‘Vermomde Italianen’? Een triomfboog in Zuid-Tirol

De noordelijke uitstraling van de stad wordt mediterraans. Over tien jaar of minder zal het moeilijk zijn het oude Bozen te herkennen in het nieuwe Bolzano..

Galeazzo Ciano, 1 november 1938[1]

 

Ik houd van grensstreken, plekken waar talen, culturen, gewoonten samenvloeien. Streken waar mensen in één zin wisselen van taal, waar plaats- en eigennamen herinneren aan een linguïstische ondergrond, terwijl de spreektaal tot een andere groep behoort, waar de lokale keuken verschillende invloeden kent, enzovoort. In België is het drielandenpunt met Duitsland en Nederland zo’n regio: je hoort er op straat Frans, Duits, het lokaal Germaans dialect en soms ook Nederlands door elkaar. Ook de Elzas, dat stuk Frankrijk dat zo Duits aanvoelt, en Südtirol, of Alto Adige, zijn streken waar verschillende culturen en talen vorm geven aan het dagelijks leven. Die meervoudigheid valt de bezoeker meteen op in het straatbeeld, op verkeers- en reclameborden, op menu’s in restaurants, en zo meer.

Maar het harmonisch samenleven dat we er vandaag vaststellen is vaak het resultaat van een donkere geschiedenis van spanningen en conflicten tussen gemeenschappen. In augustus 2026 bezoek ik het stuk Tirol dat tot Italië behoort. Ik neem mijn intrek in een hotel waarvan de naam alleen al – Rotwand – me niet de indruk geeft in het land van de dolce far niente te zijn. De receptioniste spreekt me aan in het Italiaans, maar aan de telefoon spreekt ze perfect Duits en met collega’s een Germaans dialect. Overigens is ook het Ladinisch, gesproken door een kleine 5% van de bevolking, hier een officiële taal.[2]

’s Anderendaags verken ik Bolzano (of Bozen), hoofdstad van de gelijknamige provincie. Ook hier valt het multiculturele karakter meteen op. De architectuur is centraal-Europees en het kloppend hart van de stad heet piazza Walther, naar de minnezanger Walther von der Vogelweide die, volgens sommige historici, afkomstig zou zijn uit de streek. Sinds 1889 – de streek behoorde toen nog tot de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie – prijkt zijn standbeeld hier, geflankeerd door twee stoere leeuwen, in de stijl van de heroïsche, eind negentiende-eeuwse beeldhouwkunst. Ik loop verder naar het westen, door de historische binnenstad, waar souvenirwinkeltjes en trattoria’s vechten om de aandacht van flanerende toeristen. Ik passeer het archeologisch museum waar sinds 1998 de mummie van Ötzi te zien is, de jager die 5300 jaar geleden niet zo ver van hier aan zijn einde kwam. Dan bots ik op de Talvera (of Talfer), de rivier die het historisch centrum afscheidt van recentere wijken. Mijn oog valt op een indrukwekkende, zeg maar pompeuze triomfboog aan de overkant van de brug. Eens te meer ervaar ik wat iemand ooit ‘the stopping power of monuments’ noemde, een kracht waarvoor ‘donkere toeristen’[3] gevoelig zijn. Waarom zo’n triomfalistisch monument in het midden van de stad? Ik steek de brug over in een verzengende zon – het is de zomer van de opeenvolgende hittegolven – en op het tweetalige straatbord lees ik ‘piazza della Vittoria/Siegesplatz’. Triomfbogen stralen trots uit. Wiens eergevoel wordt hier gestreeld? Wiens overwinning wordt hier bezongen?

 

‘Vermomde Italianen’

