Thomas Mann had een zwager in België. Deze Peter Pringsheim voer mee op de golven van de wereldgeschiedenis tussen Duitsland, Australië, België en Amerika. Die Belgische connectie had te maken met Emilia of ook wel Emmeke Clement, die na haar korte en stormachtige relatie met Paul van Ostaijen, de vrouw van Pringsheim werd. In Brussel en Antwerpen lieten ze sporen na van een vergane cultuur en connecties. Hoewel we al heel veel weten over Thomas Mann en Paul van Ostaijen en ook heel wat over Peter Pringsheim en zijn familie, gaan we hier in op twee minder bekende aspecten: zijn relatie met Mann en zijn wedervaren aan de zijde van Emmeke in en ook buiten België.
Geest en geld
In 1881 werd Peter Pringsheim geboren als tweede van vijf kinderen van Alfred Pringsheim en Hedwig Dohm. Vader was telg van een familie van steenrijke industriëlen en hoogleraar wiskunde aan de universiteit.[1] Moeder, een voormalige actrice, kwam uit een literair milieu met enige faam en was de dochter van Hedwig Schlesinger, een pionier van het feminisme. Hun neorenaissance paleis in de chique Arcisstrasse nabij de Königsplatz in München was een trefpunt voor de maatschappelijke en culturele elite (weliswaar op de toen nog relevante hogere adel na), onder wie heel wat beroemdheden. Het herbergde naast kunst en een uitgebreide bibliotheek de grootste privéverzameling van antiek majolica-aardewerk.

Palais Pringsheim, München
https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Palais_Pringsheim_3.jpg#
De oudste zoon Erik werd jurist, maar stierf een vroege en geheimzinnige dood in Zuid-Amerika. Zijn broers Heinz en Klaus kozen voor een muzikale loopbaan. Heinz was ook opgeleid als archeoloog. Klaus vervolmaakte zich als dirigent aan de zijde van Gustav Mahler, die zelf zoals vele andere en vaak even beroemde musici te gast was in het huis van zijn ouders. Peter trad als fysicus in de wetenschappelijke voetsporen van hun vader. De tweelingzus van Klaus en enige dochter in het gezin, Katharina (kortweg Katia genoemd), wijdde haar leven aan een huwelijk met de later wereldberoemd geworden schrijver en winnaar van Nobelprijs voor literatuur Thomas Mann. Ze werd diens steun en toeverlaat, emotioneel en zakelijk.
Mann kende haar eigenlijk al toen hij veertien was en nog in het Noord-Duitse Lübeck woonde, waar aan de muur van zijn kamer een reproductie hing van het schilderij Kindercarnaval van August Kaulbach uit 1888. Deze schilder was een goede bekende van Alfred en Hedwig Pringsheim en had in dat werk hun vijf kinderen verkleed als pierrot afgebeeld. Het werd erg populair en tot ver over de landsgrenzen waren er afbeeldingen van te vinden. Als jongeman en aankomend schrijver in München observeerde Mann Katia op concerten, omgeven door de falanx van haar broers, en raakte geïntrigeerd. Pas toen hij bij de Pringsheims thuis kwam, herkende hij het schilderij en vernam hij dat het zijn toekomstige vrouw en zwagers waren die vanaf het doek de toeschouwer aankeken.[2] De rest werd de geschiedenis van een moeizaam bevochten verloving en een lang en solide, maar ook wel merkwaardig huwelijk.
Huize Pringsheim was alvast een huwelijk van topwetenschap, hoge cultuur en heel veel geld. Op zijn literaire schoonzoon had Alfred het dan wel minder begrepen, maar als gepassioneerde muziekliefhebber traden zijn ouders op als mecenas van Richard Wagner en diens operafestival in het Beierse Bayreuth. Zelf heeft hij nog geduelleerd met iemand die volgens hem de vereerde Meister had beledigd.
