Wat hadden Ulla en Stig in I970 in Zweden, waarvan Srey in Cambodja vandaag niets eens kan dromen?

Het bekende verhaal van twee werelden

 

Tegen het einde van zijn monumentale overzicht van onze industrieel-economische geschiedenis van de late middeleeuwen tot nu, Capitalism: a global history (2025), vertelt de Amerikaanse hoogleraar economie Sven Beckert het verhaal van twee fictieve maar herkenbare doorsnee Zweden, Ulla en haar man Stig. Zij zijn, als gezonde witte mensen, een overtuigende illustratie van de westerse welvaartsstaat: een gemiddeld goed betaalde baan voor Stig die het hen mogelijk maakte met één inkomen rond te komen. Er is genoeg geld voor een bescheiden maar moderne woning, regelmatig vakanties in Scandinavië, een goede ziektekostenverzekering en uitzicht op een redelijk pensioen, allemaal voordelen van een welvaartsstaat waarvoor hun grootouders en ouders hard hadden gewerkt en gestreden. Ulla en haar man waren overtuigde leden van de vakbond en stemden dan ook vanzelfsprekend links. Ze hadden vertrouwen in hun politieke leiders en het democratische bestel. Zoals de meerderheid van hun sociale groep vonden ze het als het ware natuurlijk dat de meeste vrouwen thuisbleven en ze protesteerden ook niet, wanneer vrouwen die wél werkten slechts ongeveer 70% van het loon van hun mannelijke collega’s verdienden.

Wanneer ik de bovenstaande paragraaf herlees, klinkt die bijna als een karikatuur, maar deze periode na de Tweede Wereldoorlog van meer dan een kwarteeuw, de ‘dertig glorierijke jaren’ (1945-1973) van de Franse econoom Jean Fourastier, gold als niet minder dan een succesverhaal. Een succesverhaal dat bovendien zelf was bevochten door sociaal engagement, gedragen door een gematigde strategie. De kapitalisten uit hun tijd hadden ingezien dat ze zonder pijnlijke conflicten en met de nodige concessies hun leidende positie in een gedisciplineerde samenleving zonder al te veel strijd of schandalen konden behouden.

Het bevestigde bovendien in beide kampen de overtuiging dat de beschaafde sociaaldemocraten met hun keuze voor een sociale welvaartsstaat binnen een ‘kapitalisme met een menselijk gezicht’ gelijk hadden gekregen. En wanneer we vandaag het eisenpakket van heel wat vakbonden en socialistische partijen in andere westerse landen lezen, merken we dat voor hun verkozen leiders de hierboven geschetste verworvenheden ook in andere moderne industriestaten aanvaardbaar zouden zijn.

Maar Sven Beckert gaat anders te werk: niet alleen citeert hij in bijna elk van de zeventien hoofdstukken en de epiloog bekende radicaal linkse en of marxistische denkers, van Lenin en Luxemburg tot Piketty, antikapitalisten van wie hij de kritiek naast zijn beschrijving van de behandelde kapitalistische fasen zet, alsof hij de lezer met een alternatieve analyse wil confronteren; hij laat bovendien ondubbelzinnig zien dat vrijwel alle sociale en democratische verbeteringen van het lot van de arbeiders en hun families het resultaat zijn geweest van vaak bloedige tot dodelijke conflicten tussen arbeid en kapitaal, want niets werd of wordt uit naastenliefde of andere nobele motieven geschonken. Zo wordt de lezer meer dan duizend bladzijden lang opgezadeld met een driedubbele boodschap die je als het ware zelf voor die keuzes stelt: om te beginnen is er het uitvoerige, geïllustreerde historisch overzicht van het vóórkapitalisme tot en met de vooruitzichten voor de eenentwintigste eeuw; daarop volgt een samenvatting van de uitbuiting en miserie die deze telkens hernieuwde keuze voor het kapitalistisch systeem met zich heeft meegebracht. Let wel, niet om dit meteen te veroordelen dan wel als onvermijdelijk of ‘natuurlijk’ voor te stellen, maar om het beeld zo volledig mogelijk te maken.

