In de Middeleeuwen waren er, als we de openingszin van het nieuwe boek van Pierre-Olivier Dittmar mogen geloven, nog geen ‘dieren’: il n’y avait pas d’animal au Moyen Âge. Het krioelde evident van de vogels en de vissen, je kon hartje Parijs koeien en varkens op je pad ontmoeten[1] en in de bossen moest je uitkijken voor wolven. Er bestond alleen geen woord dat dit overvloedige leven onder één overkoepelende term samenvatte: zowel het Latijnse als het Oudfranse ‘animal’ betroffen alle levende wezens inclusief de mens en er was blijkbaar geen behoefte aan een term die de hele verzameling zonder de mens benoemde.
Zoiets is uiteraard geen toeval en geeft minstens te denken dat er in de Middeleeuwen nog geen kloof gaapte tussen mens en dier. Die zou er volgens veel recente studies pas komen toen Descartes decreteerde dat dieren geen echt levende wezens waren, maar animaux-machines, die hoogstens de indruk gaven dat ze pijn of andere emoties voelden; veel moderni zouden er een vrijbrief aan ontlenen die voortaan machtigde het hele dierenrijk ongeremd te exploiteren. De historici die daar intussen alweer sinds enkele decennia over schrijven doen dat vanuit een nieuwe malaise tegenover die voortvarendheid: ze zorgde voor oeverloos dierenleed, verstoorde allerlei onheuglijke evenwichten en dreigt nu tot ecologische catastrofes te leiden.
Pierre-Olivier Dittmar schrijft ook tegen die achtergrond en probeert te tonen dat de manier waarop veel middeleeuwers naar hun dieren keken sterk verschilt van wat wij sindsdien evident gingen vinden. Een exhaustief panorama kon het bezwaarlijk en wou het ook niet worden: de term ‘essai’ in Dittmars ondertitel verwijst minder naar de wat lichtvoetige betoogtrant die we doorgaans met dat label associëren dan naar een verhaal dat onvermijdelijk onvolledig blijft, maar waar je als niet gespecialiseerde lezer wel kan kennismaken met veel minder bekend en onvermoed interessant materiaal. Ik beperk me hier tot een summiere greep uit die overvloed.
Liturgie zonder dieren
Dittmar start zijn verhaal ietwat paradoxaal met de vaststelling dat het christendom, in de Middeleeuwen toch bijna unaniem gedeeld, de dieren op zijn manier op een afstand houdt. Het is met name een van de zeldzame religies is die geen dierenoffers kent. Het had zich daarmee radicaal afgezet tegen zowel de Grieks-Romeinse praktijk uit zijn eerste hellenistische omgeving als tegen de Joodse traditie waaruit het voortgekomen was en ontwikkelde zijn eigen sacramenten en rituelen waarin dieren voortaan geen rol meer speelden.
Wie de eerste christenen graag mag idealiseren zou dan kunnen concluderen dat ze dat deden om de dieren te sparen, maar dat ligt bij nader toezien toch minder eenvoudig. Het Nieuwe Testament bevat geen woord in die richting, maar geeft wel aan dat er voortaan geen onderscheid meer is tussen reine en onreine dieren. De eerste christenen wachtten zich er wel voor vlees te eten dat aan (af)goden geofferd was en dat doorgaans na de afronding van het ritueel aan de deelnemers uitgedeeld of op een nabije markt werd verkocht. Ze mochten verder alles eten wat hun zinde en het heeft er trouwens alle schijn van dat hun middeleeuwse nazaten vaak veel meer vlees aten dan in de Oudheid gebruikelijk was.