De Pringsheims ontsnapten in 1933 nochtans niet aan de machtsgreep van een andere fervente Wagneriaan. Hitler en zijn nationaalsocialisten hebben hen verjaagd en financieel geruïneerd. Hun paleis moest plaats maken voor een monumentaal nazigebouw waar in 1938 het Verdrag van München werd ondertekend, waarmee Engeland en Frankrijk het Sudetenland prijsgaven, dat verhuisde van Tsjechoslowakije naar het Duitse Rijk. (De ruimte waarin dat plaatsvond zou ter hoogte van de vroegere muziekzaal van de Pringsheims zijn geweest.) Het was de opmaat voor nog vele Duitse veroveringstochten en een catastrofale Tweede Wereldoorlog die uiteindelijk ook Duitsland achterliet als een materiële en morele ruïne. Terwijl de onteigening en liquidatie van hun woning geen specifiek anti-Joodse maatregel was, want vele andere panden in die straat moesten er net zo goed aan geloven, gold dat niet voor de oplopende vervolging en pesterijen daarna. Zo werd een groot deel van het familievermogen geroofd, waaronder de unieke majolicaverzameling die werd geveild en verspreid over verschillende collecties.
Australië – Duitsland – België
Tegen die tijd bevond Peter Pringsheim zich al lang niet meer in zijn vaderland. De nieuwe machthebbers hadden een einde gemaakt aan zijn professoraat in de fysica aan de universiteit van Berlijn.
Twee decennia daarvoor, bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914, was hij al eens in het vizier gekomen van de politieke macht, toen van het Britse Rijk. In augustus van dat jaar nam hij deel aan een wetenschappelijk congres in het Australische Melbourne en werd van oktober 1914 tot juli 1919 geïnterneerd in Trial Bay als onderdaan van een vijandige mogendheid. Hij ondertekende weliswaar een verklaring met de belofte in ruil voor vrijlating de wapens niet op te nemen tegen Groot-Brittannië, maar daar kwam het niet van omdat opmerkingen in een brief van een medegevangene ook zijn verklaring twijfelachtig maakten. Het kamp, gelegen op een schiereiland in New South Wales, was bestemd voor meer prominente gevangenen en bood hun weliswaar een allerminst comfortabel leven, maar wel tamelijk veel vrijheid. Het liet Pringsheim in elk geval toe een wetenschappelijke publicatie over luminescentie voor te bereiden die de basis legde voor zijn naoorlogse academische carrière. Na een zware zeereis, waarbij twintig dodelijke slachtoffers van de sinds 1918 heersende grieppandemie van het varende schip overboord werden gegooid, keerde hij in de zomer van 1919 terug in het inmiddels verslagen Duitsland. Daar kon hij zijn traject als wetenschapper vlot en met de steun van vooraanstaande vakgenoten hervatten.[3]
Nog voor zijn benoeming in 1930 tot voltijds hoogleraar aan de universiteit van Berlijn, waaraan in 1922 al een tijdelijke aanstelling als buitengewoon hoogleraar was voorafgegaan, vond hij daar zijn huwelijkspartner: de Vlaamse Emilia (Emma) Clement, de ex van dichter en activist Paul Van Ostaijen. ‘Emmeke’ en ‘Polte’ waren nauwelijks een jaar samen geweest toen ze bij de bevrijding van België in 1918 van Antwerpen waren gevlucht naar de Duitse hoofdstad.[4]
Van Ostaijen heeft niet alleen met revolutionaire poëzie in bundels die tijdens de oorlog begonnen te verschijnen de Vlaamse dichtkunst willen heruitvinden, daarbij sterk geïnspireerd door de Duitse modernisten. Ook, en geenszins vreemd aan die literaire onderneming, schaarde hij zich met woord en daad aan de zijde van de Vlaamse activisten die met Duitse hulp het in zijn ogen overjaars burgerlijke en Fransdolle België wilden onttakelen. Ook zijn vriendin Emmeke heeft zich aangeschurkt tegen de Duitse bezetter en in haar geval viel dat ook wel letterlijk te nemen. Maar na een korte terugkeer naar België in 1923 ruilde ze nog datzelfde jaar de armtierige Polte, met wie ze tot aan diens dood in 1928 – ten gevolge van tuberculose – liefdevolle brieven bleef uitwisselen en die ze ook nog wel eens zag, in voor de Bildungsbürger Pringsheim.