En ten derde laat Beckert voorspellingen over de nabije en verre toekomst over aan de lezer: er is, binnen en buiten het kapitalisme nog heel veel mogelijk, maar je moet wél de geschiedenis kennen, en dat betekent hier de ontwikkeling van het kapitalisme zowat overal ter wereld. In het begin gaat het over ‘eilanden’ van een verrassend succesrijk internationaal handelskapitalisme, terwijl hij aan het einde opnieuw spreekt over ‘eilanden’, maar deze keer zowel over superkapitalistische als niet-kapitalistische utopieën die, en hier drukt hij zich voorzichtig uit, eventueel zouden kunnen worden gerealiseerd en/of uitgebreid. Omdat hij zijn analyses grondig presenteert, met meer dan honderd gedetailleerde voetnoten en verwijzingen naar een uitvoerige bibliografie, is het vrijwel onmogelijk deze studie te negeren, om het even vanuit welke ideologische hoek dit werk wordt benaderd.

 

Daar het niet de bedoeling is deze bespreking te reduceren tot een samenvatting van de belangrijkste stellingen, kunnen we best de auteur zelf aan het woord laten, en beginnen met het hierboven al vermelde verhaal van ‘Ulla en Stig’ en de bedenkingen die Beckert eraan toevoegt.

Tegen de jaren 1970 leefden de arbeiders in de kernlanden van het industriële kapitalisme in omstandigheden die slechts één of twee generaties eerder ondenkbaar zouden zijn geweest. Neem, bij wijze van voorbeeld, een arbeidersgezin in de Zweedse stad Gotenburg. Een oude handelspost en vroeger hoofdkwartier van de Zweedse Oost-Indië Compagnie en een opkomende industriële draaischijf van de scheepsbouw en de zware industrie. Gotenburg was de tweede grootste stad van een land dat, op verscheidene manieren, heel duidelijk de gouden eeuw van het kapitalisme symboliseerde. Dit fictieve gezin bestond uit een echtpaar met twee kinderen. Omdat de kinderen jong waren werkte de moeder – laten we haar Ulla noemen – deeltijds in een plaatselijk ziekenhuis, waarbij ze kon rekenen op haar moeder en schoonmoeder om haar te helpen met de kinderen. De echtgenoot van Ulla, die we Stig zullen noemen, werkte aan de lopende band in de Torslandaverken, één van de dertienduizend arbeiders die onderdelen maakten voor de autofabriek Volvo die zijn hoofdkwartier in Gotenburg had.

Waarschijnlijk woonde het gezin in een huurhuis met terras of een appartement met vier kamers in een wooncomplex, waar kinderen een slaapkamer deelden. Het is mogelijk dat hun woning was gebouwd door de staat met regeringstoelagen (in de vorm van leningen), of het gezin had mogelijk een huursubsidie van de regering gekregen. Ze beschikten over een redelijke woning en hadden voldoende voedsel en kleding. Ze gebruikten zaken waarvan vroegere generaties arbeiders niet hadden kunnen dromen, huishoudelijke apparaten waarmee Nixon in Moskou geboft had, en dat hield een radio in, een televisietoestel en zelfs een auto. Ze konden deels zo leven omdat de lonen waren gestegen. Hoewel ze het duidelijk beter hadden dan de meeste Zweden het ooit hadden gehad, was hun levensstandaard nog steeds bescheiden. Toen Hans Rosling, die een van de leidende figuren in Zweden was geworden, terugkeek op zijn kindertijd in een arbeidersgezin, herinnerde hij zich dat zijn ouders kapotte voorwerpen zorgvuldig herstelden, onder meer kleren die moesten worden versteld, en dat zijn gezin voedsel gebruikte dat het kweekte in de tuin om hun aankopen in de winkel aan te vullen. Ulla en Stig zouden hetzelfde hebben gedaan. (blz. 883-884)

 

