijf te redden?’. In elke tunnel staan er aan de ene kant banken en aan de andere rekken, waar mensen hun spullen kwijt konden. Vandaag zijn er voorwerpen uit die tijd uitgestald: helmen, gasmaskers, kaarsenhouders, half gesmolten bestek, tientallen koffers… Ik lees een affiche van de politie uit april 1943, die de raad geeft altijd een koffertje bij de hand te hebben met de meest levensnoodzakelijke voorwerpen: kleding, schoenen, zeep, tandenborstel, schaar, verbanddoos, enzovoort.

Aan de wanden zijn A4tjes geplakt met informatieve teksten die ik moeizaam ontcijfer, want ze zijn afgedrukt in te klein lettertype en de verlichting is gedempt – wellicht om de sfeer van toen op te roepen. Ik zie foto’s van buurtbewoners tijdens het luchtalarm: sommigen spelen kaart en tot mijn verbazing glimlachen de meeste. Was het een opgelegde glimlach of hielden ze zich sterk? En vonden ze troost in de uitspraak van Wilhelm Busch, de dichter en tekenaar uit de negentiende eeuw, die in Fraktur-schrift op een van de wanden prijkt: “Drum lebe mässig und denke klug/ Wer nichts gebraucht, der hat genug’?.[12]

Het Bunkermuseum heeft iets amateuristisch dat ik sympathiek vind. Geen indrukwekkende klank- en lichtspelen, geen interactieve schermen, geen technologische hoogstandjes. Ik vermoed dat de financiële ondersteuning van dit initiatief beperkt is. Maar net als in de Nikolaikirche valt me de toonzetting op, die ook hier die van de eigen schuld is: ‘Een vernietigende, onmenselijke en onverdraaglijke oorlog ging in 1939 uit van Duitsland’, is te lezen op de eerste affiche. En verder in de bunker is, net zoals in de Nikolaikirche, een hele wand gewijd aan de bombardementen op Londen, Coventry en andere Britse steden. De bezoeker wordt eraan herinnerd wie aan de oorsprong ligt van de geweldketen. Ook hier merk ik dus de spanning die ten grondslag ligt aan de manier waarop Duitsland vandaag omgaat met zijn oorlogsverleden. In deze stad kwamen 40.000 vrouwen, mannen en kinderen in juli-augustus 1943 op een vreselijke manier aan hun einde. Maar de herinneringsplekken onderstrepen dat ze ook daders waren. Betekent dit dat zij hun lot verdienden?

 

Het kerkhof van Ohlsdorf

Op een van de eerste mooie lentedagen neem ik een taxi naar het kerkhof van Ohlsdorf, in het noorden van de stad, dat, als ik Wikipedia mag geloven, met zijn 389 hectaren het grootste Parkfriedhof van de wereld zou zijn. Ter vergelijking, de Parijse Père Lachaise, ook een begraafplaats die als park dienstdoet en die mij altijd gigantisch leek, is slechts 44 hectaren groot. Elke necropool is een wereld op zich en je vindt dan ook graven van de meest uiteenlopende mensen en groepen: Chinezen, Japanners, joden, zeelui, lokale verzetsmensen, vrouwen die een rol speelden in de geschiedenis van de stad, slachtoffers van de cholera-epidemie van 1892 en van de overstromingen van 1962, gevallenen van de revolutiejaren 1918-1920, enzovoort, enzovoort. Je zou er een week in kunnen rondlopen en nog niet alles gezien hebben. Maar ik ben op zoek naar een specifieke plek, in het kader van mijn onderzoek naar de herinnering aan Operatie Gomorrha. Ohlsdorf is zo groot dat je er met de auto in mag en ik vraag dus aan de taxichauffeur mij af te zetten aan de Sorbusallee, in het oostelijke deel van de begraafplaats, bij het Kriegsgräberstätte für die Bombenopfer des Zweiten Weltkriegs ofwel Oorlogsbegraafplaats voor de slachtoffers van de bombardementen in de Tweede Wereldoorlog.

