Van oude mensen, de dingen die (niet) voorbijgaan

Bij het overlijden van Rik Van Looy (1933-2024)

 

Op de eerste bladzijde van Milan Kundera’s De ondraaglijke lichtheid van het bestaan staat een passage die ik, reeds bij de allereerste lezing ervan (grote romans vragen om regelmatige herlezing), met een dubbele potloodlijn had aangestreept:

Onlangs heb ik mezelf betrapt op een ongelooflijk gevoel: ik bladerde in een boek over Hitler en voelde bij enkele foto’s ontroering. Ze herinnerden me aan mijn kinderjaren; die vielen in de oorlog; sommige leden van mijn familie kwamen om in Hitlers concentratiekampen; maar wat was hun dood tegenover het feit dat de foto’s van Hitler me herinnerden aan de voorbije tijd van mijn leven, een tijd die niet meer terugkeert?[1]

Toen ik in de vroege ochtend van 17 december 2024 achteloos de pagina van de VRT-site opende en las dat Rik Van Looy was overleden, betrapte ik me op datzelfde gevoel. Van Looy was tijdens de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw een icoon van het Belgische wielrennen, ongetwijfeld was hij de beste klassieke renner van zijn generatie en na Eddy Merckx wellicht de beste renner tout court uit de Belgische wielergeschiedenis. Hij was op enkele dagen na éénennegentig jaar, volgens een hoogst irritante maar tot in den treure herhaalde holle frase, een gezegende leeftijd. Zijn dood leek dan ook helemaal niets te hebben van de vreselijke tragiek die de dood van Kundera’s familieleden overviel in Hitlers concentratiekampen. Maar toch overviel me een analoog gevoel: de dood van Rik Van Looy herinnerde mij aan een tijd die nooit meer terugkeert.

Het bestaan van de wielrenner Rik Van Looy moet pas echt tot mij zijn doorgedrongen, ergens midden het jaar 1962. Ik was amper zes, bezig in het eerste leerjaar mij de beginselen van het wonder dat lezen heet enigszins eigen te maken. Wat herinner je je nog van het kind dat je bent op de drempel tussen zes en zeven jaar? In hoeverre ben je je dan bewust van wat je meemaakt? Vanaf wanneer worden ervaringen in je geheugen opgeslagen? In flarden moet dit al heel vroeg zijn, maar wanneer beginnen ze te kaderen binnen een raamwerk waarmee je ze later moeiteloos weer oproept? Wat weet je nog van de eerste kinderjaren die eraan voorafgingen?

Nu, meer dan zestig jaar later, weet ik dat het rond begin juli 1962 moet zijn geweest wanneer Van Looy via zijn opgemerkte eerste deelname aan de Tour de France mijn binnenwereld binnenreed. We zaten allemaal aan tafel tijdens het middagmaal. Mijn vader had de krant open liggen, met zichtbaar genoegen. ‘Van Looy rijdt alles en iedereen aan flarden’, hoorde ik hem luidop zeggen. Het enthousiasme viel niet te loochenen. ‘Gaat hij de Tour de France winnen?’, vroeg ik. ‘Neen’, schudde hij het hoofd, ‘daarvoor is hij te weinig klimmer en tijdrijder.’ Mijn vader was een kenner. Wie wint dan wel, wilde ik weten. ‘Jacques Anquetil, die won vorig jaar, kan geweldig tijdrijden en hij rekent veel meer dan Van Looy.’

Wat dat laatste betekende, verstond ik toen nog niet. Maar wat ik wel weet is dat op dat eigenste ogenblik mijn fascinatie voor het wielrennen werd geboren. Een diepe fascinatie voor Jacques Anquetil, de enigmatische Normandische sfinx en ongeëvenaarde stilist op een tijdritfiets, nochtans de kop van jut van de doorsnee Belgische wielersupporter. En een diepe fascinatie voor Van Looy, of was het vooral voor de fascinatie van zowat iedereen voor hem. Want Van Looy was immens populair, hij leek zowaar overal in mijn kinderhoofd op te duiken. Op de jaarlijkse kermis in het dorp Lanklaar, dat nu is opgeslorpt door de gemeente Dilsen-Stokkem, klonk door de luidsprekers het lied: ‘Rik Van Looy van Herentals, de keizer van de wereld, Rik Van Looy van Herentals, de keizer van het land, daar hij de klassiekers wint, vooruit of in de sprint.’ Het werd gezongen op de tonen van het toen razend populaire Mie Katoen lied. Iedereen zong mee, in mijn geheugen tot op vandaag.