Verder heeft Beckert het over het één-inkomensgezin als een ‘hoeksteen’ van de gouden eeuw. Wanneer er extra geld nodig was, kon Stig bijna altijd overuren maken. Zo werd het traditionele patriarchale gezin in stand gehouden, onder meer door een soort schuldgevoel dat de meeste vrouwen voelden die hun kinderen achterlieten in een kinderdagverblijf, al zijn er hier en daar tekens van onbehagen te bespeuren, en het verlangen naar een andere, meer gelijkwaardige rol voor de vrouw. Het was het begin van een emancipatiebeweging die in de industrielanden van het Westen is ontstaan en die langzaam maar zeker het (zelf)beeld van de vrouw in een groot gedeelte van de wereld verandert. Zozeer zelfs, dat de meeste staten en regimes in het slechtste geval lippendienst moeten bewijzen aan de afgekondigde volledige emancipatie van de vrouw in de politiek, op de arbeidsmarkt en binnen het gezin. Met ‘lippendienst’ zitten we voorlopig nog in een grijze zone: een regering kan met dergelijke verklaringen internationaal aanvaardbaar worden gemaakt, of op zijn minst geschikt voor allerlei vormen van internationale samenwerking, zonder ook in de praktijk echt wezenlijke veranderingen te hoeven doorvoeren in de status van de genders zoals samengevat door de lbgt+ activisten. Dergelijke schijnbare vertragingen, politieke en sociale concessies of compromissen kunnen voorlopig de echte en op termijn onafwendbare confrontatie met de verdedigers van het patriarchaat weliswaar uitstellen, maar ze vormen de basis waarop elke volgende stap naar uitbreiding en versterking vanzelfsprekend zal steunen. Zoals ook bij de analyse van de volgende pijlers van de welvaartsstaat in de industrielanden zal blijken, zullen de snelheid en efficiëntie van de fundamentele onomkeerbare veranderingen, die ook revoluties in de ware betekenis van deze term kunnen worden genoemd, van geval tot geval verschillen, iets wat pas duidelijk wordt vanuit universeel historisch perspectief. Omdat deze beide termen regelmatig in deze studie opduiken, kunnen ze het beste aan het begin van dit essay duidelijk worden gedefinieerd: een verandering in de relatie tussen de seksen in Brooklyn, New York zal onvermijdelijk gevolgen hebben in Lima, Peru, maar op termijn evengoed in een voorstad van Kinshasa, dat wil zeggen overal waar mensen toegang hebben tot de nieuwe media, ook al beschikt nog maar een klein percentage van de bevolking over de nodige middelen en macht om die verandering meteen door te voeren.

Een voorbeeld hiervan is het enorme verschil tussen de informatie over de rassenproblematiek die we in 1967 te horen kregen van onze witte gastheren, al sinds de negentiende eeuw de eigenaars van de enige grote winkel (‘general store’) in Ridgeway, een kleine stad in Zuid-Carolina, en die van zwarte inwoners een paar straten verder. De vriendelijke witte middenstanders verzekerden ons dat ‘hier alles in orde’ was en dat hun zwarte stadgenoten nauwelijks wisten wat er in de rest van het land zoal gebeurde, terwijl we in heel wat woonkamers van even vriendelijke zwarten foto’s aantroffen van Martin Luther King. Ongeveer een jaar later organiseerden deze ‘onwetende’ medeburgers een goed georganiseerde boycot van die winkel, om de eigenaars ervan te dwingen banen ook voor niet-blanken open te stellen. De zwarten liepen liever een half uur naar de volgende stad dan de strijd op te geven. Het conflict eindigde met het faillissement en de sluiting van de winkel. Deze ‘kleine stap’ in de geschiedenis van een stadje waar de witte burgers sinds het einde van de negentiende eeuw welvarend waren geworden door de katoenindustrie had, sociaal gezien, de ‘grote stap’ naar de integratie van zwart en wit met wederzijds onbegrip en bitterheid gemist. Terwijl wij, vanaf veilige afstand, de taaie koppigheid van bepaalde racistische en patriarchale medeburgers betreuren, vergeten we blijkbaar al te vaak hoe wijzelf de indrukken van vergelijkbare ‘gemiste stappen’ als littekens blijven meedragen.