Je kunt het monument alleen maar begrijpen als je iets weet over de bewogen geschiedenis van de streek.[4] De provincie Bolzano vormt samen met de Italiaanstalige provincie Trento de regio Trentino/Alto Adige. Dat het zuiden van Tirol Italiaans is geworden heeft alles te maken met de afloop van de Eerste Wereldoorlog. In mei 1915 treedt Italië in de oorlog aan de zijde van de Entente – Frankrijk, Groot-Brittannië en Rusland. In een geheim, in Londen ondertekend pact heeft het de garantie gekregen dat Trentino en Zuid-Tirol na de overwinning Italiaans zullen worden. Maar dat botst op de naoorlogse principes over het zelfbeschikkingsrecht van volkeren van president Woodrow Wilson. Opgezweept door hun nationalistische achterban dringen de Italianen aan en de Amerikaanse president gaat overstag. Zoals vaak is de beslissing het gevolg van een koehandel: Italië eist ook Dalmatië op, maar dat moet volgens Wilson en de Franse premier Clemenceau naar het nieuwe koninkrijk van Serviërs en Kroaten gaan, het latere Joegoslavië. Zuid-Tirol is dan de troostprijs. Bovendien halen de Italianen een strategisch motief aan: een grens aan de Brennerpas zou het land militair veiliger maken tegenover een eventuele dreiging van een Oostenrijk dat ooit wel eens zou kunnen samengaan met Duitsland. Bijgevolg kent het verdrag van Saint-Germain van september 1919 behalve Trentino ook Zuid-Tirol toe aan Rome, hoewel de bevolking er cultureel en taalkundig niets met Italië te maken heeft.

Voor de Zuid-Tirolers is de overname door de voormalige vijand een trauma, vooral vanaf oktober 1922, wanneer Mussolini premier wordt. Voor hem is het Duitstalige karakter van de streek een historische vergissing: in een toespraak voor het parlement in juni 1926 beweert hij dat de inwoners pas sinds een eeuw een Germaans dialect spreken. Bijgevolg zijn ze ‘vermomde Italianen die zichzelf moeten herontdekken’.[5] Italiaans wordt de enige ambtelijke taal. De rechtspraak volgt: beklaagden worden gevonnist in een taal die ze niet meester zijn. Willen ze een tolk inschakelen, dan moeten ze die zelf bekostigen. Fascistische milities organiseren raids op Bolzano waarbij doden vallen. Op 15 juli 1923 geeft politicus, geograaf, alpinist Ettore Tolomei in het theater van Bolzano een lezing met als titel Provvedimenti per l’Alto Adige of Maatregelen voor Alto Adige. Afkomstig uit Trentino – hij is dus zelf een voormalig Oostenrijks onderdaan – is hij een fanatieke voorvechter van de assimilatie van de Zuid-Tirolers of, in zijn woorden, de ‘Altoatesini’ of inwoners van Alto Adige – want de naam Tirol zelf mag niet meer worden gebruikt.

De maatregelen van Ettore Tolomei, die worden goedgekeurd door de Grote Raad van het fascisme, houden onder meer in dat Duitstalige partijen, culturele en sportieve verenigingen worden opgedoekt en dat ambtenaren die het Italiaans niet machtig zijn de laan uit worden gestuurd. De toponymie van de streek wordt aangepast aan het nieuwe vaderland: niet minder dan twaalfduizend plaatsnamen worden vervangen. Daarbij is de band tussen de oorspronkelijke naam en de Italiaanse niet altijd duidelijk, zoals ik tijdens mijn bezoek zelf vaststel: tussen Meran en Merano of tussen Sinich en Sinico zie je een verband, maar Vipiteno is de nieuwe naam van Sterzing, en Steinmannswald wordt Pineta… Ook familienamen moeten Italiaans klinken, hoewel dat nooit is opgelegd – tegen de zin van Tolomei die het wilde verplichten: burgers moeten een aanvraag doen en slechts enkele duizenden zetten die stap. Het standbeeld van Walther von der Vogelweide, ingehuldigd in 1889, moet weg, maar dat zal pas in 1935 gebeuren[6] en de piazza Walther wordt herdoopt tot piazza Vittorio Emmanuele III. De sculptuur zal pas in 1985 zijn oorspronkelijk plek terugvinden. Italianen beschouwden Ettore Tolomei, de man die deze maatregelen voorstelde, als een patriot – als de man die Alto Adige als het ware uitvond – maar Duitstaligen noemden hem ‘de doodgraver van Zuid-Tirol’[7].

