Elizabeth Allard was in 1958 de tweede vrouwelijke hoogleraar die werd aangesteld op de destijds nog Katholieke Universiteit Nijmegen – sinds 2004 Radboud Universiteit. Daarnaast was ze de eerste vrouwelijke hoogleraar culturele antropologie aan de Universiteit van Indonesië, van 1956 tot haar benoeming in Nijmegen. Toch is er weinig over haar bekend. Tijdens het eeuwfeest van de Radboud Universiteit in 2023 werd voor het eerst een portret van haar opgenomen in de galerij in de Senaatszaal van de Aula van de universiteit. Tegelijkertijd kwam ook haar werk naar voren tijdens het 75-jarige jubileum van de afdeling Culturele Antropologie en Ontwikkelingsstudies, waarvoor aan de Radboud Universiteit in 1948 de kiem werd gelegd. Ze blijkt een fraai oeuvre te hebben nagelaten in de Neerlandistiek en in de niet-westerse sociologie, de voorloper van wat tegenwoordig wordt aangeduid als ontwikkelingsstudies. Ze kan zelfs worden gezien als de eerste hoogleraar ontwikkelingsstudies aan de Radboud Universiteit. Ze was gespecialiseerd in de studie van Indonesië, met een groot hart voor de minder bedeelden, in het bijzonder vrouwen. Daarmee toonde ze zich tevens een feministe avant la lettre. Dit is echter niet of nauwelijks bekend, ook niet in Nijmegen. In de mannenwereld waarin ze werkzaam was werd ze amper serieus genomen, zo blijkt onder andere uit ‘orale tradities’. Ze stak echter met kop en schouders uit boven haar gemiddelde collega’s, zowel wetenschappelijk als qua internationale erkenning. Het doel van dit artikel is om haar postuum te erkennen en te waarderen.
Academische vorming en ontwikkeling
Elizabeth Maria Anna Agnes Justina Allard werd in 1904 geboren in een welgestelde familie te Geertruidenberg. Haar vader was directeur van een steenfabriek, maar van 1912 tot 1923 diende hij ook als burgemeester in die gemeente.[1] De familie stond te boek als vroom katholiek. Minimaal twee van de kinderen besloten van een huwelijk af te zien en hun leven te wijden aan het katholieke geloof, onder wie Elizabeth.
Vanaf 1925 studeerde zij Nederlandse taal- en letterkunde aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Tijdens haar studie volgde ze de bijvakken Sanskriet en Javaans, waaruit haar belangstelling voor niet-westerse samenlevingen bleek. Als voorbeeldig student werd haar de gelegenheid geboden om na haar studie te promoveren onder begeleiding van professor Jac van Ginneken, hoogleraar Nederlandse taal- en letterkunde, de vergelijkende Indo-Germaanse taalwetenschap en het Sanskriet. Naast vermaard linguïst was Van Ginneken priester en jezuïet. Van 1927-1928 fungeerde hij ook als rector magnificus van de Katholieke Universiteit.
Van Ginneken is in meerdere opzichten van invloed geweest op het leven van Elizabeth Allard. Als priester had deze hoogleraar een voor die tijd moderne visie op de rol van vrouwen. Binnen de katholieke kerk streefde hij ernaar om het potentieel van vrouwen beter te benutten door hen een meer actieve rol in de samenleving te laten spelen. Om deze missie te realiseren richtte hij drie lekenorden op, nl. de Vrouwen van Bethanië in 1919, de Vrouwen van Nazareth, later Graalbeweging genoemd, in 1921, en de Kruisvaarders van Sint Jan in 1922. Elizabeth Allard werd tijdens haar studie lid van de Vrouwen van Nazareth,[2] de orde die zich ten doel had gesteld een universiteit te gaan oprichten op Java, Indonesië. In eerste instantie richtte deze orde zich echter op jeugd- en kindzorg, in het bijzonder de ‘zedelijke verheffing van het fabrieksmeisje’ door hen te organiseren en onderwijzen in gemeenschapswaarden en -normen.[3] Later kreeg het werk van deze beweging meer het karakter van een jeugdbeweging die populair werd onder de naam Graal.[4]
Nadat Elizabeth Allard was afgestudeerd, wijdde zij zich aan een promotieonderzoek naar het proza van Hadewijch, de bekendste vrouwelijke schrijver uit de Middeleeuwen.[5] De keuze voor dit onderwerp is opmerkelijk: ook Hadewijch was een lekenvrouw uit Brabant, destijds begijn genoemd. Begijnen waren ongehuwd, woonden alleen of in een groep, de zogeheten begijnenhoven, maar volgden geen kloosterregels. Ze wijdden hun gehele leven wel aan God, met als doel niet alleen in het hiernamaals eenwording tussen de menselijke ziel en God te bereiken, maar al tijdens het leven. Hadewijchs werk behoort daardoor tot de mystiek, een moeilijk toegankelijk corpus aan literatuur met als doel om anderen te helpen God in zichzelf te vinden. De dissertatie van Elizabeth Allard over Hadewijchs proza bevat een complexe, grammaticale analyse om het opnieuw toegankelijk te maken voor een breder publiek.[6]

Elizabeth Allard
bron: O. Schreuder, Proeven van eigen cultuur: Vijfenzeventig jaar Katholieke Universiteit Nijmegen 1923-1998 (Nijmegen 1968), dl. 2, blz. 213.