Peter en Emmeke hadden elkaar ontmoet toen ze bij het Berlijnse modehuis Hammer werkte als verkoopster en model. Het was een ingrijpende decorwissel: van de sjofele avant-garde in een mengsel van Nederlands en Antwerps dialect naar de verhevener academische en Goetheaanse sfeer van de families Pringsheim en Mann. Hoewel haar schoonmoeder aanvankelijk sceptisch was over de ‘mannequin’ van Peter en niemand van de familie de bruiloft op 8 december 1923 bijwoonde, heeft ze haar schoondochter uiteindelijk toch als ‘heel sympathiek en aantrekkelijk’ in de armen gesloten. Er volgden zelfs gemeenschappelijke reizen door Europa. In 1926 vertoefde ze met de familie Mann, de schrijver Gerard Hauptmann en Pamela, de dochter van diens collega Frank Wedekind, aan de Oostzee. Al sprak Emmeke slechts gebroken Duits, wat mettertijd ook gold voor haar Nederlands, en waagde ze het zelfs niet brieven in die taal te schrijven, en al stelden haar jaren aanslepende maagproblemen en neiging tot ‘hysterie’ haar omgeving soms op de proef, lijkt ze toch aanvaard te zijn.[5] Emmeke heeft de hartelijke ontvangst in haar schoonfamilie, die haar liet delen in haar rijkdom en cultuur, kort na haar huwelijk zelf bevestigd. Haar man noemde ze ‘buitengewoon goed’, hoewel die zelf niet geheel en al opgezet was met de ontmoetingen tussen haar en Paul.[6]
Tien jaar heeft dat comfortabele Berlijnse leven geduurd. De luthers gedoopte Pringsheim bleef echter net als zijn andere geassimileerde familieleden voor de nazi’s onverminderd Joods en daarom was de wet van 7 april 1933 die Joodse ambtenaren op pensioen stelde ook op hem van toepassing. Hij verloor niet alleen zijn academische positie, maar zijn vaderland was zonder meer vijandig gebied geworden. Het was een schrale troost dat Mann in het feit dat het werkcollege van Peter massaal werd bezocht onafhankelijkheid en vrijheid van geest bij vele studenten wilde ontwaren.[7]
De kaltgestellte professor nam nog in oktober van datzelfde jaar de wijk naar het land van zijn echtgenote. Daar kon hij begin 1934 een aanstelling bemachtigen in het natuurkundig instituut van Auguste Piccard (het model voor professor Zonnebloem in de Kuifje-albums van Hergé) aan de Université Libre de Bruxelles (ULB). Het echtpaar nam zijn intrek in een woning op nummer 16 van het Joséphine-Charlotte-Plein in Sint-Lambrechts-Woluwe, een toen nog recent bebouwde omgeving met een traditioneel burgerlijke stijl en atmosfeer. Elk jaar moest hij, die als Duitse emeritus nog altijd een pensioen van de overheid ontving, aan het wetenschapsministerie in Berlijn een verlenging aanvragen voor zijn steeds tijdelijke aanstelling in Brussel.[8] Vanuit België bleven hij en zijn vrouw zijn ouders in München en het zomerhuis dat hij in het iets zuidelijker gelegen Ebenhausen in 1934 had gekocht, regelmatig bezoeken en helpen bij de vele problemen die het nieuwe regime opwierp. Tot in 1938, toen zijn Duitse paspoort niet meer werd verlengd en hij bovendien het huis van de hand moest doen omdat Joden geen vastgoed meer mochten bezitten.
Ook Germaine, de dochter van Emmeke uit haar eerste huwelijk met Michel Willaert, en haar verloofde Arie Adriaensen gingen in 1936 op visite, maar die laatste viel onder meer wegens zijn belabberde Duits niet meteen in de smaak. Germaine aanvankelijk iets meer, maar met haar moeder Emmeke waren de verhoudingen niet optimaal. De afstand tussen beiden was misschien veroorzaakt doordat Emmeke bij haar vertrek uit België in 1918 haar toen vijfjarige dochter had achtergelaten. Later maakte de houding van Peter tegenover de ondertussen jongvolwassen Germaine haar jaloers, wat volgens moeder Pringsheim niet eens helemaal onterecht was. Na nog maar eens een hoogoplopende scène tussen Emmeke en Germaine was nochtans ook voor haar de maat vol, zoals ze op 30 september 1934 aan haar dochter Katia schreef: ‘Afgezien van haar voortdurende gezeur en ongerechtvaardigde eisen, is ze een kwaadaardige vrouw en Peter haar nederige lijfeigene.’[9]
Zulke incidenten hebben de relatie Brussel-München uiteindelijk niet verbroken. Tot 1939 ontving Peter financiële ondersteuning van zijn nog altijd bemiddelde ouders, tot hun rekeningen werden geblokkeerd en Peter en Emmeke met hun geslonken middelen een kleinere woning in Elsene moesten betrekken.[10]

Peter Pringsheim
Johan Hagemeyer photograph collection, © The Regents of the University of California, The Bancroft Library, University of California, Berkeley. This work is made available under a Creative Commons Attribution 4.0 license.