De inwoners ondergaan dit alles niet lijdzaam. Vrouwen organiseren protesten en eisen onderwijs in de moedertaal voor hun kinderen. Wanneer de overheid daar niet op ingaat, organiseren ze clandestiene scholen waar in het Duits wordt onderricht, de zogenaamde Katakombenschulen, met uit Oostenrijk en Duitsland binnengesmokkelde schoolboeken. Ook de clerus laat zich niet onbetuigd: in parochies wordt heimelijk godsdienstonderwijs gegeven in de verboden taal. Voor het regime zijn dit staatsgevaarlijke initiatieven: carabinieri vallen huizen binnen, jagen kinderen weg en nemen lesmateriaal in beslag.[8]

De opkomst van het nationaalsocialisme heeft bijzondere gevolgen voor de regio, zeker na de Anschluss van maart 1938. Want enerzijds groeit de sympathie van Zuid-Tirolers voor het nationaalsocialisme, in de hoop dat Hitler ook dit Duitstalig gebied ‘Heim ins Reich’ zal brengen; anderzijds zijn Hitler en Mussolini nu goede maatjes, wat leidt tot het Staalpact dat de twee dictators ondertekenen op 22 mei 1939. Hitler doet afstand van elke aanspraak op Zuid-Tirol, maar de inwoners krijgen de keuze: ofwel ze blijven in de regio en verbinden ze zich ertoe goede Italianen te worden, ofwel ze steken de grens over en kunnen hun leven heropbouwen in Duitsland. Dit verscheurende dilemma verdeelt de bevolking: zogenaamde Dableibers worden als verraders gebrandmerkt en tot ontzetting van de Italiaanse overheid wenst niet minder dan 85% de regio te verlaten… De politiek van Italianisering is mislukt,[9] maar door het uitbreken van de oorlog zal uiteindelijk slechts een derde van de zogenaamde Optanten de streek verlaten. Velen komen terug na 1945.

 

Sporen van het fascisme

De taalkundige en culturele Italianisering van de stad gaat gepaard met een urbanistische politiek die de hoofdstad moet losweken uit zijn Habsburgs verleden. Dat is de taak van Marcello Piacentini (1881-1960), een van de favoriete architecten van Mussolini. In het westen van de stad verrijst een nieuwe wijk die migranten moet huisvesten, want het regime moedigt landgenoten uit het zuiden aan zich te vestigen in de nieuwe provincie. De wijk wordt opgericht in de typische stijl van het regime, die zo kenmerkend is voor veel Italiaanse steden, althans buiten het historisch centrum: het ‘razionalismo’, de naam die men in Italië gaf aan het architecturaal modernisme dat het regime promootte. Het had de ambitie functionaliteit te koppelen aan eenvoud en elegantie en schuwde de klassieke referentie niet[10]

Tijdens mijn omzwervingen in de stad val ik onder meer op het Palazzo degli Alti Commandi, dat zich uitspreidt in de vorm van een V, met zijn twee torens die de ingang flankeren – bedoeld als een knipoog naar militaire architectuur uit de Renaissance. Sinds 1935 doet het dienst als kazerne voor Alpijnse jagers, behalve tijdens de Duitse bezetting tussen 1943 en 1945, toen de Gestapo er zijn hoofdkwartier had. Ik veroorzaak er enige ophef door om negen uur ’s avonds door het hek een foto te nemen van het beeld van Julius Caesar op de binnenplaats. ‘Ik zal maar doen alsof ik niets gezien heb’, snauwt de piepjonge soldaat van wacht me toe.

Ook de piazza del Tribunale is volledig in fascistische stijl opgetrokken: aan de ene kant zie je het gerechtshof met op het fronton de slagzin: ‘Pro Italico Imperio Virtute Iustitia Hierarchia Ungibus et Rostris’ ofwel ‘Voor het Italiaanse imperium door deugd, recht, hiërarchie, met klauwen en snavel’. Het woord ‘imperium’ verwijst naar de verovering van Ethiopië in 1935, maar de trotse leuze heeft niet belet dat een paar weken voor mijn bezoek een groot deel van het gebouw is ingestort, blijkbaar door nalatigheid bij renovatiewerkzaamheden. Tegenover het gerechtshof staat de voormalige Casa del Fascio – het partijhuis dat je in elke Italiaanse stad vond, gebouwd tussen 1939 en 1942. Vandaag is het ministerie van financiën er ondergebracht, maar op de gevel zie ik een bas-reliëf, enkele tientallen meters lang, met als titel ‘De triomf van het fascisme’: in het midden herken ik de figuur van Mussolini te paard die de Romeinse groet brengt.