Wanneer de taxi wegrijdt, ben ik moederziel alleen. Voor mij, op een honderdtal meter, zie ik een reusachtige bunkerachtige constructie, die het centrum van een groot kruis vormt – ik kom er nog op terug. In elk van de vier dreven die ernaartoe leiden ligt een grasveld van een vijftig meter breed. Dit zijn de massagraven waar de ‘Ausgebombten’ rusten. In elk grasveld staan grote houten balken – achttien in totaal – met telkens de naam van een Hamburgse wijk. Komende van de Sorbusallee ontcijfer ik Altona, Emsbuttel, St-Pauli, enzovoort. De sfeer is, om een toepasselijk Duits woord te gebruiken, unheimlich. Een schuchtere zonnestraal breekt door de wolken, de sfeer in dit mooie Parkfriedhof is idyllisch en ik ben alleen met 36.918 doden. Ik denk aan mijn bezoeken aan de bossen rond Riga en Vilnius, waar tienduizenden joden werden afgeslacht door de Einsatzgruppen, of aan mijn eenzame hulde aan de honderden mensen die in mei 1945 in het gebergte boven Triëst levend in kloven van 150 meter diep werden geduwd.[13] Plekken waar de dood heerst en die nog amper de aandacht van de levenden trekken.

Toch rusten deze vrouwen, mannen en kinderen, die in ondenkbare omstandigheden om het leven kwamen, niet echt in vrede, want ze zijn nog altijd de inzet van een herinneringsstrijd: ook in de eenentwintigste eeuw blijft het moeilijk het statuut van slachtoffer samen te denken met de Duitse nationaliteit. Dat blijkt nog maar eens wanneer ik na mijn wandeling door de begraafplaats de site ‘Gedenkstätten in Hamburg’ raadpleeg. Over dit massagraf lees ik dat het sinds zijn inhuldiging voor discussie zorgt, omdat het de bombardementen als een onvermijdelijke uiting van het noodlot zou voorstellen, zonder op de verantwoordelijkheid van het naziregime te wijzen.[14]

Hoe kwamen de tienduizenden burgers bedolven onder de bommen in Ohlsdorf terecht? In de weken na de bombardementen ruimden dwangarbeiders en gedeporteerden uit het naburige concentratiekamp van Neuengamme puin en borgen ze de lijken. Velen konden niet worden geïdentificeerd en kwamen dus terecht in massagraven. Het regime was het idee niet ongenegen, want een collectief graf paste in hun opvatting van de volksgemeenschap. In de propaganda was er sprake van de ‘Schicksalsgemeinschaft’ die de Duitsers verbond – een gemeenschap getekend door het noodlot.[15] Het individuele rouwen moest dus plaats ruimen voor de collectieve geest van een volk dat getroffen was door een onnoemelijk leed. Architect Konstanty Gutschow, die voor de oorlog van Hitler de opdracht had gekregen Hamburg om te bouwen tot een ‘Führerstadt’,[16] tekende de plannen van de begraafplaats voor de bommenslachtoffers. Ze werd in oktober 1943 ingehuldigd.

Wanneer ik er meer dan tachtig jaar later rondloop valt me op dat niet alle overlevenden genoegen namen met het collectieve rouwproces. Aan de rand van de grasvelden liggen tegels waar individuele slachtoffers worden herdacht. Het gezin Hildebrand herdenkt zo bijvoorbeeld hun twee jonge zonen:

Dem Gedenken unseren lieben Jungen
Manfred Wolfgang
Hildebrand
28.5.35   21.2.38
+25.7.1943

Een beetje verder zie ik dat de familie Einhausen drie kinderen verloor, van twee, vijf en zeven jaar. Op een metalen plaat lees ik vijf keer dezelfde familienaam, Marynek. Zij kwamen om in de Feuersturm van 27/28 juli. Soms wordt zelfs het adres van de slachtoffers vermeld – wil dat zeggen dat deze mensen in hun kelder omkwamen?

In der Hammerbrookstr. 99 sind umgekommen
FRIEDRICH
Richard *3.12.1885
Pauline *12.5.1887
Ingrid *4.5.1931

Dit grijpt naar de keel, omdat het lijden individueel en concreet wordt, omdat je er een voornaam kunt op plakken en eventueel zelfs een adres. Nog een andere tegel, voor Dina en Arthur Feddern, stelt de fundamentele vraag: ‘WARUM’. Volgens mijn informatie kwamen deze individuele huldes al op gang tijdens het regime: mensen legden kruisen, afscheidsbrieven, foto’s. Voor hen was de luchtoorlog blijkbaar geen collectieve beproeving, zij eisten het recht op een individueel rouwproces, wat een impliciete manier was om het ideologische verhaal van het regime te ondergraven.[17]

