Een relaas over het (on)wezen van onze menselijke taal – deel 1
Dat wij taal tot onze beschikking hebben, ervaren wij als een vanzelfsprekendheid maar we moeten ervan uitgaan, dat wij er als mens niet waren geweest als niet ergens diep in ons zich dat raadselachtige fenomeen taal had genesteld. Laat ons dus beginnen met de vraag wat taal is en hoe taal eruitziet. Woorden en zinnen zijn de meest in het oog springende verschijningsvormen van menselijke taal. Als wij het over taal hebben gaat het meestal daarover. Zo hebben ze het in het zaterdagse radioprogramma de taalstaat bijna uitsluitend over de etymologie van woorden, over gekke, in onbruik geraakte zegswijzen of hoe een Vlaming of een Surinamer iets zegt, waar wij in Nederland heel andere woorden voor gebruiken. Belangrijke zaken, zeker, maar zelden gaat het over wat taal nog meer is. Geleerden zijn het erover eens, dat het lexicon (de verzameling woorden van een taal) niet het machtige wapen is, dat ons door de evolutie ter beschikking is gesteld om over de wereld te heersen. Veeleer is het de systematiek, die achter de woorden schuilgaat, die ons denken in gang heeft gezet en ons die macht heeft gegeven. In dit essay gaan we nader kennismaken met die systematiek. Maar we zullen al snel tot de conclusie komen, dat alles wat met taal te maken heeft ons telkens weer als los zand door de vingers glipt. Met taal is het als met de tijd: het voltrekt zich in ons, met ons en door ons maar wat het is en wat het doet weten we niet. Dat taal ons telkens weer ontglipt is niet zo verwonderlijk want taal is iets, dat in het hoofd zit, taal borrelt als het ware op uit al die hersencellen en hun onderlinge verbanden. Wij moeten dus met onze eigen hersencellen nadenken over de werking van onze eigen hersencellen – dat lijkt me tamelijk onbegonnen werk. Maar laten we ons daardoor niet ontmoedigen. Al staat van tevoren vast, dat we het cryptogram taal niet zullen oplossen, er blijft nog voldoende over om ons aan te vergapen
De eenheid waarin mensen onderling met elkaar communiceren is de zin. Als we met elkaar spreken doen we dat in zinnen, niet in woorden. Als mij wordt gevraagd wat ik wil, thee of koffie, dan kan ik antwoorden met één woord: koffie. Maar in mijn reactie op de mij gestelde vraag is het woord koffie een zin: Koffie. Deze zin begint net als alle zinnen met een hoofdletter en eindigt met een punt (eventueel met een vraag- of uitroepteken). Het is goed te beseffen, dat zinnen en woorden abstracties zijn. Daarmee bedoel ik dit: de zin ‘Dit is een appel.’ is, zoals hij aan ons verschijnt, in alles anders dan het voorwerp ‘appel’ waarnaar verwezen wordt. Het woord appel heeft een nog abstractere verschijningsvorm dan de zin waarvan het onderdeel uitmaakt want het is de zin, die door mij gebruikt wordt om een mededeling te doen over het voorwerp ‘appel’, niet de afzonderlijke woorden dit, is, een, en appel. Maar wat moeten we, dit gezegd hebbende, met zin 3) ‘Met jou heb ik nog een appeltje te schillen.’ beginnen? Deze zin lijkt om een heel andere benadering te vragen dan de gewone zin 2). Was het bij ‘Dit is een appel.’ nog zo, dat het woord ‘appel’ verwees naar dat voorwerp op de fruitschaal, bij ‘Met jou …’ is van zo’n relatie tussen woord en voorwerp helemaal geen sprake meer. En het wonderlijke is, dat niemand daarvan opkijkt. Het is alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, dat we iets anders zeggen dan we bedoelen. Hoe weet je nu wanneer iets letterlijk bedoeld wordt zoals het gezegd wordt en wanneer niet? Voor iedereen, die is grootgebracht met het Nederlands is dat een uitgemaakte zaak. Over de juiste betekenis van zin 3) bestaat geen enkele twijfel. Wij gaan in dit essay deze verschillen, die zo vanzelfsprekend lijken nader bekijken. We gaan ons verwonderen over dat rijkgeschakeerde fenomeen taal. We zullen moeten vaststellen dat taal redelijk autonoom opereert en zich niet altijd houdt aan de regels, die we voor haar hebben opgesteld.
