Middernacht, de kerkklok luidt,
Roept ons naar de Kerstmis samenMartinus Nijhoff, De nachtmis
Een kleine twee maanden voor mijn negende verjaardag zong ik voor het eerst in een koor tijdens een nachtmis met Kerstmis. Weken van koortsachtig repeteren gingen eraan vooraf. Er moesten enkele nieuwe kerstliederen en een nieuwe, feestelijke mis worden ingestudeerd, terwijl eerder door het koor gezongen repertoire na een jaar moest worden opgefrist. Slotstuk werd, volgens een vaste gewoonte van de dirigent, het ‘Halleluja’ uit de Messiah van G.F. Händel, niet met de oorspronkelijke Engelse, maar met de Duitse tekst. Ook Stille Nacht zongen we met de Duitse tekst, en meerstemmig. De dirigent was altijd bang dat de gelovigen in de kerk zouden gaan meezingen met dit zo geliefde en immers overbekende lied. Uit ervaring wist hij dat het zomaar kon gebeuren dat zij de Nederlandse tekst erdoorheen zongen, niet zijn tempo volgden, en dat de door hem zorgvuldig aangegeven afwisseling tussen piano en mezzoforte (– forte vond hij volstrekt ongepast bij Stille Nacht –) volledig zou worden overstemd. Maar hij was gehecht aan het lied, zette het toch op het programma, en hoopte er het beste van.
De repetities in de aanloop naar Kerstmis gingen niet altijd rimpelloos voorbij. Regelmatig liep de dirigent langzaam rood aan als zijn aanwijzingen niet strikt werden opgevolgd en de muziek niet klonk zoals zij volgens zijn interpretatie zou moeten klinken – voor wie hem wat langer kende een onmiskenbaar voorteken van een naderende uitbarsting van woede. Een enkele keer stapelden zijn frustraties zich zo hoog op dat hij voortijdig, want woedend de repetitieruimte uitstormde. Als zijn echtgenote – zij zong bij de alten – dan niet snel genoeg reageerde, moest ze een van de andere koorleden vragen haar thuis te brengen: in zijn kwaadheid reed hij in hun aftandse DAF zonder haar naar huis, aan de andere kant van de stad. De eerste keer dat ik zo’n uitbarsting van woede meemaakte was ik nogal onder de indruk, maar oudere koorleden verzekerden mij – geamuseerd, zelfs een beetje spottend lachend – dat er helemaal niets aan de hand was. De man was, zeiden ze, een geweldige musicus en dirigent maar hij kon soms nogal driftig worden als niet alles precies liep zoals hij wilde; de volgende keer zou hij er weer gewoon zijn, alsof er niets was gebeurd, en er geen woord over zeggen. Ze kregen uiteraard gelijk: sommigen spraken uit jarenlange ervaring met zijn muzikale leiding.
Op kerstavond – de Mis begon om tien uur – liep ik met mijn vader en mijn zus door de winterkou naar de kerk, de bevroren sneeuw krakend onder onze schoenen; vroeger hadden we immers, ten minste in onze herinnering, jaar in jaar uit een witte Kerstmis.[1] Mijn moeder bleef thuis op mijn jongere broertje passen – zij zou de volgende ochtend naar de Mis gaan. In de kerk beklom ik achterin de wat wankele, uitgesleten houten wenteltrap naar het koor, terwijl mijn vader en mijn zus naar voren gingen, naar hun gereserveerde plaatsen; in die jaren werden de – meerdere! – vieringen op kerstavond zo druk bezocht dat de plaatsen vooraf moesten worden besproken. Wie dat niet deed, was onherroepelijk veroordeeld tot een staanplaats achter de laatste banken, en ook daar kon het nog een gedrang zijn. Enkele collectanten zagen er streng op toe dat men inderdaad op de toegewezen plaats ging zitten, en niet andermans plek innam. Voor de Mis zwaaide ik vanaf het koor stiekem gauw naar mijn vader toen hij even omkeek. De Mis verliep meer dan goed: we zongen begeesterd en foutloos, en werden al terwijl de laatste klanken van Händel wegstierven beloond met een klaterend en langdurig applaus. De dirigent knikte ons glimlachend en glimmend van trots toe.