Eens te meer verbaas ik me over de mildheid van het democratische Italië tegenover de zichtbare sporen van het fascisme die men vaak ongemoeid laat: in Duitsland – en sinds kort in Spanje, met de wetten over de historische herinnering van 2007 en 2022 – is dit ondenkbaar. Toch is er een interessante poging ondernomen om de triomfalistische boodschap van het bas-reliëf tegen te spreken. Het wordt namelijk bedekt door een citaat van Hannah Arendt, in de drie talen van de regio: ‘Kein Mensch hat das Recht zu gehorchen’,[11] wellicht een repliek op het fascistische ordewoord ‘Credere, obbedire, combattere’ of ‘Geloven, gehoorzamen, strijden’.

 

De retoriek van een triomfboog

 

Dwalend door de stad begin ik de topografie te begrijpen. Als je Bolzano opzoekt in Google Maps zie je aan de rechterkant, net boven het oude Oostenrijkse station – dat overigens onder het regime werd omgebouwd tot een fascistisch pronkstuk – het historische centrum, met zijn Habsburgse kenmerken, rond de Piazza Walther; aan de linkerkant, over het riviertje Talvera, de nieuwe fascistische wijk. En wat vormt de overgang tussen beide stadsdelen? Precies, de triomfboog die mij bij mijn eerste kennismaking met Bolzano was opgevallen.

Nu, triomfboog is niet het juiste woord. Zoals de naam het zegt, bestaat zo’n monument uit bogen: dat is het geval in het oude Rome – denk maar aan die van Constantijn – of, in de moderne tijd, de Parijse Arc de Triomphe of de triomfboog van het Jubelpark in Brussel. Maar deze is rechthoekig – een toegeving aan het modernisme.

Veertien gegroefde zuilen ondersteunen het hoofdgestel, maar ik merk iets ongewoons: er steekt iets uit elk van de zuilen, bij nader toezien een bijlkop.

Deze zuilen, met andere woorden, vormen een ‘fasces’ – het klassieke symbool van het fascisme. Op het hoofdgestel zie ik een bas-reliëf dat een naakte, gevleugelde vrouw voorstelt die een pijl afschiet in de richting van het noorden – een allegorie van de overwinning, geïnspireerd door klassieke Nikè-figuren. In het midden, een Christusfiguur die uit de benedenverdieping lijkt te verrijzen, daar waar zich, zoals ik straks zal vernemen, de crypte bevindt. Maar mijn aandacht wordt vooral getrokken door het Latijnse opschrift, net onder de vrouwenfiguur: ‘HIC PATRIAE FINES SISTE SIGNA/HINC CETEROS EXCOLUIMUS LINGUA LEGIBUS ARTIS’ of: ‘Hier liggen de grenzen van het vaderland, plant hier de veldtekens/Van hieruit hebben wij de anderen gevormd door taal, wetten en kunsten’.

‘Ceteros’, de anderen. Dit kan alleen maar verwijzen naar de Zuid-Tirolers. Trouwens, er werd overwogen om ‘Ceteros’ te vervangen door… ‘Barbaros’, maar daar had Mussolini zich persoonlijk tegen verzet. Deze triomfboog, die klassieke en christelijke elementen samenbrengt in een fascistische synthese, bezingt de Italiaanse verovering en kolonisering van Zuid-Tirol. De boodschap is duidelijk: dankzij de overwinning tegen Oostenrijk-Hongarije heeft dit Germaanse gebied het geluk zich te kunnen laven aan de weldaden van de Latijnse beschaving. Enigszins verbluft vraag ik me af hoe het mogelijk is dat dit monument nog overeind staat of waarom, op z’n minst, de Latijnse inscriptie niet is uitgeveegd. In de triomfboog komen etnische en ideologische breuklijnen samen in een arrogante nationalistische retoriek.

Maar ik ben een koele minnaar van het wissen van historische sporen, ook al verwijzen ze naar een verleden van onderdrukking en uitbuiting. De geschiedenis is wat ze is en ook al zou je alle materiële overblijfselen vernietigen, je kunt niet wijzigen wat ooit is geweest: ik verheug me dan ook dat dit gebouw in zijn oorspronkelijke staat is bewaard.[12] Die overweging moeten ze in Bolzano ook gemaakt hebben, want wanneer ik rond het gebouw loop, merk ik dat er borden zijn geplaatst met de titel ‘BZ ’18-’45. One Monument, One City, Two Dictatorships’, een uitnodiging om de tentoonstelling te bezoeken die sinds 2014 geopend is in de sokkel van het monument. De Zuid-Tirolers hebben ervoor gekozen dit storende bouwwerk uit het verleden historisch te contextualiseren, in een poging het te begrijpen en te herinterpreteren, met alle respect voor het voorwerp zelf.