1) Dit is een appel.
2) Jan houdt van appels
3) Met jou heb ik nog een appeltje te schillen.
Woorden en zinnen zijn abstracties, het zijn afgeleiden van de buitenwereld, maar ook de letters waaruit de woorden, de woorden waaruit de zinnen, de zinnen waaruit de alinea’s, de alinea’s waaruit de hoofdstukken en de hoofdstukken waaruit boeken zijn opgebouwd, zijn abstracties. Boeken, kranten, reclamefolders, comics, bidprentjes en orgelpartituren zijn abstracties, althans, de mededelingen die zij doen of de inhoud, die zij ons tonen. Hun fysieke verschijningsvorm is een ding en fungeert als drager die die abstracte boodschappen.
De zin is de eenheid waarin wij communiceren. Ieder woord heeft op grond van grammaticale regels zijn vaste plek in de zin. Deze regels staan ons ter beschikking zonder dat wij dat beseffen. Bij het leren van een vreemde taal wordt ons dat pijnlijk duidelijk want dan beschikken wij niet zomaar over die regels. Die moeten geleerd worden. Het onderstaande verhaaltje in 4) van een Eritrese inburgeraar illustreert dit heel aardig.
4) Ik wil Nederland schrijven cursus doen. De cursus die wil volg voor de zin en mojleke worden. Dan e-mail schrijven wil ik.
5) *In gisteren bibliotheek ik mijn zien buurman de.
6) Gisteren *zien ik mijn buurman in de bibliotheek.
7) Gisteren zag ik mijn buurman in *de zwembad.
8) Gisteren zag ik mijn buurman in de bibliotheek.
Zin 5) zal nooit het resultaat zijn van het bouwproces, dat aan iedere uitgesproken zin voorafgaat. Tegen bijna elke grammaticale regel, die van toepassing is op de correcte zin 8), wordt gezondigd. Zelfs van 6) merken we direct, dat er iets ‘raars’ met deze zin aan de hand is. Er is dus een regel, die voorschrijft, dat je het werkwoord ‘zien’ volgens een bepaald systeem moet vervoegen en dat het voor wat betreft Numerus en Tempus moet overeenkomen met het subject van de zin. Uit de schoolgrammatica weten we, dat het subject of onderwerp van de zin, de handelende instantie is. Van het woordje ‘gisteren’ weten we, dat het werkwoorden dwingt een tijd aan te nemen, die het verleden uitdrukt. Dit gaat met de verleden tijd ‘zag’ maar ook met de voltooide tijd ‘heb gezien’. Ook het lidwoord de vereist een specifieke plek in de zin en past alleen bij een bepaalde categorie zelfstandige naamwoorden: zie ‘de bibliotheek’ in 8) versus ‘*de zwembad’ in 7). Zo is er van ieder woord in de zin een beschrijving te geven, die de juiste positie in de zin en de correcte woordvorm aangeeft. Nu is het niet zo, dat communicatie alleen kan plaatsvinden in grammaticaal correcte zinnen. Uit 6) en 7) zal een toehoorder probleemloos een juiste betekenis afleiden, al zijn de zinnen niet helemaal correct.