België – Amerika en terug
Toen de Duitsers op 10 mei 1940 voor de tweede keer binnenvielen, pakten niet zij de uitgeweken Pringsheim op, dat deed de Belgische staatsveiligheid. Die vond het aangewezen om net als op het grondgebied verblijvende Duitsers en potentiële landverraders van eigen bodem ook vervolgden en verjaagden zoals Pringsheim te arresteren en op de trein naar Zuid-Frankrijk te zetten. Zo belandde hij in het Franse gevangenenkamp Gurs, ten noorden van de Pyreneeën. De familie tastte een tijd in het duister over waar hij uithing en het nieuws dat ze uiteindelijk ontving, beloofde niets goeds. Redder in nood was zijn schrijvende zwager, die over contacten tot in de hoogste kringen in Washington beschikte. In 1941 zou het echtpaar Mann zelfs bij president Franklin D. Roosevelt en diens vrouw Eleanor in het Witte Huis gaan logeren. Ook Mann had Duitsland verlaten en woonde sinds 1938 in de Verenigde Staten.
Net als de Pringsheims was hij voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog een overtuigde conservatieve Duitse patriot geweest en hij had zelfs felle geschriften gewijd aan de verdediging van het keizerrijk en zijn strijd tegen de geallieerden, waarin hij ook de overval op het neutrale België niet had willen veroordelen. Het meest bekende en beruchte daarvan is Betrachtungen eines Unpolitischen (Beschouwingen van een onpolitiek mens) uit 1918, waarover de volgens hem ‘nationalistische en reactionaire’ Peter het jaar daarop nog ‘met veel warmte’ sprak. Helemaal in de geest van dat boek over hoe anders de Duitse cultuur wel was vergeleken met het Westen, hielden beiden onder elkaar bespiegelingen over het contrast tussen het Engelse utilitarisme en het Duitse idealisme. Hoewel Peter net als zijn vader weigerde het ideeëngoed van de filosoof Arthur Schopenhauer ernstig te nemen, tot grote ergernis van Mann voor wie dat net heel veel betekende, konden beide zwagers het in ideologisch opzicht een tijdlang goed met elkaar vinden. Toen Mann zijn cultuurnationalisme en antidemocratisch conservatisme nog volop aan het verwerken was in het manuscript van zijn grote roman De Toverberg (Der Zauberberg), las hij onder meer zijn zwager daaruit voor. Ook later bekende Peter zich bepaald niet tot het linkse kamp en evenmin voelde hij met zijn klassieke artistieke smaak iets voor het antiburgerlijke expressionisme.[11] In tegenstelling tot Thomas Mann en diens scherpzinnige zoon Golo, die later naam zou maken als historicus, was hij zelfs in 1933 nog altijd bereid geloof te hechten aan de goede bedoelingen van Hitler. Golo vatte het jaren later samen in de volgende dialoog tussen oom en neef over een rede waarin de Duitse dictator zijn vredevolle intenties bezworen had:
‘Nu, wat zeg je van Hitlers nieuwe rede? Knap, nietwaar?’
‘Ja, wel knap, maar toch alles gelogen.’
De hoogontwikkelde, tamme scepticus: ‘Hoe weet je dat zo zeker?’[12]
Het is een tragisch voorbeeld van hoe ook leden van families met Joodse wortels zich vanwege hun assimilatie, vaderlandsliefde en sociale positie te lang veilig waanden en niet doorhadden of door wilden hebben wat er aan het gebeuren was.