 

Over het nut van de zogenaamde derde wereld

Want dat is de tweede pijler waarop onze gouden naoorlogse jaren rustten: we onderschatten niet alleen de volkomen gerechtvaardigde persoonlijke verlangens en uiteindelijk politieke eisen van onze vrouwen, maar we beseften veel te weinig de boodschap die we bijvoorbeeld overal in Duitstalige en andere landen in bijna elke straat konden lezen maar nauwelijks zagen, laat staan begrepen: ‘Kolonialwaren’. O ja, Ulla wist ook wel dat koffie, thee en waarschijnlijk nog andere ingrediënten van de oer-Zweedse ‘smörgåsbord’ lunch, denk aan gorgonzola en avocado, uit het buitenland kwamen, zoals zoveel recepten uit haar keuken, maar het zou me verwonderen als dit een associatie met ‘het kolonialisme’ had opgeroepen. We weten intussen dat de door hun regeringen gesteunde koloniale kapitalisten in hun streven naar monopolies op de grondstoffen en producten uit het Globale Zuiden heel ver konden gaan en zelfs niet aarzelden, zo nodig, de productiemachines uit de veroverde landen, bijvoorbeeld Indië, te vernietigen om de wereldmarkt te kunnen blijven domineren. Omgekeerd zullen we niet aarzelen onze productiemiddelen hier af te bouwen en te verhuizen naar de goedkoopste productiecentra. En hier botsen we op de legende die aan de beginjaren van het industriële kapitalisme werd verteld over de bijzondere geschiktheid van jonge vrouwen voor saaie en repetitieve arbeid. Hier heeft men het over de speciale aanleg van ‘Oosterse’ vrouwen voor dit soort werk, met het gevolg dat ongeveer 90% van dat soort goedkope banen naar jonge vrouwen gaat die daarvoor een natuurlijke aanleg zouden hebben. Het portret van Srey Mau uit Cambodia is, ongeveer een eeuw later, zowat de tegenhanger van dat van Ulla in Gotenburg:

 

Minder dan een generatie geleden woonden de vrouwen die nu kleding stikken met hun uitgebreide families in landelijke gebieden, waar ze rijst kweekten, mango’s oogstten en kinderen grootbrachten.

Srey Mau was één van hen. Ze is in 2023 achtendertig jaar oud, ze woont in een klein dorp ongeveer drie uur ten zuidoosten van Phnom Penh, aan de grens met Vietnam. Het was onmogelijk geworden om haar leven voor haar gezin vol te houden, toen de oude ruileconomie die nog structuur had gegeven aan het landelijke bestaan tijdens het leven van haar ouders, in elkaar stortte. Zoals de meeste anderen in hun dorp werden ze verplicht in loondienst te gaan en daarnaast rijst en groenten te kweken en te verkopen. Plotseling waren hun levens verbonden met de verre uithoeken van de wereld. De oudere zus van Srey verhuisde naar Korea en toen ze vijfentwintig was verliet ook Srey de rijstvelden, toen een vriendin haar aanwierf om te gaan werken in een kledingfabriek in Phnom Phen. Na korte tijd verhuisde ze naar buurland Thailand om er supermarkten schoon te maken, waarbij ze veel van haar inkomsten kwijt was aan het terugbetalen haar schulden bij het uitzendbureau dat haar reis naar het buitenland had betaald. Ze kreeg heimwee en keerde terug naar haar dorp. Tegen die tijd was er dichtbij een fabriek gebouwd, een neutraal betonnen, niet als zodanig herkenbaar gebouw dat via reclameborden arbeiders rekruteerde. In een soort van omgekeerde mobilisatie was de fabriek naar het platteland gekomen, eerder dan het omgekeerde. Srey kreeg $ 175 per maand betaald voor acht uur werk per dag (zes, soms zeven dagen per week): kleding stikken voor haar Chinese werkgever. Een gloednieuwe door Chinezen gebouwde weg verbond haar vroeger afgelegen streek waar ze rijst had gekweekt, met de hoofdstad en, belangrijker, met Vietnam en vandaar met China. Afhankelijk van de bestellingen voor de fabriek moest ze af en toe overuren maken, op andere momenten werd ze ontslagen. Af en toe, meldt ze, werden er helemaal geen lonen uitbetaald. ‘Het is te gemakkelijk om te worden weggegooid als vuilnis’, zegt Srey in een samenvatting van de ervaring van een leven dat net een generatie eerder uitzonderlijk, zelfs ondenkbaar zou hebben geleken voor mensen in het dorp, maar vandaag zo gewoon dat het een cliché is geworden. (blz. 1048-1049)