Terwijl de kerkgangers naar huis gingen – inmiddels was het half twaalf geweest –, vertrok het volledige koor naar het nabijgelegen academisch ziekenhuis, nog geen kilometer verderop. Daar werden we op de eerste etage ontvangen in een smalle ruimte, afgeschermd door een breed zwart gordijn; er stond koffie met kerstbrood voor ons klaar, voor mij – enig kind in een koor van volwassenen[2] – werd een glas water gehaald. Na verloop van tijd, het was inmiddels ruim na twaalven, kwam er een man achter het gordijn uit. Hij overlegde kort met de dirigent. ‘Over tien minuten beginnen we’, zei de dirigent vervolgens tegen ons. Tien minuten later gingen we inderdaad op: achter het gordijn bleek het restaurant van het ziekenhuis te zijn, waaruit voor de gelegenheid op een paar plantenbakken na alle meubilair was weggehaald, en dat helemaal vol stond met patiënten in ziekenhuisbedden of rolstoelen en een enkeling op een gewone stoel, sommigen met naast zich een infuus op een verrijdbare standaard. De rector van het ziekenhuis droeg er de Mis op, terwijl verpleegsters en een enkele verpleger onopvallend en stilletjes tussen de patiënten doorliepen om hier en daar een glas water aan te reiken, een kussen te herschikken of een scheefgezakte patiënt of patiënte recht te leggen. We zongen dezelfde muziek als in de kerk nog een keer, weer foutloos. Toch klonk het minder goed dan in de kerk, zou de dirigent bij de eerste repetitie na Kerstmis opmerken: de akoestiek in het restaurant van het ziekenhuis was nu eenmaal niet die van een kerk, en waar we in de kerk werden begeleid door een orgel moesten we ons in het ziekenhuis behelpen met een niet al te beste piano. Desondanks was hij tevreden, zelfs ronduit trots op het tweede optreden van die kerstnacht: het was bijzonder dat we dit hadden kunnen, nee: mogen doen voor de patiënten, voor wie het immers toch al zo naar was dat zij in het ziekenhuis moesten blijven en de kerstdagen niet bij hun familie konden doorbrengen.
‘Midden in de wintervacht’
De nachtmis met Kerstmis – een geliefde traditie, nog altijd, maar waar komt zij eigenlijk vandaan?
Vroeg in de vierde eeuw kwam in het Romeinse Rijk in de persoon van Constantijn een keizer aan de macht die, meer dan zijn voorgangers, het christendom goed gezind was. Al werd hij – weliswaar pas op zijn sterfbed, in 337, na een regeerperiode van dertig jaar – christelijk gedoopt, nog altijd wordt gedebatteerd over de vraag of, en zo ja: in hoeverre, hij daadwerkelijk christen was, dan wel uit politieke overwegingen meer ruimte bood aan een groeiende en geleidelijk invloedrijker wordende, zij het nog altijd kleine groep in zijn rijk. Dat Constantijn zich voor het christendom interesseerde staat buiten kijf, getuige bijvoorbeeld zijn ook inhoudelijke bemoeienis met het Concilie van Nicea in 325, waar door een groot aantal bisschoppen enkele fundamentele kwesties werden besproken in een poging leerstellige meningsverschillen te overwinnen en de eenheid in de kerk te herstellen. Hoe dit ook zij, tijdens het bewind van Constantijn kreeg de christelijke kerk financiële steun van overheidswege, werden nieuwe kerken gebouwd, eerder onteigende bezittingen aan christenen teruggegeven, en werden christelijke kerkelijke waardigheidsbekleders vrijgesteld van sommige belastingen – een voorrecht dat voordien alleen gold voor priesters van andere godsdiensten.[3]
Vanaf 312 betrok Constantijn zijn moeder Helena nadrukkelijk bij zijn regering, waarbij zij zich vooral ook richtte op het vestigen en bestendigen van de (uiteraard pas later naar hem vernoemde) Constantijnse dynastie. Helena woonde in Rome, waar zij de keizer vertegenwoordigde, terwijl Constantijn de ‘eeuwige stad’ slechts incidenteel bezocht. Aanvankelijk verbleef hij vooral in het Duitse Trier, vanaf 330 in Constantinopel – het vroegere Byzantium dat hij tot nieuw bestuurscentrum van het Romeinse Rijk had gemaakt als erkenning van het toenemende belang van het oostelijk deel van het rijk; dat hij zijn eigen naam – ‘stad van Constantijn’ – had gegeven, en had uitgebouwd en verfraaid. In 325, nadat Constantijn het hele Romeinse Rijk onder zijn alleenheerschappij had gebracht door zijn medekeizer (en zwager) Licinius uit te schakelen, kreeg Helena de eretitel ‘Augusta’ (‘de verhevene’), een titel die zij deelde met Fausta, de (tweede) echtgenote van Constantijn.