Ik vertelde al dat ik in het middelpunt van het kruis dat de massagraven vormen een massieve kubus, een soort bunker, opmerkte. Wanneer ik dichterbij kom, blijkt het aan drie kanten gesloten. Aan de vierde kant is er een gesloten hekwerk dat zicht geeft op de lege binnenplaats. Maar tegenover mij zie ik een beeldengroep die bekend voorkomt bij wie een minimale kennis heeft van de Griekse mythologie: Charon kijkt me aan met strenge blik terwijl hij de Styx oversteekt met figuren die elk een emotie uitdrukken. Een man zit wanhopig met het hoofd naar beneden gericht, een jong koppel poogt troost te vinden in elkaars armen, een vrouw legt haar hand op het hoofd van een kind. Op de voorsteven staat een man met de blik strak gericht op het dodenrijk. Hij lijkt zich kranig te houden. Is dit kunstwerk, dat het historische gebeuren naar een mythologisch niveau tilt, de steen des aanstoots voor de site ‘Gedenkstätten in Hamburg’, waarnaar ik al verwees? Is dit een manier om de politieke context te verheimelijken?

De beeldhouwer, zo blijkt uit een metalen plaatje bij de ingang van het gebouw, is Gerhard Marcks (1889-1981) en het werk, zo lees ik, is geen uitdrukking van revolte, maar wil helpen ‘de waardigheid te bewaren tegenover het vreselijke onheil’. De sculptuur werd ingehuldigd op 16 augustus 1952 door burgemeester Max Brauer. Twintigduizend aanwezigen luisterden naar zijn woorden, die gedeeltelijk geciteerd worden op het plaatje. Ik vertaal:

Heb de moed het sterven van jullie vaders, moeders, broers, zussen juist te duiden! Ze hoefden niet te worden geofferd. Enkel omdat men zich had overgeleverd aan de geweldplegers, kwam het geweld over onze gezinnen en over onze vredelievende steden. Want in een vrij volk is ieder mee verantwoordelijk voor dit waarom.

Bij nader toezien merk ik dat bezoekers sommige woorden onderstreepten of in het plaatje krasten. Iemand omcirkelde het ‘Warum’ en plaatste twee uitroepingstekens na de zinnen van Brauer. Maar onderaan kraste iemand woorden die ik met enige moeite ontcijfer: TÄTER OPFER UMKEHR’ ofwel ‘Daders slachtoffers omkering’. Blijkbaar is niet iedereen gediend met de officiële boodschap dat de slachtoffers van de Feuersturm ook daders waren.

Ik verwijder me van het massagraf en loop naar de westelijke uitgang van de begraafplaats, vijf kilometer verder. Het gigantische Parkfriedhof is vrijwel verlaten, ik kruis enkel een paar joggers en voetbalfans die een hulde brengen aan de mij onbekende Uwe Seeler. Maar onderweg bots ik op een Commonwealth militair kerkhof, waar 705 gesneuvelden van de Eerste Wereldoorlog en 1474 van de Tweede rusten. Ik kuier tussen de zo kenmerkende marmerstenen en ja, ze liggen hier ook, de bemanningsleden van neergeschoten bommenwerpers: piloot C.C. Stovel, Air Gunner H.W. McDonald, Bomb Aimer G.H. McDougal, naast vele anderen, gevallen tussen 28 juli en 3 augustus 1943… Enkele honderden meters scheiden de Britten van hun slachtoffers in het massagraf. Een schamele lentezon brengt wat kleur in de necropool waar zij samen vreedzaam rusten.

 

Een geschiedenis van de schande

In het essay waarnaar ik al verwees hekelt W.G. Sebald de neiging die sommige naoorlogse Duitse auteurs hebben om de ervaringen van burgers in de getroffen steden te sublimeren in een voor de hand liggend symbolisme van dood en renaissance, met de hulp van vage pseudo-humanistische begrippen en oosterse filosofie.[18] Een metafysische betekenis geven aan de vernietiging is gemakkelijker, zo gaat hij verder, dan de concrete herinnering, die zin voor precisie en verantwoordelijkheid vraagt. Ik begrijp de kritiek van Sebald, maar stel me ook de vraag of het überhaupt mogelijk is, tegenover een ramp van die omvang, te ontsnappen aan elke poging tot zingeving. Is het mogelijk de vernietiging van een stad te beschrijven en zich niet de vraag te stellen naar een diepere zin – tenzij je natuurlijk vrede neemt met de vaststelling van het absurde.