Na haar promotie in 1937 was ze voornemens om naar Nederlands-Indië te vertrekken om daar een Rooms Katholieke universiteit op te richten, maar vanwege de nakende oorlog kon dat plan niet doorgaan.[7] In de plaats daarvan ging ze in 1939 culturele antropologie studeren bij de beroemde Alfred R. Radcliffe-Brown aan de Universiteit van Oxford. Radcliffe-Brown wordt in alle handboeken van de culturele antropologie genoemd als de belangrijkste exponent van het structureel functionalisme, een stroming die sociale en culturele verschijnselen zag als functioneel voor het handhaven van een evenwichtige structuur in een samenleving.[8] Elizabeth Allard trad in zijn voetsporen met een uitvoerige analyse van de animistische opvattingen en daarmee samenhangende rituelen van samenlevingen in de ‘Malay Archipelago’ (Nederlands-Indië), in het bijzonder van de Dayak op Borneo. Met deze studie illustreerde zij niet alleen hoe religie en sociale organisatie met elkaar zijn verweven, maar ze liet tevens zien uitstekend op de hoogte te zijn van de grote theoretische debatten in de culturele antropologie, een discipline die in die tijd volop in ontwikkeling was.
In 1941 promoveerde zij in Oxford op haar studie over de Dayak.[9] Het proefschrift was vanwege de oorlog volledig gebaseerd op een analyse van beschikbare bronnen in de bibliotheek van het Royal Anthropological Institute in Londen. De oorlog maakte het tot haar spijt onmogelijk om etnografisch veldonderzoek te verrichten in Nederlands-Indië. Niettemin werd deze tweede dissertatie van Elizabeth Allard, deze keer in de culturele antropologie, in delen gepubliceerd in het gezaghebbende tijdschrift Oceania, dat sinds 1930 werd uitgegeven door de University of Sydney, Australië.[10] Deze serie artikelen is opmerkelijk omdat het in die tijd voor Nederlandse antropologen verre van gebruikelijk was internationaal te publiceren.
Na haar promotie koos Elizabeth Allard er vanwege de oorlog voor in Engeland te verblijven, alwaar ze haar proefschrift gereed maakte voor publicatie. In 1943 werd ze door de regering in Londen naar Australië gezonden voor onderwijs en onderzoek.[11] Na de oorlog verhuisde ze naar Indonesië, waar ze in eerste instantie ging werken als lerares voor 2e en 3e klassers op een zogenoemde Herstel-HBS te Batavia, het huidige Jakarta. Herstelklassen waren bedoeld voor kinderen die vanwege verblijf in een interneringskamp of vanwege andere gevolgen van de oorlog een leerachterstand hadden opgelopen.[12]
Enige jaren later kreeg ze een betrekking op de Universiteit van Indonesië, van waaruit ze onderzoek verrichtte naar het gemeenschapsleven van Eurasians, oftewel Indo-Europeanen, te Bogor en Salatiga op Java, en onder de Minahasa in Menado op Sulawesi.[13] Na haar benoeming als hoogleraar in Nijmegen in 1958 (zie verder) breidde zij met steun van ZWO (de voorloper van het huidige NWO) dit onderzoek uit naar Euraziaten in Maleisië. Ook hierover publiceerde zij in een van de meest gezaghebbende tijdschriften in de culturele antropologie, te weten Current Anthropology, het vlaggenschip van de grootste particuliere stichting voor het stimuleren van antropologisch onderzoek in de Verenigde Staten, de Wenner-Gren Foundation.[14]
Culturele antropologie van Indonesië[15]
Hoewel de republiek Indonesië officieel wordt uitgeroepen na de Tweede Wereldoorlog in augustus 1945, erkent Nederland de onafhankelijkheid van Indonesië pas in december 1949.[16] Nadien vindt er een massale uittocht plaats van Nederlanders die zich niet meer veilig waanden in de voormalige kolonie, maar Elizabeth Allard besluit te blijven om zich in te zetten voor het professionaliseren van de antropologie. Samen met F.A.E. van Wouden, later een bekend etnoloog, werkte ze als assistent van Gerrit Jan Held aan de Universiteit van Indonesië.[17] Held was de eerste cultureel antropoloog die een omvattende etnografie en taalbeschrijving van een Papoeavolk, de Waropen in het huidige West-Papoea, een provincie van Indonesië, publiceerde.[18] Na het overlijden van Held in het najaar van 1955, werd Elizabeth Allard benoemd als zijn opvolger. In 1956 werd ze gewoon hoogleraar culturele antropologie aan de Universitas Indonesia te Jakarta, alwaar ze zich ten doel stelde om een Indonesische opvolger op te leiden. Haar oog viel daarbij op Raden Mas Koentjaraningrat.