In 326 vertrok Helena voor een reis door het Midden-Oosten. Door bisschop Eusebius van Caesarea werd deze reis, in zijn levensbeschrijving van keizer Constantijn, de Vita Constantini (circa 336 / 339), beschreven als een pelgrimage naar het Heilig Land waar Helena plaatsen bezocht die een belangrijke rol speelden in het Oude en Nieuwe Testament, en relikwieën zocht – en vond, zoals het kruis waaraan Jezus was gestorven, en relikwieën van de Drie Koningen. (De authenticiteit van haar ontdekkingen was en is bepaald niet onomstreden.[4]) Hedendaagse historici stellen echter, dat Helena ten minste ook, en wellicht zelfs eerst en vooral om politieke redenen afreisde. Zo betoogt de Nederlandse historicus Jan Willem Drijvers dat zij in de provincies in het Midden-Oosten de onvrede moest zien te sussen die was ontstaan over het beleid van Constantijn ten gunste van het christendom, en het christendom moest propageren. Ook moest zij toezien op de voortgang van de bouw van kerken in onder meer Jeruzalem, waartoe Constantijn opdracht had gegeven. Ten slotte diende zij – onder meer door achterstallige salarissen uit te betalen – onvrede weg te nemen bij soldaten die voor de verslagen (mede)keizer Licinius hadden gevochten, en te verzekeren dat zij keizer Constantijn voortaan loyaal zouden steunen.[5] Ten gunste van de argumentatie van Drijvers spreekt dat Helena in haar hoedanigheid van ‘Augusta’ reisde, met een flink gevolg, waardoor haar bezoek aan de regio meer het karakter had van een officiële inspectie namens de keizer dan van een pelgrimage uit persoonlijke religieuze gedrevenheid. Maar door Eusebius van Caesarea werd haar reis, zoals opgemerkt, wel zo voorgesteld – en dit had onder meer tot gevolg dat anderen, onder wie ook vrouwen, door haar voorbeeld geïnspireerd als pelgrim naar het Midden-Oosten trokken.
Een van de vrouwen die, in het spoor van Helena, het Heilig Land als pelgrim bezochten was een zekere Egeria, die tussen Pasen in 381 en Pasen in 384 in het Midden-Oosten reisde. Over haar is weinig met zekerheid bekend: noch haar precieze herkomst – vermoedelijk ergens in de zuidelijke helft van West-Europa –, noch haar hoedanigheid – was zij wellicht een non? – heeft men kunnen vaststellen, en er werd en wordt bij gebrek aan bewijsmateriaal vooral over gespeculeerd. Het bijzondere aan haar pelgrimage nu is, dat zij een tamelijk gedetailleerd reisverslag heeft nagelaten, en bovendien een uitgebreide beschrijving van de liturgische gebruiken en praktijken in Jeruzalem tijdens een kerkelijk jaar.[6] Beide teksten zijn niet volledig bewaard gebleven, maar – afgaande op de inhoud van wat is overgeleverd – wel grotendeels.