Zo confronteert Beckert ons met de resultaten van de opmars van het kapitalisme in al zijn historische fases. Als gevolg van de hoge scholingsgraad in het Noorden is de kans groter dat meer gewone mensen vlugger de analyse kunnen maken van hun eigen situatie, terwijl hun leeftijd- en seksegenoten in het Globale Zuiden hun eigen situatie minder goed kunnen inschatten en zich daarom minder kunnen verzetten. Wat de zaak nog meer vertroebelt is dat de moderne welvaart van het Noorden voor een groot deel afhankelijk is van het succes van de uitbuiting in het Zuiden, zonder dat de meerderheid van de mensen aan beide zijden van de wereldkaart deze logische en meetbare tegenstelling voldoende beseft. Om niet door een te exclusieve nadruk op het ‘universele’ in de val van een wereldvreemd idealisme te trappen, hebben we deze historische benadering evengoed nodig. Iedere nieuwe fase van het kapitalisme wordt mede bepaald door de concrete historische fase waarin ze is ontstaan en door wordt gekenmerkt.

Naast de quasi universele en waarschijnlijk daarom als natuurlijk aanvaarde ongelijke behandeling van vrouwen en de onredelijk langzame ontvoogding uit het kolonialisme in al zijn fases, met als voorlopig laatste vorm de welvaartsstaat die er tijdens de ‘trente glorieuses’ grotendeels in was geslaagd zichzelf te verkopen als de hoogst haalbare synthese van een wetenschappelijk verantwoorde vorm van laatkapitalisme en er een gegarandeerde vorm van zorg voor ‘de zwaksten van onze medeburgers’, is er nog een derde precaire factor. Eem dergelijke ideologie slaagt uiteraard alleen als de stabiliteit meer dan een generatie aanhoudt, en de arbeiders en de blijkbaar oncontroleerbare crises de kern van het hele systeem niet kunnen raken of bedreigen. En dat is precies de derde pijler waarop deze welvaartsstaat berust. Doorsnee sociale wetenschappers en zelfs doodgewone krantenlezers, smartphone- en televisiekijkers hoeven slechts één blik te werpen op hun dagelijkse media, waarvan de naam alleen de verbindende en vertrouwen-scheppende band tussen machthebbers en het publiek lijkt te garanderen, om te weten dat de oude machtsverhouding nog vrijwel helemaal intact is. Je hebt geen gediplomeerde feministen, doorwinterde ecologen of scherpzinnige sociale reporters nodig om dat in te zien, maar ook deze voorvechters botsen overal op de manier waarop wij deze ongelijkheden en vooroordelen bijna als ‘natuurlijk’ – vroeger heette dit ‘Godgegeven’ – zijn gaan beschouwen.

Het is de verdienste van dit boek dat het de meest recente informatie over deze stand van zaken (mag ik het voor alle duidelijkheid nog maar eens de materiële basis noemen?) in detail samenvat, met de vermelding dat ook andere factoren in die geschiedenis van het kapitalisme een bepalende rol hebben gespeeld (heeft er iemand hiervoor intussen al een betere definitie dan ‘de bovenbouw’ gevonden?). Vermoedelijk vermijdt Beckert deze klassieke termen om niet in een bepaalde hoek te worden geduwd en ingemetseld, maar dit klopt dan niet met de visies van de overgrote meerderheid van de critici die hij bijna overal als tegengetuigen oproept. Anders gezegd: Ulla en Stig hebben in de jaren vijftig tot zeventig van de vorige eeuw zowat het toppunt bereikt waartoe de allerbeste van de varianten van het kapitalisme in staat zijn, maar is de sociale teruggang, die we overal moeten vaststellen, dan onvermijdelijk? En kunnen we deze teruggang voor het grootste gedeelte wijten aan de onvermijdelijke opkomst van nieuwe technologieën als AI, gekoppeld aan onze legitieme verwachting van de uitputting van onze vertrouwde grondstoffen en energiebronnen? Anders gezegd: zijn we bereid, de essentiële democratische, grotendeels ongeplande voordelen van het bestaande systeem zonder meer in te ruilen voor nog meer winst, comfort en veiligheid zoals de media en de propagandamiddelen ons voorhouden? Is, met andere woorden, onze kritische vaardigheid meer een hinderpaal voor onze inpassing in het systeem dan een wezenlijk mensenrecht geworden?

 

Du hast dich zwar gerettet, doch wen rettetest du?