Raden Mas Koentjaraningrat
bron: https://www.radioidola.com/2023/refleksi-100-tahun-bapak-antropolog-indonesia-prof-koentjaraningrat/
Deze jonge aristocraat voltooide een MA in de culturele antropologie aan Yale University, een van de meest prestigieuze universiteiten in de Verenigde Staten. Zijn leermeester aldaar was de vermaarde antropoloog George Peter Murdock, die op Yale met het samenstellen van de Human Relations Area Files[19] aan de wieg stond van de grootste database van niet-westerse samenlevingen, de etnografische Atlas of World Cultures.[20] Na zijn terugkeer uit de Verenigde Staten werd Koentjaraningrat in 1957 door Allard aangesteld als docent aan de Universitas Indonesia. Onder haar leiding ontwikkelde hij het hoofdvak antropologie. Kort daarna richtte hij op verzoek van de universiteit ook een afdeling culturele antropologie op. Om de onafhankelijkheid van Indonesië vorm te geven mocht deze afdeling echter uitsluitend worden opgericht door Indonesiërs.
Hoewel Allard al docent en hoogleraar was aan deze universiteit, kon zij als niet-Indonesiër dus geen officiële positie innemen bij de oprichting. Helaas is er weinig bekend over haar persoonlijke ervaringen in deze woelige periode in de geschiedenis van Indonesië, maar het is waarschijnlijk dat de beperking van haar mogelijkheden om het vakgebied in de onafhankelijke republiek verder uit te bouwen ertoe heeft bijgedragen dat ze in 1958 besloot terug te keren naar Nijmegen om een benoeming als buitengewoon hoogleraar niet-westerse sociologie te aanvaarden (zie verder). Ze bleef wel promotor van Koentjaraningrat, die hoofd werd van de nieuwe afdeling antropologie aan de Universitas Indonesia. Kort na haar benoeming in Nijmegen keerde ze tijdelijk terug naar Jakarta voor de promotie van Koentjaraningrat,[21] die een dissertatie had geschreven over het gebruik van antropologische methoden in de studie van de Indonesische samenleving en cultuur. In 1962 werd Koentjaraningrat vervolgens de eerste Indonesische hoogleraar in de culturele antropologie in Indonesië, en in die rol bleef hij hoofd van de afdeling tot zijn pensioen in 1988. Zijn betekenis voor de ontwikkeling van het vakgebied van de culturele antropologie in de postkoloniale republiek Indonesië is bijzonder groot.[22] Dat hij op dit spoor is gezet door zijn promotor Elizabeth Allard is echter nauwelijks bekend, evenmin als haar uitgebreide contacten met internationaal vermaarde antropologen.
Niet-westerse sociologie en ontwikkelingsstudies in Nijmegen
De buitengewone leerstoel die Elizabeth Allard aan de Katholieke Universiteit Nijmegen bekleedde vanaf 1958 was aanvankelijk gepositioneerd in de Faculteit Letteren. Allard was de tweede vrouw die benoemd werd als hoogleraar in Nijmegen, na Christine Mohrmann die in 1952 was benoemd als hoogleraar in de vroegchristelijke literatuur.[23] Het katholieke mannenbolwerk stond lange tijd niet open voor het talent en de bijdrage van vrouwen. Er is weinig over bekend, maar ook Allard had wellicht moeite om zich opnieuw aan te passen aan het Nederlandse klimaat en de sociaal-culturele sfeer na haar jaren in Indonesië, waar ze alom werd gerespecteerd. Dat was in Nijmegen beslist minder het geval, zo blijkt uit orale tradities en een reconstructie van haar bijdrage aan de ontwikkeling van de universiteit in de jaren ‘60.
In 1963 werd Elizabeth Allard overgeplaatst van de Faculteit der Letteren naar de nieuw opgerichte Faculteit der Sociale Wetenschappen, waar haar tevens een ordinariaat werd aangeboden, een gewoon hoogleraarschap. Daarmee kreeg ze een positie die gelijkwaardig was aan die van de hoogleraar culturele antropologie, Richard Mohr, met wie zij geacht werd samen te werken. Mohr was een Duitse priester die behoorde tot de congregatie Gezelschap van het Goddelijke Woord (SVD: Societas Verbi Divini). Hij had de grondlegger van de culturele antropologie in Nijmegen, Bernard Vroklage, in 1952 opgevolgd. Deze leerstoel was aanvankelijk ondergebracht in het Instituut voor Missiologie, maar in 1958 kreeg Mohr een eigen afdeling: het Instituut voor Culturele Antropologie. Met de oprichting van de Faculteit der Sociale Wetenschappen verhuisde dit instituut naar de nieuwe faculteit, alwaar Mohr en Allard elkaar troffen als collega’s in verwante vakgebieden.
Elizabeth Allard vertegenwoordigde een nieuwe zijtak van de culturele antropologie. De sub-discipline niet-westerse sociologie kan worden beschouwd als een voorloper van wat later ontwikkelingsstudies is gaan heten. De focus lag daarin op processen van ontwikkeling en modernisering in – voormalige – koloniën, die na de Tweede Wereldoorlog in rap tempo onafhankelijk werden.[24] Het ontstaan van dit vakgebied in de jaren ’50 sloot in Nijmegen aan bij de katholieke doelstelling van emancipatie, in de zin van verheffing, niet alleen van de katholieken in Nederland, maar ook van de ‘inlanders’ in – voormalige – koloniën.