 

Plein van de vrede?

 

Een man ontvangt me in het Duits en nodigt me uit het parcours te volgen dat de geschiedenis van het monument vertelt. Daar ga ik graag op in, maar eerst loop ik de crypte binnen, die er eigenlijk geen is, want hier ligt niemand begraven. Deze ruimte had een zuiver ceremoniële functie en straalt een heldhaftige, ingetogen sfeer uit. Mijn oog valt op twee allegorische fresco’s, vrouwenfiguren die de bewaakster van de geschiedenis en die van het vaderland voorstellen. Op de muren Latijnse citaten die vaderlandsliefde en opoffering verheerlijken, onder meer het bekende ‘Dulce et decorum est pro patria mori’, ‘Het is zoet en eervol voor het vaderland te sterven’ – het vers van Horatius dat War Poet Wilfred Owen in 1918 in een gedicht afdeed als ’the old lie’…

De tentoonstelling biedt een helder beeld van de ontstaansgeschiedenis van de triomfboog in de ruime context van de geschiedenis van deze betwiste regio. Ik leer veel bij tijdens mijn eenzaam bezoek – want op veel belangstelling kan het monument niet rekenen, ondanks het feit dat het marktdag is op de Siegesplatz, of juist daarom. Ik verneem dat de triomfboog tussen 1926 en 1928 werd opgericht op de precieze plek waar een nog onafgewerkt monument voor de Tiroler Kaiserjäger stond. Dat was natuurlijk een doorn in het oog van het jonge fascistische regime: het Oostenrijkse monument werd vernietigd en de resten werden gebruikt voor de constructie van het nieuwe Italiaanse monument. Oorspronkelijk was het de bedoeling dat het een eerbetoon zou zijn aan Cesare Battisti, de Italiaanse patriot uit Trento die in 1916 werd geëxecuteerd door de Oostenrijkers. Maar de weduwe verzette zich tegen die recuperatie door het regime – Battisti was geen voorstander geweest van de annexatie van Zuid-Tirol – en het gedenkteken werd omgeduid tot een monument voor de overwinning. Toch werd een buste van Battisti in de triomfboog verwerkt en niet toevallig vond de inhuldiging plaats op 12 juli 1928, de twaalfde verjaardag van zijn dood. De ceremonie, in aanwezigheid van koning Vittorio Emmanuele III, ging niet onopgemerkt voorbij: in de buurt van Innsbruck vond een tegenmanifestatie plaats in aanwezigheid van tienduizend personen.

De tentoonstelling in de sokkel van het bouwwerk is een schoolvoorbeeld van een geslaagde, degelijk onderbouwde omgang met het verleden. Alle aspecten komen ter sprake – sculpturen, inscripties, materialen, enzovoort. Ook de hertekening van de omgeving komt aan bod, want, zoals ik al schreef, de triomfboog moest het knooppunt zijn dat de nieuwe fascistische wijk, waar migranten zich thuis zouden voelen, zou verbinden met het oude Oostenrijkse centrum. Het bouwwerk werd tijdens het regime het visitekaartje van de stad: ik zie talloze ansichtkaarten die het afbeelden en ook in de kunsten werd het opgepikt. Het fascineerde futurist Umberto Bonetti die het verwerkte in het doek Aerovista di Bolzano – een veelkleurig, dynamisch zicht op de stad waar ik onder meer het palazzo degli Alti Commandi herken.

Wat gebeurt er met de triomfboog na de val van het fascisme op 25 juli 1943? Trentino/Alto Adige, bezet door Duitse troepen, krijgt een nieuwe naam, de Operationszone Alpenvorland. Bombardementen beschadigen het gebouw, maar het wordt ook voorwerp van vandalisme, want Duitstaligen voelen zich wellicht gesterkt door de aanwezigheid van de Wehrmacht om hun afkeuring van het monument concreet te uiten: de crypte wordt een stortplaats en de buste van Cesare Battisti wordt vernield. Na de oorlog wordt de triomfboog de inzet van een politieke strijd tussen voormalige fascisten en antifascisten, tussen Duits- en Italiaanstaligen rond de vraag of het monument al dan niet tegen de vlakte moet. Maar het blijft staan, terwijl de spanningen tussen de verschillende gemeenschappen enigszins gaan liggen.