Uiteindelijk poogt ook de hedendaagse herinneringscultuur, zoals ik ze aan het werk zie in Hamburg in 2023, zin te geven aan het Armaggedon, door een moedige confrontatie aan te gaan met de eigen verantwoordelijkheid in de loop der gebeurtenissen. Het bewustzijn van het Duitse schuldbesef, dat ik op elke herinneringsplaats in Hamburg vaststel, activeert een empathisch vermogen dat de kans geeft zich in de plaats te stellen van andere historische actoren – van de burgers van Londen en Coventry, van de geallieerde piloten, van de joden en de dwangarbeiders, enzovoort. Waarschijnlijk maakt dat de kracht uit van de Duitse Vergangenheitsbewältigung: de moed zichzelf ter discussie te stellen en de opening naar de ander.

Toch kan ik begrijpen dat niet iedereen zich kan vinden in deze zelfkritische manier om het Duitse leed te verwerken. In 2004 ging ik mijn dochter opzoeken die een jaar in een gastgezin in de buurt van Darmstadt verbleef – nog een Duitse stad die in september 1944 werd bedolven onder een bommentapijt. Tijdens een etentje ging het over de oorlog en de oma, die de bombardementen als kind had meegemaakt, zei iets dat sinds 1945 in het openbaar onzegbaar is: ‘Het gaat altijd over de joden, maar over ons leed spreekt niemand’. De woorden gekrast in het plaatje bij het herdenkingsmonument in de necropool van Ohlsdorf gingen in dezelfde richting. Hebben Duitsers recht op het statuut van slachtoffer?

In 2002 publiceerde Jörg Friedrich een lijvig werk dat enige ophef veroorzaakte en waar ik al naar verwees, Der Brand. Deutschland im Bombenkrieg 1940-1945. De auteur bracht er nauwgezet verslag uit van de manier waarop de bombardementen werden ervaren door de burgerbevolking, zonder harde oordelen te vellen. Maar tussen de regels suggereerde hij dat Winston Churchill en Arthur Harris oorlogsmisdadigers waren en beschreef hij de bombardementen met woorden die gewoonlijk worden gebruikt voor de beschrijving van maatregelen waarvan joden het slachtoffer waren – woorden zoals Bücherverbrennung, Krematoria en Hinrichtungsstätten of boekverbranding, crematoria en terechtstellingsplaatsen.[19]

Daarmee komen we bij een heikele kwestie. Kun je de terreurbombardementen op Duitse steden vergelijken met de genocide op de joden? Historici deinzen terug voor de vergelijking, maar toch lijkt het onderwerp bespreekbaar sinds het begin van de eenentwintigste eeuw. In 2003 stelde de grote literatuurcriticus Marcel Reich-Ranicki, zelf jood en slachtoffer van de nazi’s, dat beide gebeurtenissen een uiting waren van een moordende ‘Maschinerie’. Hij voegde eraan toe dat je als buitenstander niet kunt beslissen welke dood – de gaskamer of de bombardementen – de ergste is: ‘Für das Opfer sind alle Maschinerien dieser Art gleich schlimm’.[20] In zijn werk over het bombardement op Hamburg keurt Keith Lowe de Britse luchtstrategie af omdat ze het onderscheid tussen militairen en burgers ophief, wat de deur opende naar de nachtmerrie van een oorlogsvoering zonder regels en principes en hij besluit: ‘I hesitate to make the comparison with the amorality that led to the Holocaust, (…), because that would be going too far. But, ethically speaking at least, we are only a few steps away’.[21]

Maar uiteindelijk ontkom je niet aan de vaststelling die Thomas Mann al in april 1942 maakte vanuit Los Angeles, na het bombardement van zijn thuisstad Lübeck, de stad waar zijn familieroman Buddenbrooks (1901) zich afspeelt en eerste Duitse stad die het slachtoffer was van de Britse area bombing. Het Duitsland van Hitler, zo zei de auteur in een radioboodschap, heeft aan de wereld getoond wat totale oorlog betekent. Maar nu heeft het ook geleerd ‘dat alles moet worden betaald’ en dat met de vernietiging de tijd van de ‘boetedoening’ is aangebroken.[22] De auteur van Doktor Faustus legde zo de basis van wat de Duitse naoorlogse houding zou worden tegenover het nationaalsocialistische verleden dat W.G. Sebald enkele decennia later als volgt zou samenvatten: ‘Unsere Geschichte ist eine Geschichte der Schande’[23].

 

 

[1] ‘Wat ons omringde was het vreemde, het eigenlijk niet-mogelijke’.

[2] Zie mijn Donker toerisme. Reizen door het Europa van de 20ste eeuw, Ertsberg, Antwerpen, 2022.

[3] Zie hierover onder meer Jörg Friedrich, De brand, De geallieerde bombardementen op Duitsland, 1940-1945, Mets & Schilt uitgevers, Amsterdam, 2004, blz. 88. Het Duitse origineel dateert van 2002.