Elizabeth Allard geeft les in de geografie van Indonesië aan leerlingen van de Missieschool voor Jonge Vrouwen, 1948
bron: https://kdc-opac.hosting.ru.nl/details/collect/108373
Bij de oprichting van de Faculteit der Sociale Wetenschappen werd de leerstoel niet-westerse sociologie van Allard aanvankelijk ondergebracht in het Sociologisch Instituut, maar het was nadrukkelijk de bedoeling dat zij zou gaan samenwerken met de cultureel antropologen. Professor Mohr werd geassisteerd door een drietal andere mannen, Leo Triebels, Albert Trouwborst en Geert van den Steenhoven. Interessant hierbij te vermelden is dat het aantal stafleden toentertijd het aantal studenten nog oversteeg: vijf stafleden, inclusief Allard, tegenover vier studenten.[25] In 1966 steeg het aantal studenten exponentieel naar 17, hetgeen een zekere urgentie meebracht om het onderwijs te stroomlijnen.
Moeizame discussies volgden over de inrichting van het onderwijs dat moest worden aangeboden door de nieuw op te richten afdeling, waarin de disciplines culturele antropologie en niet-westerse sociologie samen zouden worden ondergebracht. Beide vakgebieden waren immers georiënteerd op het niet-westen, maar hadden wel een andere achtergrond en doelstelling, die in Nijmegen werd vertegenwoordigd door de hoogleraren Mohr en Allard. Met een opleiding in de Duitse etnologie had Mohr een achtergrond in de geesteswetenschappen, waardoor hij zich primair richtte op het bestuderen van de ‘cultuur’ van niet-westerse samenlevingen. Allard was echter verzocht om de sociologische bestudering van de positie en ontwikkeling van bepaalde groepen in de Nederlandse samenleving uit te breiden naar landen buiten Europa. Dit was een direct gevolg van de overdracht van Nieuw Guinea aan Indonesië in 1962, hetgeen het einde betekende van het Nederlandse koloniale bestuur in Azië. Deze verandering in geopolitieke relaties ontsloeg de westerse wetenschap volgens Allard echter niet van de verplichting om in de wetenschappelijke bestudering van niet-westerse samenlevingen aandacht te besteden aan processen van ontwikkeling en modernisering. Dit was echter een doorn in het oog van de culturele antropologen, die grote twijfels ten toon spreiden ten aanzien van de, in hun ogen, ‘verwestersing’ van niet-westerse samenlevingen. Zijn maakten zich sterk voor een exclusieve focus op culturele vraagstukken, ook al was er amper overeenstemming over wat er moest worden verstaan onder het begrip ‘cultuur’, waarbij regelmatig werd verwezen naar de 164 verschillende definities ervan in het legendarische boek van Kroeber en Kluckhohn.[26]
Onder druk van de faculteit kreeg de samenwerking tussen beide richtingen in 1966 gestalte in de oprichting van de Verenigde Instituten voor Culturele Antropologie en Niet-Westerse Sociologie.[27] Het bleek echter al snel dat er van vruchtbare samenwerking geen sprake was. De strijd tussen de twee richtingen, en de rol die verschillende personen hierin hebben gespeeld, is uitvoerig gereconstrueerd door Peer Meurkens,[28] in zijn kroniek van de eerste vijftig jaar van de culturele antropologie in Nijmegen. Deze studie is vanaf het eerste uur echter bekritiseerd als eenzijdig en subjectief, met teveel aandacht voor roddel en achterklap.[29] Zo vermeldt hij dat Elizabeth Allard gereageerd zou hebben op de uitnodiging om hoogleraar niet-westerse sociologie in Nijmegen te worden met de woorden: ‘ik weet wel niet wat het is, maar ik zal het toch maar doen’.[30] De bron van dit gerucht is een secretaresse die pas vele jaren later werd aangesteld, en daarom niet serieus kan worden genomen.[31]
Deze roddel is niet alleen kenmerkend voor de teneur van het boek van Meurkens, maar ook voor de representatie van professor Allard, in de jaren ’60 nog slechts de enige vrouw in een mannenwereld. Haar missie om de studie van sociaaleconomische ontwikkelingen in niet-westerse samenlevingen serieus ter hand te nemen werd mede gezien de overweldigende belangstelling van studenten daarvoor als een bedreiging ervaren. Daarbij werd ze door haar mannelijke collega’s neergezet en belachelijk gemaakt als een wereldvreemde vrouw. Met enige regelmaat werden er banale opmerkingen gemaakt over haar kleding en figuur, die waarschijnlijk een negatieve invloed hadden op haar gevoel van eigenwaarde. Ook werd gekscherend verteld dat ze op mondelinge tentamens vragen kon stellen over de Tien Geboden. Daarnaast werd er badinerend gesproken over het moestuintje dat ze onderhield tegenover de barakken van het instituut aan de Verlengde Groenestraat in Nijmegen, dat ze Buitenzorg noemde, naar het buitenverblijf in Bogor van de Nederlandse gouverneur in Indonesië. Of deze naam kan worden geïnterpreteerd als een vorm van postkoloniale nostalgie valt echter te betwijfelen gezien haar betrekkelijk radicale stellingname in het debat over de doelstelling van de nieuwe opleiding.