Dat is een geruststelling maar werkt ook wat bevreemdend. We hebben gezien dat taal op een aantal verschillende niveaus actief is: de zin, het woord maar ook de buitenwereld, waarover een mededeling wordt gedaan speelt een rol. Er zit een ingewikkeld grammaticaal systeem in ons hoofd, dat ervoor zorgt, dat de woorden op een correcte wijze in zinnen worden samengebracht. Niet dat dit alles ons veel moeite kost, de communicatie tussen onze hersenen en onze spraakorganen verloopt bij de correcte zin 8) ongekend snel en is volledig geautomatiseerd. De grammaticaal juist gevormde zinnen rollen ons moedertaalsprekers als voortratelende orakels moeiteloos uit de mond. En dan toch, als het onverhoopt allemaal net niet volgens de regels werd geformuleerd, is het ook goed. De zinnen 6) en 7) laten zien, dat we alsnog worden begrepen. Waarom streeft onze geest deze ongeëvenaarde perfectie na? Is het de evolutie, die ons al die perfect geformuleerde zinnen in de mond legt? Zoals bij een insect, dat toch liever de nectar opzuigt uit een bloem, die door een willekeurig evolutionair voordeel haar lokstoffen net iets zoeter, net iets smeuïger weet te maken dan een ander. Waarom doet de evolutie met zoete geuren en uitbundige kleuren zoveel moeite om pollenkorrel en meeldraad samen te brengen? Wat is de noodzaak van een perfect geformuleerde zin? Het gekke is nu juist dat heel andere zaken, die niets met taal van doen hebben, een juiste informatieoverdracht in de weg kunnen staan. Dat kan variëren van een voorbijrazende auto tot een gebrek aan interesse in onze gesprekspartner. Het ingewikkelde maakproces van een zin in ogenschouw nemende én alle hindernissen, die het proces kunnen verstoren, mag het een klein wonder heten, dat wij überhaupt in staat zijn met elkaar te communiceren en dat die communicatie doorgaans helemaal niet zo slecht verloopt.
Taal dient dus de intermenselijke communicatie, maar waarover hebben wij het met elkaar? In feite over alles was der Fall ist. De Tractatus Logico-Philosophicus van Ludwig Wittgenstein uit 1921 begint met deze curieuze openingszet: ‘Die Welt ist alles, was der Fall ist‘. Alles wat het geval is kent voor zover ik het kan overzien geen beperkingen, het is onuitputtelijk. Onze wereld bestaat niet alleen uit dingen, van welke aard dan ook, maar ook uit voorschriften, wetsregels, bitcoins, bilaterale afspraken, opvattingen, bevindingen, angsten, vermoedens, dromen, hersenspinsels, noem maar op. Al deze geestesprodukten zijn in meer of mindere mate met taal verbonden en zijn op gezette tijden het geval en daarmee potentieel onderwerp van communicatie. Ludwig Wittgenstein tekent daar in zijn beroemde zevende stelling wel bij aan, dat we moeten zwijgen waarover we niet kunnen spreken. Er valt, met andere woorden, niet over alles, wat het geval is, iets zinnigs te zeggen. Daar komt nog bij, dat alles wat het geval is nogal veel en ook behoorlijk ongeordend is. De Duitse filosoof Gerhard Vollmer heeft in zijn Evolutionäre Erkenntnistheorie (1975) een heel simpele indeling gemaakt, die ons van dienst kan zijn om enige orde te scheppen in onze wereld van alles wat het geval is. Hij deelt de wereld simpelweg in in Realkatergorien en Erkenntniskategorien (categorieën van reële dingen en categorieën van kennisinhouden). Dat de appel, waarop zin 1) betrekking heeft, tot de Realkategorien behoort, behoeft geen betoog maar minder vanzelfsprekend zal het voor de lezer van dit essay zijn, dat ook de omstandigheid, dat Jan van appels houdt tot deze categorie behoort. Anders gezegd en met de eerste stelling van Wittgenstein in het achterhoofd: er is in de realiteit van deze wereld iets het geval, namelijk dat Jan van appels houdt, nog voordat wij deze omstandigheid in de talige vorm van zin 2) hebben kunnen gieten. Gerhard Vollmer heeft zich niet zo expliciet over de precieze afbakening van die twee categorieën uitgesproken maar hier, bij de omstandigheid, dat iets het geval is, ligt volgens mij de grens.