Volgens het Verdrag van Parijs van 1946 blijft Zuid-Tirol Italiaans, maar Rome verbindt zich ertoe taal en cultuur van de Duitstalige bevolking te beschermen: alle discriminatoire maatregelen die het fascisme nam worden teruggedraaid. Toch blijft er onvrede omdat de regio wordt bestuurd vanuit het Italiaanse Trento. In de jaren zestig pleegt de separatistische BAS (Befreiungsausschuss Südtirol) terroristische aanslagen, maar in 1972 treedt een autonomiestatuut in werking dat aan de provincie Bolzano verregaande bestuursbevoegdheden geeft. Toch zal het nog twintig jaar duren voor de decennialange spanningen worden bijgelegd: op 11 juni 1992 wordt de strijdbijl begraven in de Streitbeendigungserklärung of quietanza liberatoria, waarbij Oostenrijk, dat sinds begin jaren zestig toezicht hield op het naleven van de rechten van Duitstaligen, met instemming van de Zuid-Tirolers voor de Verenigde Naties verklaart het conflict als afgesloten te beschouwen. In 1998 treedt het Schengen-verdrag in werking aan de Brennerpas, wat een paar jaar later de deur opent voor de vorming van de Euregio Tirol-Südtirol-Trentino – een mooi voorbeeld van hoe de Europese dynamiek de rust kan herstellen tussen gemeenschappen die al lang in onmin leven.

Maar de triomfboog van Bolzano blijft de gemoederen verhitten. Terwijl ik rondslenter in de sokkel valt mijn oog op het straatnaambord Piazza Della Pace/Friedensplatz. Dat was de naam van het plein gedurende elf maanden in 2001. De triomfboog was een doorn in het oog van het toenmalige centrumlinkse stadsbestuur van Bolzano, maar het ding neerhalen was, gelukkig, niet haalbaar. De naam van het plein aanpassen daarentegen was een beperkte ingreep die de ideologische strekking van het geheel kon ombuigen: Piazza Della Vittoria/Siegesplatz werd Piazza della Pace/Friedensplatz. Maar zoals vaak zet de wijziging van een straatnaam kwaad bloed, om politieke redenen, maar ook gewoontevorming of de menselijke neiging tot inertie kunnen daarbij een rol spelen. Elf maanden na de wijziging vond een referendum plaats, op initiatief van de radicaal-rechtse Alleanza Nazionale en het resultaat liet geen ruimte voor twijfel: meer dan 60% van de stemgerechtigden daagde op en 61,94% onder hen sprak zich uit voor de oude naam[13]. Ook in Spanje merk je dat de geplande wijziging van franquistische straatnamen vaak op lokaal verweer botst en dat niet alleen, zoals je zou denken, bij nostalgici van het regime.[14]

 

Een herenigd Tirol?

De tentoonstelling in de triomfboog eindigt op een positieve – ik zou bijna zeggen triomfalistische – noot: ‘Once a monument to fascism, it now stands as a monument to the present Millenium, revisited by a democratic society built on the values of participation, tolerance and individual rights’. Ik ben onder de indruk van de grote inspanning die lokale overheden en historici hebben gedaan om een bouwwerk dat, zoals architect Piacentini het stelde, ‘de ziel van het fascisme’ uitdrukte, te duiden en historisch te contextualiseren. Door het degelijke, grondig onderbouwde historisch traject dat de bezoeker gratis kan volgen, krijg je een duidelijk beeld van de tragische geschiedenis van deze regio, via het perspectief van dit monument. Dit is een vorm van geslaagde Vergangenheitsbewältigung. Ik denk aan de Valle de los Caídos bij Madrid, dat andere bombastische complex gebouwd door een dictatoriaal regime dat tot oktober 2019 ook het praalgraf was van dictator Franco. Als men er in Bolzano in slaagt de fascistische triomfboog te herinterpreteren in een democratische zin, waarom zou het dan niet kunnen in Madrid?