Het verdwijnen van de dierenoffers, met alle regels en voorschriften die daarbij hoorden, zorgde er in die optiek vooral voor dat dieren op meer profaan niveau onbeperkt en ongeremd ter beschikking kwamen. Dat paste bij een wereld waar Adam ooit uitgenodigd was te ‘heersen over de vissen der zee, de vogels in de lucht en alle levende wezens die zich op de aarde bewegen’ (Gen 1:29) en hij alle dieren dan ook soeverein hun naam had gegeven; Noë kreeg na de Zondvloed op zijn beurt te horen dat ‘al wat op aarde leeft en beweegt hem tot voedsel mocht strekken’ (Gen 9:2). Het heette verder ook dat op het einde van de tijden, als de wereld vergaan was, in de eeuwigheid alleen mensen en engelen zouden overblijven; dieren hoefden dan niet meer…
Het christendom tekent zo op zijn manier voor een nieuwe afstand tussen mens en dier. De historici die daarover schreven ontdekten er vaak[2] een verre eerste stap in de richting van de ongebreidelde-rücksichtslose exploitatie van het dierenrijk die onze moderniteit kenmerkt. Dittmar suggereert dat soms, maar doet dat eerder terloops en uitgesproken voorzichtig: je kan je inderdaad afvragen of het veel zin heeft van een eerste stap te spreken als de tweede pas ruim anderhalf millennium later volgt. Dittmar geeft dus aan dat hij zijn verhaal niet te teleologisch wil vertellen: de middeleeuwen die hij beschrijft zijn in zijn optiek een lange tussen- of zo men wil overgangsperiode tussen twee cruciale keerpunten in de omgang tussen mens en dier, die zelfs niet noodzakelijk op het tweede keerpunt moest uitlopen omdat er al die tijd ook veel gebeurde dat tot een compleet ander vervolg had kunnen leiden.[3]
In kerken en scriptoria
De middeleeuwse kerk hield de dieren inderdaad niet altijd op afstand. Dat ze geen plaats kregen in de liturgie belette niet dat veel kerkgangers hun kat of hond soms gewoon meebrachten: de eerste communiebanken dienden misschien vooral om te beletten dat die zouden doorlopen naar het koor, waar ze het plechtige verloop van de ritus zouden kunnen verstoren. Je vond ook talloos veel dieren op kapitelen en andere sculpturen, in en op de kathedraal van Reims zelfs meer dan duizend. Dat paste trouwens in een andere theologische traditie, waarin het heette dat God de dieren schiep om de aarde op te smukken (‘ornatus’ in de Vulgaatversie van Gen 2:1). Ze ontbraken zelfs niet in de misericordiae, de gebeeldhouwde houten zitjes in veel koorgestoeltes waarop kanunniken of monniken die hun lange officies staande zongen even discreet konden rusten: de sculpturen waren uiteraard niet storend.
De dieren ontbraken evenmin in de scriptoria. Er liepen dikwijls katten rond, die meer dan welkom waren omdat muizen, die zich gretig een weg vraten door perkamenten manuscripten, de nachtmerrie waren van elke bibliothecaris. Ook de inhoud van die manuscripten verwees vaak naar een wereld waar dieren nooit ver waren: veel exempla en mirakelverhalen vermelden terloops allerlei wilde en tamme dieren of geven ze zelfs een hoofdrol als ze woestijnvaders gezelschap houden, c.q. miraculeus beschermen of als een mirakeldoener het niet beneden zich vindt een gekwetst paard te genezen of een gebroken hondenpoot te zetten.
De exempla geven soms zelfs doorkijkjes op meer perifere, volkse of heterodoxe riten, waar dieren wel een rol spelen; het meest bekende, in zijn radicaliteit allicht wat atypisch voorbeeld is de hond Saint Guinefort die in een uithoek van de Dombes, niet zover van Lyon, eeuwenlang als een martelaar vereerd werd.[4] Hij werd geacht kinderen te genezen omdat hij een slang zou hebben doodgebeten vlak voor die in een wieg kon kruipen om er een baby te bijten.
Dittmar schrijft verder mooie bladzijden over de bestiaria. Middeleeuwse dierenboeken waren niet zozeer uit op natuurgetrouwe beschrijvingen, maar lijstten voor elk besproken dier merkwaardige karaktertrekken of gedragingen op, die ze eerder aan oudere bronnen ontlenen dan aan directe observatie en die vooral belangwekkend lijken omdat ze allerlei zedenlessen of dogma’s illustreren. Voor smeuïge details over de vaak nogal fantastische karakteristieken die daarbij aan bod komen moet je hier minder zijn.[5] Dittmar stelt zich eerder vragen over de voor ons nogal onthutsende insteek van dit soort dieren-encyclopedieën, die op het eerste gezicht bepaald antropocentrisch lijken, maar die anderzijds, omdat de moralia en het doen en laten van de diverse dieren er voortdurend gelijk opgaan, tonen dat mensen en dieren fundamenteel eenzelfde wereld bewonen. Een bestiarium dat zich alleen voor de dieren as such zou interesseren was nog niet aan de orde.
De minimale aandacht voor de ‘echte’ gedragspatronen van de beschreven dieren past bij een wereld waarin dieren zo’n dagelijkse en vertrouwde omgeving vormden dat niemand de behoefte voelde ze nauwlettend te observeren. Ze stoffeerden in de Middeleeuwen geen poëtisch, maar vooral een doordeweeks-prozaïsche Unwelt, die, zoals alle vertrouwde dingen eigenlijk alleen ter sprake kwam als je er belangrijker lessen uit kon oplezen.