Daarmee is onze taal duidelijk een Erkenntniskategorie. Om zicht te krijgen op wat taal doet is het goed ons af te vragen wat precies de relatie is tussen taaluitingen als 1) en 2) en het ding zelf. We hebben al gezien, dat bij zin 3) die relatie een onverwachte wending heeft genomen. Maar ook al is die relatie tussen taal en referent recht toe recht aan, zoals in 1) en 2), dan nog mogen we niet uit het oog verliezen, dat zinnen een totaal andere identiteit hebben en een heel ander doel dienen dan de fysieke dingen, waaraan wordt gerefereerd. Dat levende fysieke ding, dat we appel noemen, heeft veel meer eigenschappen gemeen met andere levende fysieke dingen als peren of rendieren dan met niet-fysieke dingen als gedichten of kookrecepten, ook al gaan die over appels, peren of rendieren. Sterker nog, appels hebben zelfs onmetelijk veel meer eigenschappen gemeen met niet levende fysieke dingen als spijkers en schroeven of tuinstoelen en droogmolens dan met gedichten of natuurwetenschappelijke formules over appels, peren of schroeven. Twee wezensvreemde werelden staan hier naast elkaar. En toch – en daarin schuilt het vernuft en de macht van taal – zijn wij in staat om met dat rare abstracte fenomeen taal ons een compleet beeld te vormen van die andere wereld. Als ik zeg appel ziet eenieder van ons een mentale voorstelling van een appel voor zich. Als ik zeg verdriet, kan eenieder van ons zich daar iets bij voorstellen.
Zo werkt taal héél precies, want niemand zal zich een spijker of een droogmolen voor de geest halen als ik appel zeg, maar ook weer niet zo precies want de een zal zich bij appel een Elstar voorstellen en de ander een Goudrenet en bij met iemand nog een appeltje te schillen hebben liggen de verhoudingen weer heel anders. We zien, dat taal zich moeiteloos aan onze noden aanpast, nu eens zal het precies moeten – in een handleiding ‘pech onderweg’ moet de werking van de startmotor worden uitgelegd – dan weer opzettelijk niet precies – ik schrijf een sinterklaasgedicht waarbij de inhoud van de surprise in het ongewisse moet blijven.
Dat opzettelijk niet precieze taalgebruik van ons krijgt nog een extra dimensie als we het metaforische taalgebruik zoals in zin 3) in ogenschouw nemen. Hoe moeten we het raffinement beoordelen, waarmee de mens in staat is iets anders te zeggen dan hij feitelijk bedoelt (A zeggen maar B bedoelen). Ons dagelijks taalgebruik zit vol met dit soort verkeerde verwijzingen. In het Nederlands houden we er een hele verzameling stijlfiguren op na. Onder 9) zien we een aantal variaties op A zeggen maar B bedoelen. Het fascinerende is, dat deze manier van communiceren door zowel spreker als toehoorder als volslagen normaal wordt ervaren.
Stijlfiguren 9)
- a) Eufemisme: Bij hem zit er een steekje los.
- b) Metafoor: De toekomst lacht je toe.
- c) Hyperbool: Ik heb een eeuw staan wachten.
- d) Pars pro toto: Londen meldt, dat de Brexit onderhandelingen succesvol verlopen.
Het gemeenschappelijke van de voorbeeldzinnen onder 9) zit hem in de betekenis, die niet letterlijk moet worden opgevat. Voor iedere moedertaalspreker van het Nederlands is het de gewoonste zaak van de wereld te zeggen, dat hij/zij met iemand nog een appeltje te schillen heeft als bedoeld wordt, dat de persoon in kwestie iets verkeerds heeft gedaan, dat om een reactie vraagt. Met de zegswijze met iemand nog een appeltje te schillen hebben zeg je iets anders dan je feitelijk bedoelt. Klaarblijkelijk loopt er naast het gewone niet-metaforische taalgebruik van zinnen 1) en 2) een parallel tweede taalspoor door onze hersenen, dat ons opdraagt het ons meegedeelde anders dan volgens de gangbare regels te interpreteren.