Toch stel ik me vragen. Is de degelijke, professionele verwerking van de historische achtergrond van het monument volledig in haar opzet geslaagd? Overstijgt ze de ideologische en etnische conflicten waarvan dit territorium het toneel is geweest? Misschien. Maar er bestaat in de geschiedenis een grotere kracht die in staat is nationale en ideologische passies uit te wissen, zij het langzaam: de tijd en de onverschilligheid die ze onherroepelijk verwekt. Dat besef ik wanneer ik na mijn bezoek even op een bank ga zitten in het park achter de triomfboog. Naast mij zit een man van onbepaalde leeftijd met een flesje bier in de hand. Is het bezoek betalend? Hij stelt me de vraag in gebrekkig Italiaans met een zwaar Duits accent. Nee, het is gratis, antwoord ik, en het is zeer de moeite, gaat u zeker een kijkje nemen. Misschien moet ik er ooit eens binnenstappen, mijmert hij terwijl hij aan zijn biertje lurkt. Aan zijn lusteloze toon te horen vermoed ik dat hij het nooit zal doen. Of hij van de stad is, vraag ik. Nee, van de Val Isarco – de streek tussen de Brenner en Bolzano. Maar een paar jaar geleden kocht hij een appartement in de hoofdstad van Zuid-Tirol. Hij is dus zoals veel mensen die nalaten bezienswaardigheden in hun eigen regio te bezoeken en ik heb de indruk dat het monument voor de overwinning dat in het verleden voor zoveel verdeeldheid zorgde, hem niet bovenmatig boeit. Want ook dat is het lot van pompeuze gedenktekens die de grootsheid van een groep willen uitspelen tegenover de ‘anderen’, de ‘barbaren’: ondanks hun massieve aanwezigheid glijden zij weg in onverschilligheid en zijn ze uiteindelijk niet meer dan het onzichtbaar geworden decor voor de dagelijkse bezigheden van gewone mensen – zoals zij die op de dag van mijn bezoek hun inkopen doen op de markt: ‘Het opvallendste van gedenktekens is dat men ze niet opmerkt’ stelde de Oostenrijkse schrijver Robert Musil ooit.[15]

Of zou het kunnen dat de tijd niet altijd alles uitwist? Ik rij terug naar het noorden en houd voor het eerst halt aan de Brennerpas. Ik wil de grenssteen zien die op 13 oktober 1921 werd ingehuldigd door koning Vittorio Emmanuele III. Tot mijn verbazing zie ik net ernaast, aan de Oostenrijkse kant, een groot bord – het overschaduwt de grenssteen – waarop, naast een kaart van Tirol, te lezen is: ‘Grüss Gott und willkommen im wiedervereinten Tirol’. Het blijkt de blauwdruk te zijn van een nieuwe Europese staat,

het ‘Gefürstete Grafschaft von Tirol’ dat een constitutionele monarchie zou moeten worden onder leiding van twee ‘vorsten’, namelijk de presidenten van Oostenrijk en Italië. Het idee is niet nieuw, het kwam al in 1919 op de proppen tijdens de onderhandelingen van Saint-Germain over de toekomst van het gebied. Het bord werd geplaatst door de Andreas Hofer Bund Tirol.[16] Volgens de website zet de vereniging zich ‘met passie’ in om de Tiroler geschiedenis, cultuur en waarden te bewaren en de geschiedenis van het gebied door te geven aan de inwoners van noord-, zuid-, en oost-Tirol. Op de kaart maakt ook het Italiaanse Trentino deel uit van het vorstendom. Blijft Zuid-Tirol ten eeuwigen dage Italiaans? De geschiedenis staat nooit stil, zeker in meertalige grensstreken.

 

Reageren? Mail naar: luc.rasson@uantwerpen.be

Luc Rasson (°1956) is emeritus hoogleraar Franse letterkunde aan de UA en non-fictie auteur. Recent verscheen zijn boek Voor alles komt de daad. De broers Rosselli tegen Mussolini, Uitgeverij Ertsberg, Antwerpen, 2025.

 

 

[1]Galeazzo Ciano, Diario 1937-1943, Rizzoli, Milano, 1980, blz. 206. Mijn vertaling. Ciano was Italiaans minister van buitenlandse zaken van1936 tot 1943, en de schoonzoon van Benito Mussolini.

[2]Het Ladinisch behoort tot de Reto-Romaanse talengroep. Zie: https://it.wikipedia.org/wiki/Lingua_ladina

[3]Zie mijn Donker Toerisme. Reizen door het Europa van de 20ste eeuw, Ertsberg, Antwerpen, 2022.