Uit de beschrijving van het liturgisch jaar door Egeria valt af te leiden dat men in Jeruzalem op 6 januari om middernacht een Mis hield. Op deze dag vierde men in de Oosterse christelijke kerk de komst (of verschijning) van de mens geworden God op aarde, ofwel het feest van de Epifanie (van het Griekse ‘epiphaneia’, verschijning). Dit feest was vermoedelijk in de loop van de vierde eeuw ontstaan, al stellen sommige auteurs dat het zelfs nog ouder is; er werd per regio op verschillende manieren invulling aan gegeven. Maar veelvoorkomende elementen van het feest van de Epifanie waren de viering van de geboorte van Jezus; van de aanbidding door de wijzen; van de doop van Jezus in de Jordaan door Johannes de Doper; en soms ook van de bruiloft in Kana, als het begin van het openbare leven van Jezus. Ook in de loop van de vierde eeuw ontstond in de Westerse christelijke kerk het kerstfeest, dat op 25 december werd gevierd. Beide tradities beïnvloedden elkaar, waarbij de traditie van de Westerse christelijke kerk – met Rome als centrum – het krachtigste bleek: het kerstfeest bleef inhoudelijk onveranderd, terwijl het feest van de Epifanie inhoudelijk wel veranderde. Vanaf het begin van de vijfde eeuw werd zo alom op 25 december Kerstmis gevierd als het feest van de geboorte van Jezus. Op 6 januari werd in de Westerse christelijke kerk voortaan de aanbidding door de wijzen (‘Driekoningen’) gevierd; maar in de Oosterse christelijke kerk de doop van Jezus in de Jordaan, hetgeen nog altijd een belangrijk feest is (– verhoudingsgewijs belangrijker dan Driekoningen in de Westerse christelijke kerken).[7]
Een van de aspecten van de viering van Epifanie uit de Oosterse traditie die in het Westen werden overgenomen nu is de Mis om middernacht, die vanaf het begin van de vijfde eeuw met Kerstmis door de paus werd opgedragen in de Santa Maria Maggiore in Rome, als eerste van de drie Missen die hij op 25 december las. De tweede las hij in de Sint-Anastasiabasiliek, de derde in de Sint-Pietersbasiliek. Dit voorbeeld kreeg navolging, overigens niet dan nadat de paus er formeel toestemming voor had gegeven dat ook andere priesters meerdere Missen op een dag lazen, en vanuit Rome raakte het gebruik van een Mis om middernacht vervolgens geleidelijk verspreid in de Westerse christelijke kerk.
Waarom nu een viering om middernacht? De keuze voor dit tijdstip was al bij de viering van het feest van de Epifanie in de Oosterse christelijke kerk gebaseerd op een passage in het Bijbelboek Wijsheid in het Oude Testament:
Want terwijl een diepe stilte alles omgaf
en de nacht in zijn snelle loop halverwege was gekomen
kwam uw alvermogend woord van zijn koningstroon in de hemel. (Wijsheid: 18:14-15)
Hieruit meende men te mogen afleiden dat Jezus om middernacht (toen ‘de nacht […] halverwege was gekomen’) ter wereld was gekomen – en daarom hield men juist op dit tijdstip een Mis.
‘Een jaarlijkse ontmoeting met de Heer’[8]
Vanuit Rome verspreidde de gewoonte met Kerstmis om middernacht een Mis te vieren zich over de christelijke wereld, en deze traditie bleek zo sterk dat zij tot op de dag van vandaag bestaat. In die lange periode traden er uiteraard allerlei veranderingen op; zo werden er vaak al eerder op kerstavond Missen gehouden, niet alleen om middernacht, veelal om alle gelovigen de kans te bieden op kerstavond naar de kerk te gaan. (Zelfs de Kerstnachtmis in het Vaticaan werd in 2009 vervroegd naar 22.00 uur, met het oog op de broze gezondheid van de toenmalige paus Benedictus XVI.) Zo ook ontstonden er rond de Kerstnachtmis allerlei regionale gebruiken. Een voorbeeld is dat van het Spaanse dorpje Braojos de la Sierra, ten noorden van Madrid, waar al sinds de dertiende eeuw jaarlijks een herdersdans wordt gehouden: op muziek uitgevoerd met oorspronkelijke instrumenten voeren herders tijdens de nachtmis een traditionele dans op als eerbetoon aan het pasgeboren kind. Een ander voorbeeld is dat van El Cant de la Sibilla, gezongen in het Catalaans in kerken op Mallorca en Alghero (Sardinië), en in enkele Catalaanse kerken op het Spaanse vasteland. In dit gezang voorzegt een waarzegster de komst van Christus; deze voorspelling, in muzikaal opzicht teruggaand op het vroege Gregoriaans, wordt van oudsher voorafgaand aan de nachtmis gezongen. Deze traditie gaat terug op de late middeleeuwen, en is inmiddels als immaterieel erfgoed opgenomen op de lijst van UNESCO.