Gottfried Benn

Dat is de heerlijk prikkelende opdracht die een aandachtige lectuur van dit boek je oplegt: ofwel laat je Seinsfragen als deze onbeantwoord, onder meer omdat ze tot een verleden behoren dat we reeds lang van de tafel hadden moeten vegen (‘du passé faisons table rase’) en, bovendien, omdat we weten dat dit soort existentiële diepzinnigheden niet alleen in linkse kringen populair was, maar evengoed vaak en met succes werd gebruikt door dichters als Gottfried Benn en niet onverdachte denkers des vaderlands als Martin Heidegger. Of neem je de uitdaging aan en ga je op zoek naar een nog steeds actueel antwoord op diezelfde vraag, omdat ze ook vandaag nog steeds niet is beantwoord? Zo komen de laatste jaren opvallend veel politici en staatsleiders in de media die er ons keer op keer aan herinneren hoe schromelijk kwetsbaar we zijn geworden door onze afhankelijkheid van onder meer de Verenigde Staten en China. Onze lange speeltijd op tot voor kort veilig bewaakte speelplaatsen heeft ons, in casu de Europeanen, op dat gebied niet dertig, maar nu al meer dan tachtig jaar welvaart en economische groei bezorgd, en is het niet een beetje hypocriet of op zijn minst ongeloofwaardig dat we bovendien zouden moeten worden geraadpleegd en gehoord, alsof we echt zouden meetellen?

Je kunt het natuurlijk ook omkeren: terwijl de echt grote machtsblokken nog steeds gevangen zitten in de logica van de Koude Oorlog kunnen wij, hooguit 11% van de wereldbevolking maar blijkens de migratiestatistieken in toenemende mate aantrekkelijker aan het worden, voorlopig nog relatief veilig werken aan een alternatief dat op termijn meer toekomst lijkt te hebben dan die waarmee onze buren bezig zijn.

Om terug te komen op een mogelijk andere invulling van de term ‘wen’ in het citaat van Benn: als we het nu eens niet hadden over onze individuele welvaart en veiligheid, zowat de eerste, meest legitieme en ook saaiste van al onze behoeften, maar over al die andere persoonlijke en collectieve eigenschappen en verwachtingen die sinds de jaren 1970 de dromen van Ulla en Stig hebben bevolkt, moeten we anderen ervan kunnen overtuigen dat het toch al te gek zou zijn, als we onszelf voor de derde keer in een korte eeuw wijsmaken – en anderen ervan zouden overtuigen – dat we nog maar eens miljoenen doden en een ‘verbrannte Erde’ nodig hebben om wat wij onze beschaving noemen te redden en te herbouwen. Misschien moeten we onszelf en onze generatiegenoten de vraag stellen of we die radicale afbraak en die breuk met het verleden nodig hadden om opnieuw te kunnen beginnen. Misschien bedoelde ik dat met ‘heerlijk prikkelend’? Er is ons, met andere woorden, een heel erg activerende opdracht toebedacht. Prikkelend, want je voelt dat je daaraan niet kunt of wilt ontsnappen en heerlijk, omdat we in feite een opdracht en een uitdaging hebben gekregen die uiteindelijk alleen door ieder van ons kan worden uitgevoerd of verwaarloosd. Er is ons vrijwel niets beloofd, behalve dat niemand ons hier kan vervangen én dat de hele verantwoordelijkheid op ons werd geladen. Waarmee we worden uitgenodigd om de rest van ons leven te blijven dromen van alles wat we nog kunnen en dus moeten doen om op zijn minst te proberen aan die verwachting te beantwoorden die we onszelf stellen.

 