[4]Voor een degelijk overzicht van de Zuid-Tiroolse kwestie, zie Thomas H. Von der Dunk, Zuid-Tirol is niet Italië. Een honderd jaar oud Europees grensgeval, Van Tilt, Nijmegen, 2018.

[5]Geciteerd door Emmanuel Dalle Mulle en Alessandro Ambrosino, ‘The 1939 Option Agreement and the « Consistent Ambivalence » of Fascist Policies towards Minorities in the Italian New Provinces’, in: The Historical Journal, nr. 66, 2023, blz. 887-908. Hier blz. 894.

[6]Mussolini, bezorgd om buitenlandse reacties, was geen voorstander van de verwijdering. Zie Sabrina Michielli (red.), BZ ’18-’45. Un monumento, una città, due dittature, Morellini editore, Milano, 2016, blz. 83.

[7]‘Totengräber Süd Tirols’. Interessant is dat Ettore Tolomei, nadat Italië op 8 september 1943 de kant van de geallieerden kiest, omwille van zijn radicaal anti-Duitse houding zal worden gedeporteerd naar Dachau.

[8] Von der Dunk, Zuid-Tirol is niet Italië, o.c., blz. 162.

[9]Behalve in Bolzano zelf dankzij de ontwikkeling van een industriële zone: in 1921 sprak 21% van de bevolking er Italiaans, in 1939 62%. Zie Emmanuel Della Mulle en Alessandro Ambrosino, ‘The 1939 Option Agreement…, o.c., blz. 899.

[10]Zie onder meer ‘Razionalismo Italiano’, https://it.wikipedia.org/wiki/Razionalismo_italiano.

[11]Ze verklaarde dit op 9 november 1964 in een interview met historicus Joachim Fest, in de context van haar ondertussen klassiek geworden boek over de ‘banaliteit van het kwade’, Eichmann in Jerusalem uit 1963.

[12]Het enige wat is weggehaald is een verwijzing naar Mussolini: ‘BEN.MUSSOLINI, ITAL. DUCE A.VI’ of ‘Benito Mussolini duce van Italië, zesde jaar (van het fascisme, dus 1928). De verwijzing naar koning Vittorio Emmanuele III is nog zichtbaar.

[13]Zie: https://www.corriere.it/Primo_Piano/Cronache/2002/10_Ottobre/07/bolzano.shtml

[14]Zie hierover Donker Toerisme, o.c., blz. 81-94.

[15]‘Das auffalendste an Denkmälern ist dass man sie nicht bemerkt’. Robert Musil, Nachlass zu Lebzeiten, Rowohlt, Hamburg, 1962 (1957), blz. 59-63.

[16]Andreas Hofer was de Zuid-Tiroolse nationale held die in 1809 in opstand kwam tegen de troepen van Napoleon en een jaar later werd geëxecuteerd.

‘Vermomde Italianen’? Een triomfboog in Zuid-Tirol
Deconstrueren om te reconstrueren
Leven in een geseksualiseerde wereld
Het testament van Marshall Sahlins
‘Nog steeds weet niemand iets diepzinnigs over pindakaas...
Wat is het nut van een perfect geformuleerde...
Prof. dr. Elizabeth Allard: miskend in een mannenwereld
Hoe iets te leren over politiek van twee...
Kinderwens
De Dagpauwoog
Moet AI onttoverd worden?
Verdeel en heers
Van oude mensen, de dingen die (niet) voorbijgaan
Techniek en nihilisme
Pleidooi voor een anekdotische sociologie
‘We maken dat ding gewoon even schoon’
Op de brandstapel met de kerstman!
Wim Kayzer en de kunst van het vragen...
ChatGPT in het hoger onderwijs: Een kwestie van...
De tuin der folteringen
Het einde en het begin van de geschiedenis
Als vissen in het water. Vooroordelen en discriminatie
LHBTQ-kwesties en katholieke leer
Sleutel tot de moderne tijd: Melvin Kranzberg en...
Een zeergeleerde duivel
Kijkdagen in Huize Semiosis
Theologie en de taal van vorig jaar
Ostinato à variations. Het ritme van katrollen, sprokkelwerk,...
Uit de hoogte
Oudheidkunde op maat