Wat Thomas Mann aangaat, hij heeft de republiek van Weimar die op de nederlaag volgde en de eerste echte Duitse democratie vormde, uiteindelijk kranig ondersteund. Nu was hij één van de eersten om te waarschuwen voor de interne belagers van die nieuwe staat: extreemrechts en meer bepaald het nationaalsocialisme als de meest succesvolle en bedreigende belichaming daarvan. Als balling na 1933 ontpopte hij zich geleidelijk en niet zonder aarzeling tot de breed erkende woordvoerder van het ‘goede Duitsland’, een concept waarin hij zelf nochtans niet geloofde: de geniale hoogten en ongezien duistere diepten van de Duitse natie en haar cultuur waren voor hem onverbrekelijk met elkaar verbonden. Zijn ballingschap was overigens begonnen met een eigenzinnige lezing over Wagner, de muzikale held van Hitler, die hij behalve in Amsterdam en Parijs ook in Brussel had gegeven en die aan het thuisfront in het verkeerde keelgat was geschoten.
Door bemiddeling van Mann kon Peter Pringsheim vanuit Gurs ontkomen naar de VS. Het echtpaar Mann had samen met de Duitse Nobelprijswinnaar natuurkunde James Franck een academische positie voor Peter in Berkeley in Californië weten op te zetten. Dat liet hem volgens de Amerikaanse immigratiewetgeving toe in te reizen en zo kon hij in december 1940 het kamp verlaten en begin 1941 aan de andere kant van de Atlantische Oceaan een nieuw hoofdstuk beginnen. Hij ontsnapte aan het lot van vele medegevangenen die werden afgevoerd naar Duitse vernietigingskampen. Na afloop van zijn positie in Berkeley in 1942 kon Peter in Chicago en Pasadena als wetenschapper aan de slag. In 1944 werd hij evenals Mann Amerikaan. Zijn vrouw Emma bracht de oorlog door bij haar dochter in Borgerhout, haar oude thuishaven, en in Deurne bij Antwerpen. Ondanks haar verworven Duitse nationaliteit hield ze zich deze keer ver van haar ongenode landgenoten. Haar schoonzoon kwam in 1944 om in een Duits concentratiekamp vanwege contacten met het verzet.[13]
De Peters en de wereldauteur
Peter kon af en toe gaan opwarmen bij de Manns en er Kerstmis gaan vieren. Mann was neergestreken in Californië, waar hij een villa in Pacific Palisades liet bouwen, te midden van een kolonie van Duitstalige emigranten, zoals zijn eveneens schrijvende broer Heinrich, hun literaire collega’s Franz Werfel met diens vrouw Alma Mahler-Werfel en Lion Feuchtwanger, de dirigent Bruno Walter en de filosoof Theodor Adorno. Bij een bezoek aan Berkeley, waar Mann in 1941 een eredoctoraat ontving, werd hij door Peter ingewijd in de atoomsplitsing, die hem deed huiveren. In 1945 huiverde de hele wereld na de bombardementen op Hiroshima en Nagasaki met hem mee. Kort na die aanvallen liet hij zich door zijn zwager uitgebreid informeren over atoomexplosie en met hem en anderen volgden gesprekken over het atoomtijdperk waarin de wereld was terechtgekomen.[14] De roman Doktor Faustus van Mann, waarin hij deze keer de verscheurende ervaringen van de Tweede Wereldoorlog en de lange geestelijke aanloop daarvan in Duitsland probeerde te verwerken, lijkt mede beïnvloed door natuurkundige inzichten waarmee zijn zwager hem vertrouwd maakte.