De traditie van de nachtmis als zodanig bleek bijzonder krachtig – zozeer zelfs dat na de Reformatie ook in Lutherse kerken om middernacht vieringen werden en worden gehouden. Bekend is tegenwoordig bijvoorbeeld de viering in Hallgrimskirkja, de Lutherse kerk in Reykjavik, IJsland, waarin schriftlezingen en de zang van kerstliederen elkaar afwisselen in een druk bezochte en geliefde plechtigheid. De Anglicaanse kerk herstelde de traditie nadat de Puriteinen in de jaren ’50 van de zeventiende eeuw de viering van Kerstmis in Engeland zelfs helemaal hadden verboden. (De Puriteinen beschouwden het kerstfeest als zodanig als een heidense uitvinding, die niet terugging op Bijbels gronden.) Inmiddels is de nachtmis in Westminster Abbey in Londen de grootste plechtigheid van het jaar in de Anglicaanse kerk. Ook in Nederland was de katholieke nachtmis na de Reformatie formeel verboden – maar de traditie bleef voortbestaan in schuilkerken, en in vrije heerlijkheden waar het katholieke geloof wel openlijk kon worden beleden.
In zijn boek Christmas customs and traditions (1912) beschrijft de Engelse folklorist Clement A. Miles (1869–1937) het bijzondere karakter van de nachtmis met Kerstmis:
In veel landen is de Nachtmis de Kerstviering bij uitstek, een groots en uniek gebeuren in het jaar, iets dat door zijn ongewone karakter het feest van de Geboorte een eigen plaats geeft. Weinig katholieke plechtigheden zijn indrukwekkender dan deze Nachtmis, met name in landelijke gebieden; door het duister en de kou van de winternacht komen de gelovigen, vaak van ver, om het Reddende Kind te aanbidden in de schittering van de verlichte kerk.[9]
In Tirol bijvoorbeeld zag dit schouwspel er, aldus Miles, als volgt uit:
Lang voor middernacht beginnen de fakkels te flonkeren die de gelovigen bijlichten die onderweg zijn naar de Mis; ze gaan omlaag, nu eens verborgen in pijnbossen en ravijnen, dan weer verschijnend op open hellingen. Meer en meer lichtjes vertonen zich en werpen een rossig lichtschijnsel op de sneeuw, totdat ze uiteindelijk verdwijnen wanneer het dal van de vallei is bereikt, en enkel de kerkramen oplichten in het donker, terwijl de plechtige klanken van het orgel en het gezang de stilte van de nacht doorbreken.[10]
De symboliek van het licht dat doorbreekt in de kou en duisternis van het midden van de winter is volgens Miles van het grootste belang voor de ongemeen sterke aantrekkingskracht van het kerstfeest, en evenzeer van de nachtmis als de belangrijkste plechtigheid van dit feest.