Van Looy had zijn grote successen behaald op het einde van de jaren vijftig en vooral in de drie eerste jaren van het volgende decennium. Hij werd wereldkampioen in 1960 en 1961 en won in het voorjaar van 1962 zowaar de Ronde van Vlaanderen, Gent-Wevelgem en Parijs-Roubaix. Zo was hij uitgegroeid tot een ware volksheld. Hij straalde kracht uit, sprak met een Kempense tongval rechtdoor zee, won talloze wedstrijden maar verloor er ook die hij makkelijk had kunnen winnen, gewoon omdat hij dolgraag de aanvalstrom roffelde en ontactisch woekerde met zijn krachten. Tegelijk had hij iets guitig, iets ondeugend ook, en een heel mooie vrouw, Nini, maar ik was, in tegenstelling tot de generatie van mijn vader, te jong om me daarmee bezig te houden en eindeloos over haar door te bomen.

Ik schrijf dat allemaal nu wel op, maar zelf heb ik Van Looy die wedstrijden nooit zien winnen. We hadden nog geen televisie thuis en vooral, tussen 1960 en halfweg 1962, was ik nog teveel kind (misschien eens navraag doen bij neurologen of dat klopt?) om het bewust mee te maken. Ik weet het allemaal slechts van horen zeggen en van het later opzoeken. Maar de ongrijpbare sfeer die errond hing, de atmosfeer van de late jaren vijftig en vroege jaren zestig, die zit ergens diep in de al dan niet onbewuste lagen van mijn geheugen voor eens en altijd opgeslagen. Rond die ontluikende liefde voor het wielrennen hangt nog steeds, tot op vandaag, een parfum van kermis, van onbezorgde vreugde, de zon leek er altijd te schijnen. Terwijl Van Looy de zeges aan elkaar reeg, Jacques Anquetil elk jaar de Tour de France won en zijn concurrent Raymond Poulidor (de opa van Mathieu Van der Poel) grossierde in tweede plaatsen, hoor ik in de vertekende herinnering van mijn kinderlijke verbeelding steeds weer dezelfde liedjes op de achtergrond.

Johnny Cash zong over ‘Walk the line’; Roy Orbinson ‘Only the lonely’; Harry Belafonte, ‘An island in the sun’. Dichterbij huis zong de Limburgse Italiaan Rocco Granata, met een aanstekelijk hese stem, over ‘Marina’. Al die hits van toen stammen uit het einde van de jaren vijftig, vind ik nu via Google. Einde jaren vijftig, voor mij de schemertijd tussen al iets weten en nog niet weten: ik kende hun namen niet, maar ik hoor nog steeds hun stemmen die gelukkig stemden. Wij, kinderen onder elkaar, zongen, op de speelplaats en op de kermis, en soms, wellicht tijdens warme vakantiedagen, met de hele buurt: ‘I like to be in America’. (West Side Story 1961, leerde ik veel later en ik denk nu, wie van ons zou vandaag in Amerika willen zijn?)

Hoe kon een kind zo gelukkig zijn, ergens rond het einde van 1962? Nu weet ik dat net toen, in die heerlijke dagen, de Cuba-crisis zich voltrok – ik zoek het op: tussen 16 tot 28 oktober 1962 –, dat net toen de wereld en dus ook mijn ouders en grootouders de adem inhielden uit angst voor een derde wereldoorlog (de tweede was pas een goed decennium eerder geëindigd). Dat de relatieve rust pas terugkeerde wanneer John Kennedy de toenmalige Sovjet-leider Nikita Chroesjtsjov verplichtte zijn raketten uit Cuba terug te trekken, ik had er toen geen enkel besef van. Naast Van Looy was ook John Kennedy, bovendien de allereerste katholieke president van de VS, in 1962 uitgegroeid tot een icoon in het nog preconciliaire Vlaanderen. Ik herinner mij er niets meer van. Werden kinderen toen ver weg gehouden van elk gevaar? Of verstond de generatie van mijn ouders en grootouders intuïtief de kunst een sfeer van vanzelfsprekende veiligheid en geborgenheid voor kinderen te creëren?