Peter had een hechte band met zijn zuster en zwager en kwam ook voor en na hun Amerikaanse bestaan vaak bij hen over de vloer. Sinds zijn huwelijk was dat met Emmeke, behalve toen hij in Amerika verbleef en zij in België. Hij bracht ook een keer haar dochter Germaine mee.[15] Mann tekende die visites op in zijn dagboeken, de haast dagelijks bijgehouden kroniek van zijn leven, maar vernoemde Emmeke zelden bij naam. Het bleef meestal bij zoiets als ‘Peter en zijn vrouw’ of ‘de Peters’. In de enige beschrijving die hij van haar gaf ging het over niet meer dan ‘de gedistingeerd grijs geworden vrouw’ van Peter.[16] Dat was in 1936, toen zij 43 was. Nu maakten vrouwen op Mann niet zo gauw een grote indruk en het kon bij hem altijd nog erger dan niet worden vernoemd, zoals de door hem misprezen eega van zijn broer Heinrich overkwam. Hij schreef uitzonderlijk letterlijk over ‘Emmeke’ nadat het echtpaar in maart 1946, na de scheiding van de oorlogsjaren, in Amerika verenigd was.[17] Later maakte hij eens de cryptisch observatie dat ‘de vrouw’ van Peter voorafgaand aan een verjaardagsfeestje ‘ophef gemaakt had’ (‘Umstände gemacht hatte’).[18] Was er ruzie geweest of had ze teveel vertoon of drama gemaakt?
De enige keer dat Emma zijn toorn opwekte, was toen ze haar man er in 1947 blijkbaar toe wilde overhalen terug te gaan naar Duitsland, en waaraan hij uiting gaf in bewoordingen die doen denken aan wat zijn schoonmoeder in 1934 over het paar schreef: ‘De vrouw van de zwakke Peter, kwaadaardige oude doos (‘böse Schachtel’), wil hem naar Duitsland trekken.’[19] Mann had ook toen met zijn verslagen vaderland, dat hem buiten had geschopt, nog geen vrede gesloten en hij dacht er niet aan om er zelf weer te gaan wonen. Van tussen de Duitse puinhopen kreeg hij dan weer bittere verwijten toegestuurd hoe gemakkelijk het wel was geweest om vanuit zijn comfortabele ballingsoord kritiek uit te oefenen op het reilen en zeilen in nazi-Duitsland. Vandaar zijn bitse reactie op zijn Belgisch-Duitse schoonzuster. Het was overigens wel merkwaardig dat uitgerekend de van origine Belgische Emmeke haar van origine Duitse man zou hebben proberen te overtuigen van zo’n terugkeer, het land waar ze na haar verkeerd afgelopen avonturen in het Antwerpen van de Eerste Wereldoorlog was aangespoeld en waaruit ze daarna met haar man was verdreven.
Hoe dan ook was ze voor Mann niet meer dan een fletse figurant op het drukbezette podium van zijn leven als wereldbefaamd schrijver en publieke intellectueel. Over haar aanvaarding in zijn verheven milieu valt uit zijn aantekeningen niets op te maken, omdat ze daarin als niet veel meer dan een schim verschijnt.
Duits Antwerpen
Peter ging in 1954 met pensioen. Hij sloot een productieve, maar zeer bewogen loopbaan af, die hem toch tot op vandaag erkenning heeft opgeleverd. Tegenover zijn zwager bekende hij evenwel dat hij te ruime interesses had – en dat was door de jaren heen inderdaad ook gebleken uit hun gesprekken over literatuur, politiek en andere thema’s en hun bezoek aan theater, opera en concerten – om het ‘fanatisme’ op te brengen dat je tot ‘Nobelprijs-geleerde’ maakt. Hij had goede prestaties geleverd, maar eclatante ontdekkingen, nee, die had hij niet gedaan.[20]
Nu zijn professionele loopbaan afgerond was, gingen hij en zijn vrouw terug naar Europa. Niet naar Duitsland, maar naar België, al was dat (integendeel tot wat voor de hand lijkt te liggen) dus niet haar eerste keuze. Deze keer gingen ze wonen aan de Jan Van Rijswijcklaan in Antwerpen op nummer 164, in een rijzig appartementsgebouw dat dateerde van twee jaar na de Wereldtentoonstelling in 1930, toen België een nieuwe sprong voorwaarts in de moderniteit had willen zetten en de rampspoed van daarna nog niet onafwendbaar had geleken.[21] Het leven van Peter Pringsheim dat was begonnen in neorenaissance landde in art deco. Het was vanuit Antwerpen dat hij en Emmeke Mann in het Nederlandse Noordwijk voor de laatste keer bezochten, toen die daar vakantie hield. Daar werd hij ernstig ziek en hij overleed kort na zijn repatriëring naar Zürich.[22]