Een soortgelijke beschrijving gaf, aan het begin van de twintigste eeuw, de Franse journaliste en schrijfster Thérèse Bentzon (1840–1907, pseudoniem van Marie-Thérèse Blanc) in een terugblik op de kerstfeesten van haar kinderjaren, rond het midden van de negentiende eeuw. Bentzon, vooral bekend om haar vele bijdragen aan de Revue des Deux Mondes, had regelmatig en uitgebreid door de Verenigde Staten gereisd, en schreef ook wel voor Amerikaanse bladen. In het tijdschrift The Century publiceerde zij onder de titel ‘Christmas in France’ haar herinneringen aan Kerstmis, waaronder die aan haar bezoek aan de nachtmis, aan de hand van haar moeder.[11] Na een wandeling door een koude, door sterren verlichte nacht – door haar omschreven als ‘een processie van glimwormen’, omdat elk gezin een lantaarn droeg – keek zij bij binnenkomst in de ijskoude maar prachtig verlichte kerk meteen naar de kribbe, een miniatuur-kerststal,
waaraan wij ten minste een week hard hadden gewerkt, omdat de stukken jaar in jaar uit herstel behoefden. De beschadigde dieren moesten worden hersteld, de tulbanden en mantels van de Drie Koningen opnieuw gemaakt, het stro ververst, en figuren die niet langer konden worden gebruikt vervangen door nieuwe beeldjes. Het was een vrome manier van spelen met poppen; we gingen te werk met een bijzonder gevoel van eerbied.[12]
Bentzon merkt op, dat ‘tegenwoordig’ – zij schreef haar tekst net na de eeuwwisseling van de negentiende naar de twintigste eeuw – het kerstfeest alleen op het Franse platteland nog wordt gevierd op de wijze die zij beschrijft, niet langer in de steden; en zij is bang dat ‘ongelukkigerwijs alles dat vroom en poëtisch is in deze oude gebruiken een groeiende neiging heeft te verdwijnen. Binnenkort, zo moet worden gevreesd, blijft er niets over dan een kille gewoonte’.[13]
Anders dan Bentzon vreesde kende de traditie van het vieren van de nachtmis in de twintigste eeuw een sterke opleving, ook onder katholieken in de lage landen. En al is het kerkbezoek de laatste decennia sterk teruggelopen, nog steeds wordt de nachtmis met Kerstmis goed bezocht, veel meer dan de vieringen door het jaar heen – zodat wel wordt gesproken van ‘hobbykatholieken’ die zich niet vaker dan eens per jaar in de kerk laten zien.[14] Of, in de woorden van de Nederlandse journaliste Yvonne Zonderop: ‘We gaan misschien naar de nachtmis voor de sfeer.’[15] Wat nu maakt deze aanhoudende bijzondere bekoring van de nachtmis uit, als dit niet op de eerste plaats religieuze bevlogenheid lijkt? Waarom wordt juist deze Mis voor een jaarlijkse kerkgang uitgekozen?
Redacteuren van de Franse katholieke krant La Croix stelden in 2009 in verschillende kerken in Frankrijk deze vraag aan de betrokkenen zelf – aan bezoekers van een nachtmis die niet geregeld naar de kerk gaan, veelal niet vaker dan eens per jaar. Anders dan men wellicht zou vermoeden gingen zij niet eerst en vooral vanwege de bijzondere sfeer of uit zuivere nostalgie. Zo noemt iemand de nachtmis met Kerstmis ‘een onmisbare grondslag, en de laatste band met het geloof van mijn kindertijd’. Juist het bezoeken ervan biedt hem de mogelijkheid in alle rust de balans van het voorbije jaar op te maken, en, meer dan in het zo jachtige bestaan van alledag, te denken aan anderen. En in alle anonimiteit in een grote groep deelnemen aan zo’n indrukwekkende plechtigheid geeft elk jaar weer het gevoel deel uit te maken van een groter geheel, van een grote familie. Een ander, die vanwege haar nare jeugdervaringen met een parochiepriester afstand heeft genomen van de kerk als instituut maar niet van haar geloof, bezoekt ieder jaar de nachtmis, als haar ‘jaarlijkse ontmoeting met de Heer’ die zij onder geen beding wil missen. Een andere vrouw geeft aan dat zij met haar bezoek aan de nachtmis een familietraditie wil voortzetten: zoals haar grootmoeder vroeger met haar dochters, en haar moeder op haar beurt met haarzelf en haar zussen, zo gaat zij nu met haar dochters en kleindochters naar de nachtmis – door het bezoek aan deze plechtigheid wordt de verbondenheid tussen de verschillende generaties benadrukt en sterker ervaren. En ook al staat in haar familie niet iedereen nog binnen de kerk, de waarden van hoop, vrede, naastenliefde en zorg voor de medemens die juist in de nachtmis worden uitgedragen en benadrukt, beschouwen zij in hun familie als fundamenteel voor hun eigen leven – waarden die ook de agnosten in haar familie aanhangen, en met volle overtuiging kunnen omarmen. Om die reden zijn en blijven zij in hun familie gehecht aan alle rituelen die het kerstfeest eigen zijn.