Het voert te ver om deze discussies hier gedetailleerd samen te vatten. De kern van de tweestrijd betrof het accent van culturele antropologie op de bestudering van primitieve culturen, tegenover de focus van niet-westerse sociologie op veranderingsprocessen in ontwikkelingslanden, later ook wel Derde Wereld genoemd, thans met name aangeduid als het mondiale zuiden (‘Global South’). De sociologen op het instituut waar ook de leerstoel van Allard was ondergebracht waren van mening dat cultureel antropologen zich voornamelijk bezighielden met futiele onderwerpen. De motivatie voor de studie van ontwikkelingsprocessen in niet-westerse landen vloeide mede voort uit het bijzondere karakter van de Katholieke Universiteit. Die ging er van uit dat problemen in nieuwe, onafhankelijke landen vroegen om een oplossing vanuit de verlichte wereld, in het bijzonder de katholieke wereld die beoogde goed te doen voor iedereen.
De antropologen waren weliswaar verdeeld over de thema’s die in het onderwijs moesten worden aangeboden, maar toch slaagden ze erin om een coalitie te vormen tegen de opmars van de niet-westerse sociologie. De discussie werd geframed als een tegenstelling tussen het verdelen van aandacht tussen het verleden, in de culturele antropologie, en de actuele veranderingen van niet-westerse samenlevingen in het heden door niet-westerse sociologen. De laatsten ondervonden daarbij meer steun vanuit studenten die in de late jaren ’60, mede onder invloed van demonstraties tegen de oorlog in Vietnam, niet alleen de belangen van westerse landen wilde dienen, maar vaker opkwamen voor de ‘armen en onderdrukten in de Derde Wereld’. Interessant hierbij is dat professor Allard, volgens schriftelijke bronnen geraadpleegd door Meurkens,[32] een alliantie aanging met studenten. Zij wilden de bestudering van sociale veranderingsprocessen in ontwikkelingslanden niet overlaten aan de antropologen die alleen geïnteresseerd zouden zijn in culturele tradities voor zover die dreigden te verdwijnen onder invloed van moderniseringsprocessen.
Vanaf 1968 vormden studenten niet-westerse sociologie een meerderheid op de Verenigde Instituten van Culturele Antropologie en Niet-Westerse Sociologie, waardoor er achter de schermen spelletjes werden gespeeld over het onderwijs. Toen Elizabeth Allard in 1968 aankondigde spoedig met pensioen te willen gaan hebben de cultureel antropologen geprobeerd om de niet-westerse sociologie in te passen in de antropologie.[33] Studenten en professor Allard zelf verzetten zich hiertegen met het argument dat culturele antropologie en niet-westerse sociologie complementair aan elkaar waren doordat een richting meer georiënteerd was op theorievorming tegenover de andere richting die zich ten doel stelde om praktische vraagstukken op te lossen. Een aanvullend argument was dat de laatste richting studenten waarschijnlijk meer mogelijkheden zou bieden op de arbeidsmarkt. Om die reden ook stelde Allard voor beide richtingen aan te bieden in één pakket en studenten de keuze te geven zich in de loop van de studie te specialiseren.[34]
Toen de cultureel antropologen zich onverzettelijk bleven opstellen gingen de studenten na verloop van tijd een stap verder en eisten een zelfstandige studierichting niet-westerse sociologie. Studenten niet-westerse sociologie werden daarbij gesteund door een groot aantal studenten culturele antropologie. Elizabeth Allard sloot zich vervolgens aan bij deze eis omdat haar voorstel voor samenwerking binnen één opleiding onvoorwaardelijk werd afgewezen door de cultureel antropologen. Ondanks het feit dat ze haar pensioen in het vizier had zette zij zich in 1969 in voor een eigenstandige opleiding naast een bestaande opleiding culturele antropologie. In die nieuwe opleiding zou sociologie van niet-westerse volken worden gecombineerd met sociologie en politicologie.[35] Na haar pensioen werd dit plan overgenomen, met als gevolg dat in 1973 een lector Veranderingsprocessen in de landen van de Derde Wereld kon worden aangesteld in de persoon van Gerrit Huizer. Hij wordt vaak gezien als de grondlegger van ontwikkelingsstudies in Nijmegen, maar in strikte zin was hij de opvolger van Allard, die een grote rol had gespeeld in de herformulering van de oorspronkelijke leeropdracht niet-westerse sociologie. Sociale en politieke problemen in ontwikkelingslanden rechtvaardigden volgens haar een aparte studierichting. Tegen deze achtergrond zou haar de eer moeten worden toegekend als de grondvester van ontwikkelingsstudies in Nijmegen.
De ontwikkeling van vrouwen in de Derde Wereld
Allard was niet alleen de hoogleraar die een lans brak voor de studie van moderniseringsprocessen in ontwikkelingslanden. Tegelijkertijd stond ze ook aan de wieg van de studie van vrouwen in het ontwikkelingsproces. Hoewel ze nooit in verband is gebracht met de tweede feministische golf, heeft ze vanaf het begin van haar carrière speciale aandacht besteed aan de emancipatie van vrouwen. Dit blijkt niet alleen uit haar lidmaatschap van de Graalbeweging, een katholieke vereniging van en voor vrouwen, en haar onderwijsactiviteiten in Nederland en Nederlands-Indië die voornamelijk waren gericht op het ‘verheffen’ van vrouwen.

