In 2013 publiceerde de Franse essayist Pierre Bayard een boeiend werkje met de titel Aurais-je été résistant ou bourreau? ofwel ‘Zou ik verzetsman of beul geweest zijn?’, waarin hij zich afvraagt hoe hij zich zou hebben gedragen tijdens de oorlogsjaren. Om die vraag te beantwoorden postuleert hij het bestaan in elk van ons van een potentiële persoonlijkheid – wie we echt zijn, zonder het te beseffen en die pas tot uiting komt in een crisissituatie. De auteur maakt zich geen illusies over zichzelf. Waarschijnlijk, zo schrijft hij, zou hij in de jaren 1940-1945 vooral bekommerd geweest zijn om zijn eigen vel. Trouwens, hij geeft grif toe dat het hem ontbreekt aan fysieke moed, dat een zeker fatalisme – ‘er is toch niets aan te doen’ – hem niet vreemd is, en ten slotte dat het zeer veel moed vergt om in te gaan tegen een elementaire waarde waar elke maatschappelijke orde op steunt – gehoorzaamheid. Want wie in verzet gaat tegen een dictatoriaal regime, zo stelt Bayard, heeft een specifiek psychologisch profiel – een sterk geloof in zichzelf dat naar narcisme kan neigen. Ik zou, zo besluit Pierre Bayard, noch verzetsman, noch collaborateur geweest zijn: zoals de grote meerderheid zou ik afgewacht hebben en ten hoogste wat geritseld en gescharreld hebben.
Ik moest aan dit essay denken bij het lezen van de mooie biografie van Hendrik De Man die Mieke Van Haegendoren onlangs publiceerde, omdat ook zij een poging doet zich in te leven in de historische context, zonder gemakkelijke moraliserende oordelen post factum te vellen. In haar inleiding schrijft ze haar lezers een ‘spiegel’ voor te houden, in woorden die zo uit Pierre Bayards essay zouden kunnen komen: ‘Hoe zou ik, hoe zouden wij in dié tijd gedacht en gehandeld hebben, toen, zónder de “wijsheid achteraf” waarvan wij nu genieten?’ (blz. 7). Uiteraard is dit geen gemakkelijke oefening, ten eerste omdat het bijzonder lastig is, zo niet onmogelijk, abstractie te maken van de kennis die we hebben van het verdere verloop van de geschiedenis en ten tweede, omdat ze kan leiden tot oncomfortabele vaststellingen of hypotheses die vandaag niet zomaar zegbaar zijn: elk tijdsgewricht, ook in democratie, kent zijn taboes. De biografe doet dus de inspanning, hoe delicaat ook, om te begrijpen wat De Man dreef in een extreem complexe historische situatie, op het ogenblik dat het verdere verloop van de gebeurtenissen onzichtbaar was.
In dat opzicht stelt de ondertitel op de cover – ‘visionair of verrader?’ – waarbij het tweede woord in Gotische letters staat, die ook vandaag nog nazisme suggereren[1], een vals alternatief, want door de methodologische bekentenis van de auteur heeft de lezer meteen door dat de auteur waarschijnlijk enige mate van begrip zal opbrengen voor een man die in 1940 een keuze maakte die naoorlogse generaties niet meer kunnen vatten. Daarmee gaat ze in tegen historici die een streng oordeel vellen over de ideologie en de politieke houding van De Man op het eind van de jaren dertig en in het eerste oorlogsjaar. In zijn biografie van 2018 beweerde Jan-Willem Stutje dat de socialistische politicus ‘aansluiting zocht bij het gangbare nazistische discours en zich vergroeid voelde met de ideologie, de cultuur en de mythes van het regime’.[2] In een verder verleden stelde Zeev Sternhell dat Hendrik De Man ‘legitimiteit’ gaf aan het fascisme, want voor de Israëlische historicus is herziening van het marxisme ‘altijd’ de belangrijkste ideologische dimensie van het fascisme.[3]
Welwillend maar kritisch
Door zich in de tijdgenoten te verplaatsen, schrijft Van Haegendoren zaken waar vandaag niet graag wordt aan herinnerd. Bijvoorbeeld, dat de economische prestaties van nazi-Duitsland in de jaren dertig niet konden geloochend worden (blz. 362); dat ‘het Derde Rijk in zeer grote mate was geaccepteerd door de bevolking’ (blz. 363); dat het regime ook een ‘welvaartsstaat’ beoogde te zijn; dat de sociaaleconomische politiek van het nationaalsocialisme tot op zekere hoogte werd verdergezet na de oorlog (blz. 364), enzovoort. De biografe concludeert dan ook: ‘Het is niet verwonderlijk dat Hendrik De Man in de wondere zomer van 1940 de term “Nieuwe Orde” niet geschuwd heeft – bijna iedereen was er immers van overtuigd dat Duitsland de oorlog had gewonnen’ (blz. 364).