En dit alles komt tegemoet, aldus de auteurs van de bijdrage aan La Croix, aan de veel bredere menselijke behoefte, ook en misschien zelfs juist in de hedendaagse jachtige samenleving, van tijd tot tijd stil te staan bij de belangrijkste aspecten van een mensenleven: geboorte, liefde, vriendschap, hoop – en Kerstmis, met de nachtmis in het bijzonder, blijkt daarbij elk jaar opnieuw een belangrijke mijlpaal, niet alleen voor gelovigen, maar ook voor twijfelenden en zelfs voor ongelovigen. Dit juist omdat Kerstmis het feest van licht in de duisternis is, en daarmee bij uitstek het feest van de hoop.[16]
Besluit
Na de Mis in het ziekenhuis – het was inmiddels twee uur geweest – werd ik door een van de andere koorleden naar huis gebracht, een wandeling van niet meer dan een minuut of tien. In later jaren mocht mijn moeder graag vertellen dat ik bij thuiskomst zo wit zag als de sneeuw buiten, en bijna stond te tollen van de slaap. Zij hielp mij naar bed, terwijl mijn vader beneden de lampen uitdeed en de deur op het nachtslot draaide voordat ook hij naar boven kwam. Op Eerste Kerstdag hadden mijn ouders mij niet gewekt, maar laten slapen tot ik wakker werd. Desondanks was ik, volgens de verhalen, de eerste uren nadat ik was opgestaan niet te genieten: ik keek stuurs voor me uit en zei niets, ook niet als me iets werd gevraagd – het verstoorde ritme en het slaapgebrek eisten hun tol. In de loop van de dag trok het geleidelijk bij. Tegen het einde van de middag gingen mijn zus en ik volgens een jaarlijkse gewoonte naar onze buren: een hoogbejaarde, bedlegerige dame met haar inwonende ongetrouwde dochter, een schilderes en glazenier die op haar beurt een jaar of tien ouder was dan mijn ouders. In hun altijd schemerige woonkamer – de lamp boven de met boeken, kranten, paperassen, schetsboeken, blocnotes, dozen met kleurpotloden (Caran d’Ache), kwasten en pennen overvolle tafel, de enige die brandde, was aan één kant zorgvuldig afgeplakt met papieren zakdoekjes omdat de oude dame geen fel licht aan de ogen kon verdragen – zong ik met de dochter allerlei bekende kerstliedjes, terwijl mijn zus ons begeleidde op de blokfluit. En Kerstmis of niet, de dochter wilde ook ‘In ’t groene dal, in ’t stille dal’ zingen, dat haar weemoedig terugvoerde naar haar jeugdjaren die zij in ‘Indië’ had doorgebracht. Tussendoor deden we ons tegoed aan de kerstkransjes en chocolaatjes die de dochter ons steeds weer voorhield. Het bezoekje aan de buren deed mij goed: pas daarna was ik, zou mijn moeder later vertellen, weer in normalen doen.