Elizabeth Allard bezoekt een Melaniaproject te Bandung, 1968
bron: https://kdc-opac.hosting.ru.nl/details/collect/105558
Na haar pensioen gaf ze eveneens uiting aan haar betrokkenheid bij de emancipatie van vrouwen met het opnieuw bezorgen van de brieven van een Javaanse regentendochter, Raden Adjeng Kartini.[36] Deze idealistische vrouw leefde van 1879 tot 1904 en was haar tijd ver vooruit. Vanaf 1899 schreef ze in voortreffelijk Nederlands een serie brieven over haar idealen aan een 25-jarige feministische socialiste met wie ze via een advertentie in het Nederlandse vrouwentijdschrift Hollandsche Lelie in contact was gekomen. Een gekuiste versie van haar brieven was al vier keer eerder uitgegeven tussen 1911 en 1923, maar in de decennia daarna waren er nieuwe brieven ontdekt terwijl bovendien het belang dat aan haar schrijven werd toegekend mettertijd was toegenomen. In 1964 werd Kartini door Soekarno bijvoorbeeld verheven tot Nationale Heldin van Indonesië. Met het opkomen van de tweede feministische golf in de jaren ’70 voelde Elizabeth Allard de tijdgeest perfect aan door de brieven van Kartini opnieuw uit te geven, deze keer volledig en met een nieuwe inleiding. Maar waarom zijn brieven van een jonge Indonesische vrouw ruim 75 jaar na dato nog steeds interessant?
Kartini was niet zomaar een dochter van een regent, maar zij werd geboren uit haar vaders huwelijk met een tweede vrouw die in tegenstelling tot haar echtgenoot zelf niet van aristocratische afkomst was.[37] Polygynie was gangbaar onder de Javaanse adel, maar Kartini ervoer de problemen die dat met zich meebracht voor de vele vrouwen en kinderen van slechts één man. Zij sprak zich uit tegen dit gebruik en vond de woorden om deze traditie aan de kaak te stellen in het onderwijs dat haar bij hoge uitzondering was geboden. Haar vader bleek namelijk relatief liberaal in die zin dat hij ook zijn dochters toestond naar school te gaan en Nederlands te leren. In tegenstelling tot haar broers mochten ze het onderwijs echter niet vervolgen en bleef het beperkt tot zeven jaar lagere school. Daarna werd Kartini tot haar grote verdriet gedwongen thuis te blijven. De Europese contacten van haar familie hielpen haar wel aan literatuur, waaronder Max Havelaar van Multatuli, waardoor ze haar horizon kon verbreden. Aan haar penvriendinnen luchtte ze haar hart over de misstanden in Nederlands-Indië, niet alleen de koloniale misstanden, maar ook de hiërarchische gezagsverhoudingen op Java, waarbij ze bijzonder scherp en uitgesproken de onderschikte positie van vrouwen aan de kaak stelde. In een tijd dat de emancipatie van vrouwen ook in Nederland nog amper op de agenda stond beschreef Kartini met hart en ziel haar ideaal van een gelijkwaardige erkenning van mannen en vrouwen.
Het doel van de emancipatie van vrouwen moest volgens Kartini worden bereikt door middel van onderwijs. Ze verzocht om toestemming voor een opleiding in Nederland, en trachtte tevens scholen voor vrouwen op Java op te richten. Haar vurige en krachtige pleidooi voor de ‘verheffing’ van vrouwen was echter aan dovemans oren gericht. Haar lotsbestemming om te worden uitgehuwelijkt en bovendien terecht te komen in een door haar zo verafschuwd polygyn huwelijk was onvermijdelijk. Op 24-jarige leeftijd werd ze gedwongen in het huwelijk te treden met een zeventien jaar oudere weduwnaar met drie vrouwen en zes kinderen. De druk van haar zieke vader en familie was te groot. Waarschijnlijk heeft ze uiteindelijk met dit huwelijk ingestemd omdat haar man voldoende liberaal was om te onderhandelen over haar voorwaarden en zijn nieuwe vrouw de ruimte te bieden binnen bepaalde grenzen gestalte te geven aan haar ideaal om het Javaanse volk te verheffen. Zo zette ze haar eigen schooltje op aan huis voor dochters van Inlandse Hoofden. Ontwikkeling moest volgens haar beginnen met het onderwijs aan moeders. Na een paar maanden huwelijk werd ze echter zwanger, hetgeen haar plannen slechts tijdelijk zou mogen doorkruisen. Maar helaas stierf ze op 25-jarige leeftijd in het kraambed, vier dagen na de geboorte van haar zoon.
Over de betekenis van de brieven van Kartini, die in meerdere talen werden vertaald, kan geen misverstand bestaan. Zij is een belangrijke inspiratiebron gebleven voor vrouwen in Indonesië, maar ook voor westerse feministen, in ieder geval tijdens de opkomst van de tweede feministische golf in de jaren ’70 van de vorige eeuw.[38] Om die reden ook heeft professor Allard haar brieven 53 jaar na de laatste uitgave In Nederland ongetwijfeld opnieuw uitgegeven met een nieuwe, actuele inleiding.