Zelfs Franciskus van Assisi was op dat punt misschien prozaïscher dan wij hem in onze eenentwintigste eeuw graag inschatten. Dittmar noteert dat de bekende verhalen over Franciskus’ preken over de vogels in essentie teruggaan op twee tradities, die geen van beide veel dialoog impliceren. In de eerste roept hij hen op de Heer te prijzen en wacht hij niet op hun reactie. In de tweede vraagt hij hun gewoon minder lawaai te maken omdat zijn (evident menselijke) toehoorders zijn preek anders moeilijk zouden kunnen volgen. We vernemen ook dat zijn beroemde Zonnelied, in de grondtekst de Cantico delle Creature, weliswaar de Heer prijst om al zijn schepselen, maar in die al bij al beknopte inventaris geen enkel dier laat opdraven. Franciskus was misschien een natuurvriend, maar dierenromantiek bleef hem vreemd.
In de laatste hoofstukken van zijn boek ontdekt Dittmar rond 1300 een merkwaardig en, voor zover ik zie, tot nog toe zelden gesignaleerd breekpunt: de term bestiae, die tot dan vooral, in contrast met pecus voor huisdieren, voor wilde dieren was gereserveerd, gaat nu vrij plots maar steeds vaker alle dieren benoemen, die daarmee ook en bloc een stuk wilder ogen dan voordien. Het zou een tweede opstap kunnen zijn naar de radicale breuk tussen mens en dier die Descartes in de vroege zeventiende eeuw zou decreteren. Dittmar constateert integendeel dat veel moralisten rond diezelfde tijd, dus rond 1300, in de mens allerlei ondeugden ontdekken die hem precies vlakbij die breed gedeelde woestheid brengt. Er is dus eerder sprake van een alomtegenwoordige kwaardaardige bestialitas.
Een echte verklaring voor die ommekeer is er niet bij en ook de analyses waarin Dittmar een en ander constateert zijn te subtiel om ze in het korte bestek van deze recensie adequaat samen te vatten. Dat geldt trouwens evengoed voor al zijn vorige hoofdstukken, die ik hierboven erg vereenvoudigend en selectief overliep. L’invention de l’animal is nu eenmaal een bijzonder lezenswaardig, maar absoluut geen makkelijk boek, dat je best met de pen in de aanslag kunt lezen: Dittmar stelt terecht dat je de Middeleeuwen best niet te monolithisch kan zien en dat er sprake was van allerlei vaak heterogene tendensen die kriskras door elkaar liepen, maar dat maakt zijn verhaal ook niet altijd even overzichtelijk.
Wie even wil verpozen kan er dan weer genieten van tientallen fraaie reproducties van letttrines en miniaturen, die het boek, zoals men in de Middeleeuwen graag zei, rijkelijk en vooral prachtig verluchten: de Gallimard-reeks Bibliothèque illustrée des Histoires deed haar naam weer eens alle eer aan!
Pierre-Olivier Dittmar, L’invention de l’animal. Essai d’anthropologie médiévale, Gallimard, Parijs, 2026. ISBN 978-2-07-312692-4., 444 blz., €.32,50
[1] In oktober 1131 stierf de oudste en al gekroonde zoon van de Franse koning Louis VI nadat zijn paard in de Cité gestruikeld was over een loslopend varken. Zie daarover Michel Pastoureau, Le roi tué par un cochon, Seuil, Parijs, 2015.
[2] Ik denk met name aan het bekende standaardwerk van Elisabeth de Fontenay, Le silence des bêtes. La philosophie à l’épreuve de l’animalité, Fayard, Parijs, 1998. Zie daarover mijn recensie in Streven 66/1999, blz. 307-316.
[3] Het hele scenario doet een beetje denken, al maakt Dittmar die vergelijking niet, aan Le désenchantement du monde, waar Marcel Gauchet in de Bijbel een religion de la sortie du sacré ontdekt, waarna die sortie zich pas vanaf de Renaissance, en dan nog enkel in de Westerse helft van de christenheid, echt aftekent.
[4] Zie daarover het bekende boek van Jean-Claude Schmitt, Le saint Lévrier. Guinefort, guérisseur d’âmes depuis le XIIIe siècle (1979), Champs/Flammarion 559, Parijs, 2004. Het is uiteraard geen toeval dat Dittmar zijn nieuwe boek opdraagt aan J.-C. Schmitt.
[5] Wie daar meer over wil weten kan onder andere terecht in Michel Pastoureau, Bestiaires du Moyen Âge (2011), Seuil/Points H569, Parijs, 2020.