De drie contradicties van de klassieke welvaartsstaat

Zo kunnen we bij wijze van voorbeeld beginnen met een aantal contradicties van onze westerse welvaartsstaat die ons bijna vanzelf zijn opgevallen of die ons voor het eerst deden luisteren naar nieuwe vormen van kritiek op onze, zo meenden we, welverdiende successen. Een eerste onmiskenbaar kenmerk van onze beschaving is de duidelijke afwezigheid van de bijdrage van de vrouwen in het verhaal van onze overwegend mannelijke emancipatie. Uiteraard weten we dat het vaak individuele of collectief optredende vrouwen waren die zich al vroeg hebben verzet tegen hun opvallende onzichtbaarheid in die geschiedenis, en we hebben het hier niet alleen over de vrouwen die brood kwamen opeisen voor hun gezin aan de poorten van het nog steeds feest vierende Versailles. Keer op keer waren het vrouwen die als eerste groep het onrecht hebben ervaren en ertegen protesteerden, maar die eeuwenlang niet over de middelen beschikten om te worden gehoord. In 411 v.C. schreef de satirische dichter Aristophanes het stuk Lysistrata, waarin de vrouwen besluiten een einde te maken aan de zinloze mannenoorlog tussen Athene en Sparta door het organiseren van een seksstaking, die duurt tot de mannen hun macho gedrag opgeven en aan vrede beginnen te denken Dat het een satire is, neemt de ernst van de boodschap niet weg, want niemand betwijfelde de band tussen dapperheid in de strijd en de verdiende beloning voor de gelauwerde kemphanen die deze keer hun kwetsbaarheid moesten toegeven. Dat deze satire tot in het midden van de vorige eeuw in de Verenigde Staten en andere landen werd gecensureerd of verboden zegt waarschijnlijk meer over onze nog steeds onvolwassen omgang met dit thema dan over het onderwerp zelf. De komische opera Cosi fan tutte van Mozart, geschreven in 1789 en voor het eerst opgevoerd in 1790, lijkt op het eerste gezicht de draak te steken met geconsacreerde waarden als liefde en huwelijkstrouw, maar wij kunnen of mogen daarbij niet vergeten dat tussen de compositie en opvoering van deze komedie met een ‘happy end’ zowat de hele westerse wereld op haar kop werd gezet door een revolutie waarvan de wereld nog steeds niet is bekomen, ongeacht de vraag of de jonge dames en heren trouw blijven aan hun beloftes of niet.

Bijna drieduizend jaar en honderden bloedige oorlogen later weten we, hoe efficiënt onze seksualiteit als wapen kan worden ingezet om vijanden rechtstreeks of indirect te verzwakken of te raken. Dat dit thema voor Ulla en Stig geen prioriteit had betekent niet dat er, een eeuw na de bestorming van de Bastille, geen nieuwe fase in de strijd voor de emancipatie van de vrouwen en seksueel anders geaarde mensen op komst was. Vandaag, weer hooguit een eeuw later, kunnen we ons geen fundamentele verandering van onze samenleving voorstellen die niet op zijn minst lippendienst bewijst aan de economische, intellectuele en politieke emancipatie van de vrouw. Wél is intussen gebleken dat de vanzelfsprekende band tussen een progressieve agenda en de emancipatie van de vrouw (‘vrouwenstrijd is klassenstrijd’) met een beetje verbeeldingskracht en wellicht iets meer fondsen vaak met succes kon worden gereduceerd tot een verlichte versie van de traditionele damesafdeling van de mode-industrie en de geavanceerde receptentijdschriften die, wanneer je het aandachtig bekijkt, tegelijk wél progressief kan zijn en geruststellend patriarchaal kan blijven, al zullen bijna alle betrokkenen dit uitdrukkelijk ontkennen.

 

Structurele ongelijkheid versus internationale solidariteit

De tweede pijler waarop deze (bijna) ideale welvaartsstaat berust is de enorme vooruitgang die de westerse industrielanden hebben gekend als gevolg van een heel gevarieerde kolonisering die nu al vijfhonderd jaar bezig is en (alweer) de indruk wekt van een natuurlijke orde waarop we gezamenlijk, maar niet als partners, met onze grondstoffen hebben leren omgaan. Het volstaat nog eens een blik te werpen op de koloniale kaarten van onder meer Afrika, met spoorlijnen die plotseling aan de zeehavens ontstaan en steeds maar groeien, om bruusk te stoppen bij de ingangen van honderde mijnen en andere ontginningsvelden, alsof de mensen daarachter geen transport nodig hebben. Als we willen, kunnen we in een oogwenk te weten komen welk percentage van de winst naar de autochtone bevolking gaat, mensen die zichzelf al die generaties lang nooit als ‘autochtonen’ hadden beschouwd, maar gewoon als bewoners van een vruchtbare vallei waar hun verre voorouders al hadden gewoond en gewerkt.