Ten slotte
Professor Elizabeth Allard groeide op in een katholiek gezin en besloot op jonge leeftijd haar leven te wijden aan de verheffing van vrouwen, in eerste instantie door zich aan te sluiten bij een katholieke lekenorde voor vrouwen. Daarnaast heeft ze ook een indrukwekkende wetenschappelijke carrière opgebouwd, met twee promoties en twee leerstoelen (in Indonesië en in Nederland). Ze begon als Neerlandica met het ontsluiten van het proza van een dertiende-eeuwse mystica, Hadewijch, die haar leven eveneens had gewijd aan het omarmen van God tijdens het leven in het heden. Vervolgens richtte ze zich op de studie van volken in voormalig Nederlands-Indië, waar ze van zeer groot belang is geweest voor de ontwikkeling van de culturele antropologie als wetenschappelijke discipline in postkoloniaal Indonesië. Vanwege de onafhankelijkheid van de republiek keert ze terug naar Nederland, waar ze zich in Nijmegen inzet om de culturele antropologie te moderniseren met aandacht voor ontwikkelingsprocessen. Als zodanig legt ze de grondslag voor Ontwikkelingsstudies in Nijmegen. Ten slotte bezorgt ze de brieven van Kartini opnieuw na haar pensioen. Kartini is in Indonesië het belangrijkste symbool geworden van de verheffing van het volk en van de emancipatie van vrouwen. Haar geboortedag is er nog altijd een nationale feestdag (Hari Kartini). In Nederland was ze bijna vergeten totdat Elizabeth Allard haar indrukwekkende brieven aan de vergetelheid wist te ontrukken. Het was een kroon op haar carrière, waarvoor ze tijdens haar leven nooit de erkenning heeft gekregen die ze verdient.
Dankwoord
Voor hun commentaar op een eerdere versie van dit artikel ben ik dank verschuldigd aan Jan Brabers, Willy Jansen en Jean Kommers. René van der Haar ben ik erkentelijk voor redactionele assistentie. Verantwoordelijkheid voor de eindversie ligt uiteraard bij de auteur.
Toon van Meijl studeerde culturele antropologie in Nijmegen (1977-1985), promoveerde in 1991 aan de Australian National University en was van 2011-2025 hoogleraar culturele antropologie aan de Radboud Universiteit.
[1] Zie https://www.canon-geertruidenberg.nl/allard/
[2] Sommige bronnen vermelden waarschijnlijk op basis van orale tradities dat Elizabeth Allard lid was van de Vrouwen van Bethanië (o.a. W. Jansen, ‘The Long Road to Inclusion From Women to Gender to Diversity to…?’ in: T. van Meijl en F. Wijsen (red.), Engaged Scholarship and Emancipation. 75 Years of Cultural Anthropology and Development Studies at Radboud University (Nijmegen 2023) blz. 31-39, aldaar blz. 32; P. Meurkens, Vragen omtrent de mensheid. Culturele Antropologie in Nijmegen 1948-1998 (Aalten1998) blz. 41), maar uit meer gezaghebbende bronnen, gebaseerd op archiefonderzoek, blijkt dat ze waarschijnlijk lid is geweest van de Vrouwen van Nazareth (P. Hooghoff, Bandoeng aan de Waal. Indische Nijmegenaren in het begin van de twintigste eeuw (Nijmegen 2000), blz. 82-83), die later overging in de zogeheten Graalbeweging (M. Derks, ‘Het verhaal van de Graal’, Nieuwsbrief Katholiek Documentatie Centrum 20 (2017) blz. 2-9, aldaar blz. 6).
[3] Hooghoff, Bandoeng aan de Waal, blz. 82.
[4] Derks, ‘Het verhaal van de Graal’.
[5] E. Allard, Een grammaticaal onderzoek van het proza van Hadewych (Amsterdam 1937). Proefschrift R.K. Universiteit te Nijmegen.
[6] R. Sleiderink, Hadewijch. De mysterieuze mystica (s.l. s.a.). Geraadpleegd op 18 juni 2024: https://www.literatuurgeschiedenis.org/schrijvers/hadewijch.
[7] P. Hooghoff, Bandoeng an de Waal, blz. 82.
[8] T.H. Eriksen 2023, Small Places, Large Issues. An Introduction to Social and Cultural Anthropology (London 2023) blz. 21-22.
[9] In het eerste deel van dit proefschrift dat in 1945 werd gepubliceerd, werd in noot 1 abusievelijk vermeld dat het proefschrift was aangeboden aan de University of London (E. Allard, ‘Animistic Beliefs and Rites in the Malay Archipelago’, Oceania 16:2 (1945) blz. 87-108), maar dat werd gecorrigeerd in noot 33 in de derde publicatie van delen uit de dissertatie (E. Allard, ‘Animistic Beliefs and Rites in the Malay Archipelago’, Oceania 16:4 (1946) blz. 337-352, aldaar blz. 337).