Het boek is onder meer sterk in de reconstructie van de woelige dagen van de lente 1940. Van Haegendoren slaagt erin om treffend de sfeer van die dagen op te roepen, de ontzetting, de verwarring, de paniek. Ze onderstreept de moeilijkheid om op dat ogenblik, geworpen in de woelige zee van een tragische actualiteit, adequate keuzes te maken en een coherente gedragslijn uit te stippelen. ‘Het gros van de bevolking was gewoon opgelucht’ (blz. 267), omdat de vijandelijkheden voorbij waren en de terreur van de augustusdagen van 1914 uitbleef. Gezagsdragers waren op de vlucht geslagen – het grootste deel van de regering, maar ook parlementsleden, burgemeesters, vakbondsmensen en daarenboven een vierde van de bevolking.
Van Haegendoren stelt zich welwillend op tegenover De Man, maar is bij momenten ook streng voor hem. Zo wijst ze op zijn grote ambitie, op de ijdelheid die hem niet vreemd was – ‘Eerzucht en opofferingsgezindheid gaan perfect samen’ (blz. 261). Op politiek vlak wrijft de biografe hem het Manifest aan de BWP-leden van juni 1940 aan – ‘een blunder van formaat’ (blz. 276). Daarin riep hij op de Duitse overwinning te aanvaarden die ‘de weg had vrijgemaakt voor de Europese vrede en de sociale rechtvaardigheid’ (blz. 274). Hoewel de tekst op dat ogenblik op bijval kon rekenen, ook in socialistische middens, werd hij hem na de oorlog zwaar aangerekend. Maar ze wijst er ook op dat De Man in de jaren dertig uit Duitsland gevluchte joden hielp (blz. 362), tussenkwam bij de bezetter om de voedselsituatie te verbeteren en het lot van de krijgsgevangen te bepleiten (blz. 369) en zich scherp afzette tegen het de totalitaire fractie binnen het VNV.
Een pleidooi voor nuance
De bladzijden over het jaar 1938 en de akkoorden van München hebben iets unheimlichs, omdat de lezer van 2026 er echo’s in hoort van de geopolitieke actualiteit – hoewel ik een koele minnaar ben van de vandaag veelgehoorde stelling dat de jaren dertig zouden terug zijn. Want we worden opnieuw geconfronteerd met het dilemma waar socialisten en anderen eind jaren dertig voor stonden – antifascisme of antimilitarisme? Ondanks donkere voortekenen zoals de Kristallnacht en de Spaanse Burgeroorlog, pleitte De Man voor nuance en voor neutraliteit vanuit de overtuiging dat de dingen complex zijn en bleef hij geloven in onderhandelingen, ook met dictaturen. Hij hekelde de pers die volgens hem door haar geallieerde sympathieën met vuur speelde. Vandaag staan we voor vergelijkbare keuzes: praten met Poetin of niet? Is herbewapening een noodzaak of een vorm van paniekzaaierij in de hand gewerkt door sommige politici en een eenzijdige pers?
Hoe dan ook, deze biografie biedt een overtuigend tegengewicht tegen het vijandige verhaal van Jan-Willem Stutje over de socialistische politicus. Van Haegendoren herinnert ons eraan dat iedereen, op elk historisch ogenblik, veroordeeld is blind te navigeren, want leven we niet allemaal ‘met de rug naar de toekomst’ (blz. 361)? Haar biografie van Hendrik De Man is een pleidooi voor nuance in de context van ‘een naoorlogse ‘sterk door “goed” en “fout” gedomineerde publieke opinie’ (blz. 374), een poging om enige welwillendheid op te brengen voor de moeilijke keuzes die mensen maken en die soms kwalijke gevolgen kunnen hebben. Maar een verkeerde inschatting van een politieke situatie maakt van ons niet noodzakelijk misdadigers. Dergelijke oproep tot een afgewogen omgang met geschiedenis is in onze opnieuw gepolariseerde tijden meer dan welkom.
Mieke Van Haegendoren, Hendrik De Man, visionair of verrader?, Ertsberg, Antwerpen, 2026, 399 blz., ISBN: 9789022342558, € 34,95
[1] Hoewel het zogenaamde Fraktur-schrift al sinds de 16de eeuw het meest gebruikte lettertype was in Duitsland en het in januari 1941 verboden werd, omdat het Joodse invloeden zou hebben. Zie https://de.wikipedia.org/wiki/Fraktur_(Schrift)
[2] Hendrik De Man. Een man met een plan, Antwerpen, Polis, 2018, blz. 328.
[3] Zie Zeev Sternhell, Ni droite ni gauche. L’idéologie fasciste en France, Seuil, Parijs, 1983, blz. 34-38. De stelling van Sternhell gaat alvast niet op voor de Italiaan Carlo Rosselli die zijn ethische herziening van het marxisme koppelde aan een consequent antifascisme. Zie mijn Voor alles komt de daad. De broers Rosselli tegen Mussolini, Ertsberg, Antwerpen, 2025.