Er zouden nog vele nachtmissen volgen waarin ik meezong, uiteraard meestal in de kerk, een enkele keer weer in een ziekenhuis, maar geen ervan maakte zoveel indruk als die eerste – dubbele – keer. Omdat het de eerste keer was dat ik dit meemaakte, natuurlijk. Omdat ik opgewonden was: nooit eerder had ik zo lang, tot diep in de nacht, mogen opblijven. Omdat ik vanwege de stem waarmee ik van nature was begiftigd door de andere koorleden bijna als een gelijke werd behandeld, ondanks het leeftijdsverschil, en door de dirigent zelfs werd gezien als een belangrijke kracht in mijn stemgroep. (Om die reden had hij er bij mijn ouders nadrukkelijk op aangedrongen mij in weerwil van de nachtelijke aanvangstijd ook in het ziekenhuis te laten meezingen.) Maar misschien nog het meest – al had ik dat als achtjarige uiteraard nooit zo onder woorden kunnen brengen – omdat ik voelde dat ik deel had aan een religieuze en muzikale traditie die mij ver oversteeg: die al eeuwen bestond toen ik er die eerste keer aan deelnam, terwijl niets erop wees dat zij niet ook nog eeuwen zou worden voortgezet.
En wellicht ligt de aanhoudende aantrekkingskracht van de nachtmis met name ook daarin: in het gevoel van verbondenheid dat erdoor wordt oproepen, niet alleen met de andere bezoekers van de plechtigheid en – zij het in mindere mate – met bezoekers van vrijwel identieke vieringen overal ter wereld op diezelfde dag en tijd, maar juist ook met de traditie, met een keten van vele eerdere generaties, zelfs teruggaand tot het vroege verleden van het christendom. Een gevoel van verbondenheid waaraan we juist in het holst van de winter, meer dan anders, een sterke behoefte lijken te voelen.
[1] Zie: https://streventijdschrift.be/een-witte-kerstmis/.
[2] Zie: https://streventijdschrift.be/koorzanger/.
[3] Vgl. Olivier Hekster en Corjo Jansen (red.), Constantijn de Grote. Traditie en vernieuwing, Vantilt, Nijmegen, 2012, passim, en in het bijzonder daarin Peter Nissen, ‘Constantijn en het christendom. Zondeval of triomf’, blz. 67-79; Henk Singor, Constantijn en de christelijke revolutie in het Romeinse Rijk, Ambo / Anthos, Amsterdam, 2014; Diederik Burgersdijk, De macht van de traditie. Het keizerschap van Augustus en Constantijn, Athenaeum – Polak & Van Gennep, Amsterdam 2016; en zie ook Jona Lendering en Vincent Hunink, Het visioen van Constantijn. Een gebeurtenis die de wereld veranderde, Omniboek, Utrecht, 2018.
[4] Vgl. ook Singor, a.w., blz. 395-396.
[5] J.W. Drijvers, Helena Augusta, Brill, Leiden en Boston, 1992, passim; en Singor, a.w., blz. 388-390.
[6] In Nederlandse vertaling: Vincent Hunink en Jan Willem Drijvers, In het land van de Bijbel. Reisverslag van Egeria, een dame uit de vierde eeuw, Uitgeverij Verloren, Hilversum, 2011.
[7] Richard C. Trexler, The Journey of the Magi: Meanings in History of a Christian Story, Princeton University Press, Princeton 1997, blz. 9-10.
[8] Anna Latron, François-Xavier Maigre en Céline Hoyeau, ‘La messe de minuit attire aussi des visiteurs d’un soir’, La Croix, 23 december 2009, https://www.la-croix.com/Religion/Actualite/La-messe-de-minuit-attire-aussi-des-visiteurs-d-un-soir-_NG_-2009-12-23-570790.
[9] Clement A. Miles, Christmas customs and traditions. Their history and significance, Dover Publications, Garden City New York, 1978, blz. 94. Deze uitgave is een, afgezien van de titel, ongewijzigde herdruk van Christmas in Ritual and Tradition, Christian and Pagan, T. Fischer Unwin, Londen 1912.
[10] Ta.p..
[11] Thérèse Bentzon, ‘Christmas in France’, in: The Century. Illustrated Monthly Magazine 63 (1901-1902), 170-177.
[12] A.w., blz. 171.
[13] A.w., blz. 177.
[14] Stephan Sanders, ‘De nachtmis: een wonderbaarlijke katholiekenvermenigvuldiging’, De Volkskrant, 29 december 2016.
[15] Yvonne Zonderop, Ongelofelijk. Over de verrassende comeback van religie, Prometheus, Amsterdam, 2018, blz. 35.
[16] Zie noot 8.