10) De auto maakte een scherpe bocht.
11) De monteur repareerde de auto.
Tot nog toe was de zienswijze als volgt: We hebben de talige uitdrukking van 10) ‘De auto maakt een grote bocht’, die overeenkomt met een situatie in de buitenwereld waarin een auto een grote bocht maakt. Als spreker en toehoorder de intentie hebben het over niets anders te hebben dan een auto, die een scherpe bocht maakt, correspondeert de mededeling in 10) met de situatie in de buitenwereld. En als het in het contact tussen autobezitter en garagehouder van belang is aan te geven, dat het de monteur was, die de auto repareerde, dan correspondeert ook de mededeling van 11) met de feitelijke situatie. Maar de relatie tussen mededeling en werkelijkheid is in zin 3) ineens anders. Hier is er sprake van een tweede taalspoor waarin appel geen appel meer is zoals pet geen pet is in er met de pet naar gooien, petje af of ik kan er met de pet niet bij. Dergelijk inconsequent taalgebruik bezigen we voortdurend, alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Natuurlijk is er een relatie tussen petje af en de persoon, wiens gedrag we bewonderen, maar het lijkt me neuraal nogal omslachtig om die bewondering niet simpelweg af te doen met het mededeelzame ‘ik bewonder je gedrag’ maar in plaats daarvan de metafoor petje af te gebruiken. Toch draaien we onze hand er niet voor om. Wie een gevoelig oor heeft voor de manier waarop wij dingen zeggen struikelt om de haverklap over inconsequente taaluitingen. Bij analyse kom je er pas achter hoe gecompliceerd de situatie wordt als die twee taalsporen door elkaar gaan lopen. Met enige goede wil zou je het woord als metafoor voor zijn referent kunnen beschouwen omdat het als metafoor dat verwoordt, wat het niet is – het woord appel is in alles wat anders dan het ding appel. Met stijlfiguren als petje af of met iemand nog een appeltje te schillen hebben maken we metaforen van metaforen en daarmee is de metafoor naar alle waarschijnlijkheid de grootste leverancier van onze omvangrijke woordenschat.
Ik som hier de verdachte termen van dit essay nog even op: Petje af; je hand ergens niet voor omdraaien; met iemand nog een appeltje te schillen hebben; struikelen over een uitdrukking, maar ook de begrippen ‘om de haverklap’, ‘begrip’ ‘metafoor’ en ‘vallen onder’ vallen onder metaforisch taalgebruik. Toen ik hierboven zocht naar een niet-metaforische omschrijving van met iemand nog een appeltje te schillen hebben, had ik daar de grootste moeite mee. Begrippen als ‘iets rechtzetten’ of ‘met iemand nog een rekening te vereffenen hebben’ waren mij goed van pas gekomen maar ik wilde ze om hun metaforische karakter vermijden. Uit deze lastige zoektocht komt duidelijk naar voren welke cruciale positie de metafoor inneemt in ons taalgebruik van alledag. We doen niet anders dan in metaforen spreken zonder dat dat ook maar enige belemmering opwerpt bij ons begrip van de wereld.