Van 1963 herinner ik me wel alles, alsof het gisteren was. De opwinding die er heerste in de grote kamer van de boerderij van mijn grootouders, waar de televisie stond. Zelf hadden we nog steeds geen televisie en dus togen we weer eens naar Lanklaar. Ik was er heel bewust bij, toen Benoni Beheyt op 11 augustus van dat jaar zowaar landsverraad pleegde door Rik Van Looy, die danig van zijn lijn afweek, ongegeneerd net voor de eindstreep te passeren en hem zo een derde wereldtitel in vier jaar te ontfutselen. Moeiteloos kan ik die opwinding van weleer weer navoelen, de luidruchtige stemmen horen naklinken, net zoals ik mij de immense verslagenheid voor de geest kan halen, toen op 22 november van datzelfde jaar moeder mijn zussen, mijn broer en mij wekte met de mededeling dat John Kennedy in Dallas was vermoord.

Tussen de leeftijd van zeven jaar en die van acht, maakt het bewustzijn schijnbaar een sprong. Van deels bewust naar heel bewust. Van een kinderlijk betoverde wereld naar een wereld waarop je langzaam, heel langzaam greep begint te krijgen, waardoor die wereld aan mysterieuze betovering inboet, daadwerkelijk maar bijna geruisloos, daadwerkelijk maar nagenoeg onzichtbaar. Ik begon allerlei krantenknipsels over Van Looy bij te houden, maar besefte nog niet dat het hoogtepunt van zijn carrière voorbij was. Ik begon knipsels van de moord op John Kennedy bij te houden, plakte foto’s van zijn zoontje die hem op de begrafenis een militaire groet bracht in een groot verzamelboek, keek honderden keren naar de beelden waarop Robert Kennedy, de charismatische broer van de pas vermoorde president, de hand vasthield van Jacqueline Kennedy-Bouvier, de door iedereen bewonderde weduwe. In één klap kwam de realiteit binnen, was de betovering doorbroken.

Het was ergens in september 1964. Mijn ouders hadden ons verteld dat we de volgende maand van Genk naar Hasselt zouden verhuizen. Op een zaterdagmiddag – ik lees nu op  Wikipedia dat het zaterdag 5 september moet zijn geweest – was mijn vader zijn beste vriend gaan bezoeken (een afscheidsbezoek?) en kwam hij later thuis dan afgesproken. Ik hoorde hem mijn moeder bekennen dat hij naar het wereldkampioenschap voor amateurs was blijven kijken, waar een zekere Eddy Merckx had gewonnen. In Sallanches, ergens in Frankrijk. ‘Van die Merckx gaan we nog horen, dat wordt een lastige klant voor Van Looy.’ Mijn moeder, zo meende ik te zien, leek al niet meer te luisteren. Ik had het wel gehoord en verdomd goed geluisterd. Mijn vader was een kenner.

Negen maanden zou die Eddy Merckx in dezelfde ploeg als Van Looy rijden in een donkere trui met de naam Solo. Daarna stapte hij over naar Peugeot en droeg een witte trui met zwart-witte vierkante blokjes. Roger Pingeon zou later in die trui de Tour de France winnen, alle foto’s hield ik bij. Vanaf die tijd hoef ik niets meer op te zoeken, zoekmachine ‘google’ en Wikipedia zijn zelfs vandaag nog compleet overbodig, diep delven in het natuurlijke geheugen volstaat. Reeds in 1966 won de twintigjarige Merckx zijn allereerste klassieker, Milaan-San Remo, de Primavera. Een nieuwe lente en een nieuw geluid.