Jan Van Rijswijcklaan 164 in Antwerpen
Bron: https://id.erfgoed.net/afbeeldingen/539049
Hun nieuwe adres lag in een statige buurt en niet ver daarvandaan waren aan het begin van de eeuw heel wat leden van Antwerpens uitgebreide Duitse kolonie gevestigd geweest. Paul Schulze-Naumburg, een bij de Duitse upper class graag geziene traditionalistische architect die ook bij het nazibewind in hoog aanzien kwam te staan, liet er zijn sporen na. Voor de zakenlieden en neven Walther Eugen Villinger en Emil Zeller, die in Antwerpen een import-exportbedrijf uitbaatten, ontwierp hij er nog voor de Eerste Wereldoorlog grootse neoklassieke stadsvilla’s, waarvan er één in meer recente tijd in gebruik was door het Franse consulaat.[23] Het was dezelfde Schulze-Naumburg die voor kroonprins Wilhelm, oudste zoon van de laatste Duitse keizer Wilhelm II, in Potsdam de neo-Tudor villa Cäcilienhof heeft gecreëerd. Daar zou de naoorlogse conferentie van Potsdam plaatsvinden waar de geallieerden over het lot van het naoorlogse Europa beslisten. Twee Duitse residenties, één in München en één nabij Berlijn, de ene verbonden met de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog en de andere met het afsluiten daarvan, en beide zo nabij één man die erdoor op de dool moest.
Zo stierf Peter Pringsheim in 1963 als Antwerpenaar. Van de Duitse kolonie viel toen behalve een reeks Duitse familienamen niet veel meer te bespeuren. Sporen van de Duitse en wereldgeschiedenis, waarvan Peter Pringsheim de vaak paradoxale wendingen mee had ondergaan, heeft hij meegenomen naar zijn nieuwe thuisland. Ze sluimeren nu alleen nog verstomd in goed opgeborgen archiefstukken en aan een paar markante gevels in Brussel en Antwerpen.
Olivier Boehme is historicus en auteur van meerdere monografieën en andere publicaties. In zijn boek Europa, een geschiedenis van grensnaties (2016) speelt Thomas Mann een prominente rol. Over hem verscheen ook zijn artikel ‘Politiek en (homo-)erotiek: de casus Mann’ in De Nederlandse Boekengids (2017).
[1] Over Alfred Pringsheim, zijn achtergrond en wereld (inclusief het stadspaleis in München), zie: K. C. Hannabuss, ‘The Complex Life of Alfred Pringsheim’, in: The Mathematical Intelligencer, vol. 44, nr. 3 (2022), blz. 215-224. (https://doi.org/10.1007/s00283-021-10129-y)
Voor de relatie van Mann met zijn schoonfamilie en andere biografische informatie over hem verwijs ik naar één van de belangrijkste biografieën over hem: H. Kurzke, Thomas Mann. Das Leben als Kunstwerk. Eine Biographie, Fischer Taschenbuch Verlag, Frankfurt a.M., 2013.
[2] K. Mann, Meine ungeschriebenen Memoiren (E. Plessen en M. Mann red.), Fischer Taschenbuch Verlag, Frankfurt a.M., 2004, blz. 21 en 23.
[3] Over P. Pringsheim zie: J. N. Bade, ’From internment in Trial Bay to exile in Berkeley: the German physicist Peter Pringsheim and his connection with Australia’; in: Historical Records of Australian Science, 36 (2025) (https://doi.org/10.1071/HR24006) Het artikel gaat grondig in op zijn wetenschappelijke loopbaan en vermeldt ook de hulp die hij van Mann kreeg en zijn connectie met België, maar de weergave van die laatste is niet helemaal accuraat en wordt evenals als zijn relatie met Mann slechts gedeeltelijk behandeld. Over de zeereis: Th. Mann, Tagebücher 1918-1921, Fischer Taschenbuch Verlag, Frankfurt a.M., 2003, blz. 286.