Je zou verwachten, dat met dat tegendraadse ‘A zeggen en B bedoelen’ ons machtige wapen taal de wereld buiten ons alleen maar versluiert in plaats van haar adequaat te beschrijven. Het tegendeel is het geval, over al dat overdrachtelijke taalgebruik, dat hier de revue passeerde bestaat geen enkele onduidelijkheid. We weten precies waar we aan toe zijn als iemand nog een appeltje met ons te schillen heeft. Dat maakt de relatie tussen taal en buitenwereld alleen maar raadselachtiger. Is taal überhaupt wel een venster op de wereld? Is zij niet veel meer een compleet interne aangelegenheid, die de buitenwereld nu eens adequaat omschrijft en dan weer helemaal niet? Voor onze alledaagse omgang met de buitenwereld lijkt die dubbelslag ‘A zeggen en A bedoelen’ naast ‘A zeggen en B bedoelen’ niet zoveel uit te maken. Ik maak dat onderscheid om zicht te krijgen op hoe taal werkt, onze hersenen doen dat niet. Het lijkt erop, dat onze taal geen enkel onderscheid maakt tussen de appel van de zinnen 1) en 2) en de appel van zin 3). Taal refereert volgens de wetten van de logica aan de buitenwereld (A zeggen en A bedoelen) of juist niet. Ons interne taalvermogen is het om het even. Dat geeft te denken. Als taalgebruiker putten we met een grote vanzelfsprekendheid uit dat immense reservoir vol tegenstrijdigheden. We zijn ons er amper bewust van, dat al die uiterst merkwaardige en tegenstrijdige taalprocessen geen enkele belemmering vormen voor onze communicatie. We hoeven er geen moeite voor te doen, er hoeft geen knop om als we van modus veranderen, alles loopt volledig geautomatiseerd.
Daarmee is onze taal dé pijler waarop onze cultuur rust. De nuance, juist niet de dingen te zeggen zoals ze bedoeld zijn, is een extra dimensie in ons rijke, veelkleurige, maar niet altijd even precieze communicatiesysteem. Deze vaardigheid, overdrachtelijk over de dingen te spreken, is misschien wel een van de hoogtepunten in de lange wordingsgeschiedenis van de mens. Het laat zien hoe verfijnd onze omgang met elkaar en met de wereld kan zijn. Door de complexiteit van ons taalvermogen zijn wij cultureler en poëtischer geworden. We zijn meer mens geworden. Onze taal beschouwen we als een wereld op zich. Haar wonderlijke relatie met de buitenwereld biedt ons ongekende uitdrukkingsmogelijkheden.
In een volgend essay wil ik de taal onder de microscoop leggen. Als we inzoomen krijgen we wat meer zicht op de systematiek van taal. Dan zien we, dat taal een bepaalde vorm heeft, die je ziet en hoort. Iedere taal klinkt anders en soms treedt er interferentie op, het overbekende Prins-Bernard effect. Als we inzoomen zien we ook, dat taal betekenis heeft. Dat het met die betekenis raar kan lopen hebben we gezien bij de voorbeeldzinnen met appel. Betekenis en vorm passen niet altijd als een dekseltje op een potje. Vaak past het niet en als het wel past verbaast ons dat nogal eens. Hoe kan dat? We gaan de begrippen semantiek voor betekenis en syntax voor vorm introduceren en zullen proberen te ontraadselen waarom er klaarblijkelijk geen één op één relatie tussen die twee bestaat.
Hans Koetschruiter (*1959) studeerde van 1983 tot 1989 Duitse taal- en letterkunde in Groningen. Op dit moment doceert hij Nederlands aan Duitstalige studenten, die aan de Rijksuniversiteit Groningen een Engelstalige studie doen.
Reageren? Mail naar: mirsk1960@gmail.com
Geraadpleegde literatuur
Berna de Boer en Ronald Ohlsen, Nederlands op niveau, methode Nederlands voor hoogopgeleide anderstaligen, Uitgeverij Coutinho, Bussum, 2015
James Gleick, Informatie, De Bezige Bij, Amsterdam, 2011
Uwe Schulz, Immanuel Kant, Rororo Monographien 659, Rowohlt Verlag, Hamburg, 2003
Freek van de Velde, Wat taal verraadt, Uitgeverij Lannoo, Tielt, 2024
Gerhard Vollmer, Evolutionäre Erkenntnistheorie, S. Hirzel Verlag, Stuttgart, 1975
Ludwig Wittgenstein, Tractatus logico-philosophicus, Edition Suhrkamp, Berlin, 1973