Een nieuw tijdperk kondigde zich aan, dat ik de volgende jaren als opgroeiende adolescent van nabij bleef volgen en in knipselmappen bijhield (toen reeds als tegengif tegen het onvermijdelijke voortschrijden van de tijd?): Merckx won bijna altijd, soms stak Roger De Vlaeminck in de klassiekers een stok in de wielen, Luis Ocana en Bernard Thevenet deden dat in de Tour. In 1967 won Jan Janssen, de gebrilde Hollander, Parijs-Roubaix voor Rik Van Looy, Eddy Merckx werd pas achtste, ik had het voor die Hollandse gebrilde professor-coureur, waarom heb ik eigenlijk nooit geweten.

Het zit allemaal nog opgesloten in de doos van mijn geheugen; één sleuteltje is genoeg om die doos vanaf 1963 weer te openen. Hoe anders was de periode voor 1963, de periode waarin Rik Van Looy uit Herentals heerste als de keizer van mijn hele kinderwereld. Milan Kundera heeft gelijk. Ook ik betrapte me op die donkere ochtend van 17 december 2024 – nadat ik de VRT-website had geopend – op een ongelooflijk gevoel: bladerend in de oude boeken over Van Looy en de wielrenners van weleer van wie nog nauwelijks iemand zich de namen voor de geest kan halen, voelde ik bij enkele foto’s ontroering. Heel even was ik weer het betoverde kind, net vooraleer het bewustzijn het overneemt van een dromerig onderbewustzijn.

De dood van Rik Van Looy, idool van mijn vader, van mijn dooppeter en van zovelen uit mijn kindertijd – in de allerlaatste documentaire die een jaar eerder over hem was gemaakt was de ooit krachtige gestalte met het ronde, ietwat guitige gezicht danig vermagerd, hij leek onthecht, droeg levenswijsheid in zich –, de dood van Rik Van Looy maakte veel los, ongetwijfeld bij de steeds schaarsere overlevenden die hem nog in zijn gloriejaren hebben meegemaakt, maar ook bij mij. Maar wat was zijn dood, hield de Tsjechische romancier mij voor, tegenover het feit dat de foto’s en beelden van hem me herinnerden aan de voorbije tijd van mijn leven, een tijd die niet meer terugkeert?

Het kind is de vader van de man. Rik Van Looy van Herentals, de Keizer van de wereld blijft voor eeuwig verbonden aan die wonderlijke periode van een zesjarige jongen, waarin een wielrenner de wereld rondom hem mooier maakt, de omgeving heerlijker, zijn naasten vrolijker, de hele wereld een onbezorgde glans verleent. In die betoverde tijd scheen de zon altijd. Een tijd die nauwelijks bewustzijn toeliet, een tijd die nooit meer terugkeert. Maar op een mysterieuze manier voor altijd tegenwoordig is, eeuwig opgeslagen in een ruimte die nooit verdwijnt.

 

[1] Milan Kundera, De ondraaglijke lichtheid van het bestaan. Ambo, Baarn / Agathon, Houten, 1985, blz. 8.

Prof. dr. Elizabeth Allard: miskend in een mannenwereld
Hoe iets te leren over politiek van twee...
Kinderwens
De Dagpauwoog
Moet AI onttoverd worden?
Verdeel en heers
Van oude mensen, de dingen die (niet) voorbijgaan
Techniek en nihilisme
Pleidooi voor een anekdotische sociologie
‘We maken dat ding gewoon even schoon’
Op de brandstapel met de kerstman!
Wim Kayzer en de kunst van het vragen...
ChatGPT in het hoger onderwijs: Een kwestie van...
De tuin der folteringen
Het einde en het begin van de geschiedenis
Als vissen in het water. Vooroordelen en discriminatie
LHBTQ-kwesties en katholieke leer
Sleutel tot de moderne tijd: Melvin Kranzberg en...
Een zeergeleerde duivel
Kijkdagen in Huize Semiosis
Theologie en de taal van vorig jaar
Ostinato à variations. Het ritme van katrollen, sprokkelwerk,...
Uit de hoogte
Oudheidkunde op maat
Doet de ander er nog toe? Over de...
Over de lauwe steun van de Arabische en...
De ware Jacob
De betekenis van het betekenisloze. Het schilderij als...
Basisbaan of basisinkomen? Normatieve vragen over de toekomst...
Het zien maar niet kunnen helpen van de...