Niemand denkt eraan deze miljoenen ‘stateloos’ geworden zwervers hun land terug te geven, zoals ook niemand eraan denkt deze oorspronkelijke bewoners te repatriëren, zolang het voor ons lucratieve systeem standhoudt. Het is ook niet verwonderlijk, want het hele verdeelsysteem, ook dat van de meeste welvaartsstaten, is gericht op concurrentie met andere firma’s. Je kunt waarschijnlijk een gedeelte van je klanten overtuigen, uit solidariteit met producenten uit het Zuiden iets meer te betalen, maar dat komt in crisistijden nog moeilijker over dan anders. Dit bewijst het succes van de steeds goedkopere aanbiedingen uit bijvoorbeeld China. Je kunt gemakkelijker het loon van een arbeidster als Srey Mau uit een schoenfabriek in Cambodia verlagen dan Ulla en Stig in Gotenburg in Zweden ervan overtuigen een gedeelte van hun loon af te staan om de hun verder onbekende Srey te steunen. We leven weliswaar in uitzonderlijke tijden, waarin uitzonderlijke maatregelen een rol zouden kunnen spelen, maar zelfs de best georganiseerde vakbonden in het Noorden kunnen een dergelijk risico niet nemen zonder hun geloofwaardigheid (én hun leden) te verliezen. We komen hier in een volgend artikel op terug, wanneer we een aantal internationale initiatieven bespreken om die kapitalistische logica te doorbreken door middel van coöperaties of ‘commons’, maar voorlopig moeten we toegeven dat dergelijke tegenmodellen nog aan de rand van onze economie blijven steken.

 

Wat als we de stilte van de lente binnenkort door geloofwaardige AI-geluiden kunnen vervangen?

Deze problematiek geldt waarschijnlijk nog meer voor de derde pijler van onze westerse welvaartsstaat: de zorg om de oververhitting van het klimaat binnen de perken te houden, een door betrouwbare sprekers en onderzoekscentra uit alle sociale klassen aangekondigd drama waarmee terecht telkens wordt gedreigd, maar waarmee diezelfde overheden koud en warm blazen, wanneer te veel koude of hitte ons iets te regelmatig aan die klimaatwisselingen herinnert en we blij zijn dat we nog steeds op die goede oude kerncentrales kunnen rekenen. Het volstaat echter al lang niet meer een of andere klimaatontkenner als betrouwbare gids aan te stellen of grapjes te maken over het verdacht hoge woke-gehalte – of mag het ook dope zijn? – van de linkse (hoezo?) critici. De klimaatzorg wordt in feite gedeeld door progressieve en conservatieve wetenschappers en instituten en onderzoeksprogramma’s, want zelfs de beste elektronische bewakingssystemen kunnen vooralsnog geen onderscheid maken tussen ‘vriendelijke’ en vijandige ingrepen in het klimaat. Een samenleving kan de ergste vormen van seksisme en sociale onrechtvaardigheid overleven, maar een verziekt klimaat, ondrinkbaar water en een vervuilde lucht gaan ons allen aan. Misschien kunnen we uitgerekend op dit punt beginnen aan die samenwerking, waarin we blijkens onze acties nog steeds niet echt geloven?

 

Sven Beckert, Capitalism: a global history, Allen Lane – Penguin Publishing Group, Londen, 2025, 1344 blz., ISBN 978-0241269053, € 67,50

De geest van de jaren ’90 en de...
Holocaust als vrijbrief voor genocide
Schets van een nieuwe dysto-utopische wereld met grote...
Wat hadden Ulla en Stig in I970 in...
Vraag niet naar mijn winst, laten we het...
Zelfkritische tegenmacht als recept tegen een teflon overheid
‘Dit is (niet) wie we zijn’. Volgens wie?
Vier juli 2026
Hoe de ‘deugden’ van neoliberale globalisering de weg...
De Babylonische spraakverwarring tussen macht en tegenmacht
Een ander spel
WK 2026 van start
Kunstmatige intelligentie en de toekomst van het kapitalisme
Koert Debeuf over de situatie in het Midden-Oosten
Licht in het puin
Christelijk nationalisme
Inleiding: Denken als revolte in tijden van crisis...
Over rijkdom en macht in het nieuwe tijdsgewricht
Andrew Winnick over de blijvende aantrekkingskracht van Trump...
Yoeri Andropov: een man die een tweede Deng...
Verdien je vanuit moreel oogpunt wat je financieel...
Werken of niet werken