[4] Zie Jörg Friedrich, De brand, o.c. blz. 114.

[5] Over de verschillen tussen de Britse en Amerikaanse opvatting over bombardementen, zie Malcolm Gladwell, The Bomber Mafia. A Tale of Innovation and Obsession, Penguin Books, London, 2022 (2021), onder meer blz. 55-56.

[6] In zijn doorwrocht boek over de vernietiging van Hamburg in juli 1943 stelt Keith Lowe dat slechts een klein aantal bommen fosfor bevatten. Zie Keith Lowe, Inferno. The Devastation of Hamburg, 1943, Penguin Books, London, 2012 (2007), blz. 206.

[7] Richard Overy, ‘Hamburg 1943. Die Sicht der Alliierten‘, in: Gomorrha 1943. Die Zerstörung Hamburgs im Luftkrieg, Förderkreis Mahnmal Sankt Nikolai, 2013, blz. 41.

[8] Keith Lowe, Inferno, o.c., blz. 230.

[9] Luftkrieg und Literatur. In het Nederlands vertaald als De natuurlijke historie van de verwoesting, De Bezige Bij, Amsterdam, 2004.

[10] “Voor de slachtoffers van oorlog en tirannie”.

[11] https://www.coventrycathedral.org.uk/reconciliation/community-of-the-cross-of-nails  (14 mei 2026).

[12] ‘Leef dus met mate en wees slim: wie niets gebruikt heeft genoeg’.

[13] Zie Donker toerisme, o.c., hoofdstuk 4 ‘Executieoorden’.

[14] Zie  https://gedenkstaetten-in-hamburg.de/gedenkstaetten/zeige/friedhof-ohlsdorf-mahnmal-fuer-die-opfer-des-feuersturms (14 mei 2026).

[15] Zie Malte Thiessen, ‘Gomorrha im Gedächtnis der Stadt. Hamburgs Erinnerungen an den Luftkrieg 1943 bis 2013’, in: Gomorrha 1943. Die Zerstörung Hamburgs im Luftkrieg, o.c., p. 92.

[16] Vijf steden hadden dat statuut gekregen: Berlijn, Linz, München, Nürnberg en Hamburg. Ze zouden grote architecturale wijzigingen ondergaan, maar de oorlog dwarsboomde die plannen.

[17] Zie Malte Thiessen, ‘Gomorrha im Gedächtnis der Stadt’, o.c., blz. 94.

[18] Sebald heeft het vooral gemunt op romans van Hermann Kasack, Peter de Mendelssohn en Arno Schmidt.

[19] Zie Keith Lowe, Inferno, o.c., blz. 343.

[20] ‘Voor het slachtoffer is al dit soort machinerie even erg’. Geciteerd door Volker Hage, Zeugen der Zerstörung. Die Literaten und der Luftkrieg, Fischer, Frankfurt am Main, 2008 (2003), blz. 245.

[21] Keith Lowe, Inferno, o.c., blz. 337.

[22] ‘dass alles bezahlt werden muss’. Geciteerd door Volker Hage, Zeugen der Zerstörung, o.c., blz. 9.

[23] ‘Onze geschiedenis is een geschiedenis van de schande’. Ibid., blz. 272.

Andermaal de heksen
Broers en politieke tegenstanders
Alibi Theresienstadt
Slachtoffers of daders?
Dieren in de Middeleeuwen
‘Met de rug naar de toekomst’: een nieuwe...
Straatnamen: een vergeten studie?
Cuchet
Een pleidooi voor historisch begrijpen
Een ideeëngeschiedenis van het Lichtend Pad
‘Een van de twee Spanjes zal je hart...
Surinamer in de Oost
Nachtmis
De maakbare mens
Hoe lang is de antifascistische oorsprongsmythe van de...
‘J’avais toujours raison’
Een ‘politieke kosmos’? Over de pedagogie van straatnamen
Duivelse armoe
Dr. Morell en Patiënt A
Christendom en burgerlijk gezag
‘Rwanda valt aan, Rwanda wordt niet aangevallen’ (Urwanda...
Dubbele politieke moord
Wat vertellen we onze kinderen (niet)?
Een jurk vertelt
Filip de Pillecyn als links-progressieve journalist
Numineuze slachtoffers
Wetenschap, een sisyfusarbeid
Nog een herdenking in 2025
De onverwachte val van Assad
Woorden zijn wapens. Over Robert Brasillach