[10] Allard, ‘Animistic Beliefs’, 1945; E. Allard, ‘Animistic Beliefs and Rites in the Malay Archipelago’, Oceania 16:3 (1946) blz. 254-274; Allard, ‘Animistic Beliefs’, 16:4 (1946); E. Allard, ‘Animistic Beliefs in the Malay Archipelago’, Oceania 17:1 (1946) blz. 79-91.
[11] L. Triebels, ‘De beginjaren van de culturele antropologie in Nijmegen’, Antropologische Verkenningen 7:1/2 (1988) blz. 118-122, aldaar blz. 122.
[12] Zie http://blog.seniorennet.be/renepersijn2008/archief.php?ID=33.
[13] E. Allard, ‘Laporan Sementara tentang Penjelidikan Kemasjarakatan dari Golongan Indo-Europah jang dilakukan di Bogor, Salatiga dan Minahasa, Tahun 1953’, Bahasa dan Budaja III-IV (1955); zie ook R.M. Koentjaraningrad, ‘De sociale wetenschappen in Indonesië na de Tweede Wereldoorlog’, Mens en Maatschappij 42:6 (1967) blz. 490-515, aldaar blz. 492.
[14] E. Allard, ‘Social Organization of Eurasians in the Malaya Federation’, Current Anthropology 5:5 (1964) blz. 422.
[15] Sommige details in deze paragraaf zijn ontleend aan een ongepubliceerde notitie van de historicus van de Nederlandse culturele antropologie, Han Vermeulen, die interviews heeft afgenomen met tijdgenoten over de ontwikkeling van het vakgebied in de vorige eeuw in Nederland (zie o.a. H. Vermeulen, ‘Netherlands, the, Anthropology in’, in: H. Callan (red.), International Encyclopedia of Anthropology (Oxford/Malden 2018).
[16] D. van Reybrouck, Revolusi. Indonesië en het ontstaan van de moderne wereld (Amsterdam 2022).
[17] M. Prager, ‘Decolonising Dutch Ethnology: Steps toward the Indonesianisation of Anthropology in the 1950s’, in: H. Vermeulen en J. Kommers (red.), Tales from Academia. History of Anthropology in the Netherlands Part I (Saarbrücken 2002) blz. 443-470, aldaar blz. 460.
[18] J.P.B. de Josselin de Jong, ‘Herdenking van Gerrit Jan Held (1 juli 1906 – 28 september 1955)’, Jaarboek. Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen 1955-1956 (Amsterdam 1956) blz. 239-252.
[19] Zie https://hraf.yale.edu.
[20] G.P. Murdock, Atlas of World Cultures (Pittsburgh 1967).
[21] R.M. Koentjaraningrad, Beberapa Metode Antropologi dalam Penjelidikan Masjarakat dan Kebudajaan di Indonesia, dissertatie (Jakarta 1958).
[22] J. Fox, ‘Koentjaraningrat’s Legacy and Contemporary Anthropology in Indonesia’, The Asia Pacific Journal of Anthropology 25:1 (2024) blz. 49-63.
[23] Zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Christine_Mohrmann.
[24] L. Schenk-Sandbergen, ‘What Are We Teaching for? A History of Non-Western Sociology at the University of Amsterdam’, in: H. Vermeulen en J. Kommers (red.), Tales from Academia. History of Anthropology in the Netherlands Part I (Saarbrücken 2002) blz. 315-340.
[25] Interview met Ad Borsboom, 4 februari 2022.
[26] A.L. Kroeber en C. Kluckhohn, met assistentie van W. Untereiner en bijlagen van A.G. Meyer, Culture. A Critical Review of Concepts and Definitions (Cambridge 1952).
[27] L. Triebels, ‘Een geschiedenis van het Instituut voor Culturele en Sociale Antropologie aan de K.U. te Nijmegen, 1959-1979’, De Pottekijker: Nijmeegs Antropologenblad 4:5 (1979) blz. 8-47, aldaar blz. 33.
[28] P. Meurkens, Vragen omtrent de mensheid. Culturele Antropologie in Nijmegen 1948-1998 (Aalten 1998), blz. 40-46 en 65-71.
[29] H. Driessen, ‘Over de anti-etnografie van P. Meurkens’, Focaal 33 (1999) 171-176.
[30] Meurkens, Vragen omtrent de mensheid, blz. 42.
[31] Meurkens, Vragen omtrent de mensheid, blz. 200.
[32] Meurkens, Vragen omtrent de mensheid, blz. 69-70.
[33] Meurkens, Vragen omtrent de mensheid, blz. 66.
[34] Meurkens, Vragen omtrent de mensheid, blz. 67.
[35] Meurkens, Vragen omtrent de mensheid, blz. 70.
[36] R.A. Kartini, Door duisternis tot licht. Gedachten over en voor het Javaanse volk (Amsterdam 1976). 5e druk. 1e uitgave: 1911. ‘Verzameld door J.H. Abendanon; naar de vierde druk [1923] herzien, uitgebreid en ingeleid door Elisabeth Allard.’
[37] C. Vreede-De Stuers, ‘Kartini: Feiten en ficties’, Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde 121:2 (1965) blz. 233-244, aldaar blz. 234-235.
[38] E. Etty, ‘Het leven van Raden Adjeng Kartini (1879-1904): Een Javaanse “freule” die haar tanden liet zien’, NRC Handelsblad (10 januari 1997).