[4] Voor de geschiedenis van Ostaijen en Clement, inclusief haar kennismaking en huwelijk met Pringsheim in Berlijn, zie: M. De Ridder, Paul van Ostaijen. De dichter die de wereld wilde veranderen, Pelckmans- Querido Facto, Kalmthout-Amsterdam, 2023, blz. 461 e.v. ; M. Reynebeau, Dichter in Berlijn. De ballingschap van Paul van Ostaijen (1918-1921), Globe/De Prom, Groot-Bijgaarden 1995, blz. 215-217 en Idem, inleiding en annotaties in: Ik heb je nog steeds zeer lief. Paul van Ostaijen en Emma Clément: een liefde in brieven (1922-1928), Poëziecentrum, Gent 1996.
[5] Hedwig Pringsheim, Tagebücher. Band 7: 1923-1928 (C. Herbst red.), Wallstein Verlag, Göttingen 2018, blz. 29, 97 en 112; Band 9: 1935-1941, 2021, blz. 52.
[6] Brief Emma aan Paul, 1 februari 1924, blz. 37. Emma vermeldt de reis aan de Oostzee in haar brief aan Paul van zomer 1926, nlz. 61. Over de ontstemming van Peter: brief van Emma aan Paul van tweede helft februari 1925, blz. 42. Voor deze andere vermelde brieven tussen beiden, zie: Ik heb je nog steeds zeer lief (waarnaar de paginavermelding verwijst).
[7] Th. Mann, Tagebücher 1933-1934, blz. 83.
[8] Gegegens over immigratie en verblijf in België van beiden uit: Stadsarchief Antwerpen, vreemdelingendossiers met inventarisnummers 481#320874 (P. Pringsheim) en 988#5355 en 994#6516 (E. Clement); adresboeken Antwerpen (https://dams.antwerpen.be/asset/n2ZbVOjpaSlNPUU3IiKGU5OG); H. Pringsheim, Tagebücher. Band 8: 1929-1934, 2019, blz. 39 en 791; idem. 1935-41, blz. 826.
[9] Pringsheim, Tagebücher 1929-34, blz. 39-40 (mijn vertaling van het citaat). Emmeke gaf nog in 1925 tegenover Paul van Ostaijen toe dat ze een ‘jaloers wezen’ was, ook met betrekking tot hem dus: brief Emma aan Paul van maart 1925, blz. 50.
[10] Voor de verhoudingen van Peter en Emmeke met het ouderlijk huis in München sinds 1923, zie: Pringsheim, Tagebücher 1935-1941, blz. 49-53. De woning in Elsene lag volgens het Antwerpse vreemdelingendossier van Emmeke aan de Armand Huysmansstraat 21. Het gaat echter niet om een straat, maar om een laan en in tegenstelling tot de vermelding in het dossier betrokken ze die woning (het gaat om een klein appartementsgebouw) pas in 1939.
[11] Mann, Tagebücher 1918-1921, blz. 286, 352, 359 en 502. Over Alfred en Peter versus Schopenhauer: G. Mann, In de schaduw van de tovenaar. Een jeugd in de Duitse storm (vert. Th. Graftdijk en P. Beers), De Arbeiderspers, Amsterdam, 1986, blz. 172-173. Over politieke ideeën en artistieke smaak van Peter: brief Emma aan Paul zomer 1926, blz. 61 en idem van 1 februari 1924, blz. 37.
[12] Mann, In de schaduw, blz. 430.
[13] ‘Inleiding’, in: Ik heb je nog steeds zeer lief , blz. 30.
[14] Mann, Tagebücher 1940-43, blz. 243 en 1944-46, blz. 240 en 264.
[15] Voor het bezoek van Peter en Germaine aan de Manns in hun ballingsoord Zwitserland in 1934 zie: Mann, Tagebücher 1933-34, blz. 514.
[16] Mann, Tagebücher 1935-36, blz. 372.
[17] Mann, Tagebücher 1944-46, blz. 313.
[18] Mann, Tagebücher 1946-48, blz. 119.
[19] Mann, Tagebücher 1946-48, blz. 156.
[20] Mann, Tagebücher 1951-52, blz. 112.
[21] Zie voor de bouwgeschiedenis: https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/6959 .
[22] Mann, Tagebücher 1953-55, blz. 357.
[23] Zie https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/6555 en Hotel Zeller | Inventaris Onroerend Erfgoed.
