Nauwelijks was ik hen voorbijgegaan, of daar vond ik mijn zielsbeminde

Maria Magdalena en de bruid uit het Hooglied

 

Hooglied 3: 1-4
1. ’s Nachts op mijn bed zocht ik mijn zielsbeminde.
Ik zocht hem, maar ik vond hem niet.
2. “Ik zal opstaan, rondgaan in de stad, op straten en pleinen, en mijn zielsbeminde zoeken.”
Ik zocht hem, maar ik vond hem niet.
3. De wachters die in de stad hun ronde deden, vonden mij
“Hebben jullie mijn zielsbeminde gezien?”
4. Nauwelijks was ik hen voorbijgegaan, of daar vond ik mijn zielsbeminde.
Ik greep hem vast, en laat hem niet meer los tot ik hem gebracht heb in het huis van mijn moeder, in de kamer van haar die mij baarde.

 

De Evangelist Johannes was naast een beelddenker (het lam Gods hebben we aan hem te danken) ook een taalgevoelig man. Hij is zich ervan bewust dat door veelvuldig gebruik in betekenisvolle contexten bepaalde woorden, beelden, begrippen een aanwas in betekenis krijgen. Het worden ‘thick concepts’, zoals taalkundigen dat in goed Nederlands noemen. Johannes speelt daarmee, bijvoorbeeld in de Proloog (In den beginne was ‘het Woord’, Joh.1) door aan het toch al zwaar beladen (en dus onvertaalbare) Griekse woord ‘logos’ nog maar eens een extra betekenislaag toe te voegen: het is vlees geworden (‘sarx’, ook een ‘thick concept’). Nu, dit spel met taal en betekenis springt in het oog. Het gebeurt zo opzettelijk, dat je het niet kunt missen. Meestal doet Johannes het veel subtieler, zonder dat je het merkt. Dan kiest hij woorden geassocieerd met een heel bepaald betekenisveld, en koppelt die aan bepaalde gebeurtenissen die hij beschrijft. Als hij bijvoorbeeld de verbondenheid tussen Jezus en zijn allerbeste vrienden (m/v) probeert te beschrijven, komen er plots flarden uit het Hooglied aangewaaid. Johannes de doper, als hij naar zijn relatie tot de Messias wordt gevraagd, identificeert zichzelf, met een knipoog, als ‘de vriend van de bruidegom’ (Joh 3,29, vgl. Hgl 8,13). En als Maria van Bethanië (ook niet de minste onder de vrienden van Jezus) de voeten van Jezus heeft gezalfd (Joh 12,3), voegt Johannes, tussen neus en lippen door, toe dat ‘de geur van de nardusolie het hele huis vervulde’; iets soortgelijks wordt in het Hooglied gezegd nadat het verliefde meisje het bed van ‘haar koning’ heeft gezalfd met nardusolie, dat wil zeggen geprepareerd voor de huwelijksnacht (Hgl 1,12). Dat bed staat, het zij terloops vermeld, in het huis van haar moeder. Een metafoor, een geur, meer is het niet. Als je er niet op let, ontgaat je het verband. Misschien is het er ook niet, en zoek ik te ver. Maar in het Paasverhaal kun je er niet omheen. De wanhopige zoektocht van Maria Magdalena wordt door Johannes zo beschreven, dat ze als twee druppels water begint te lijken op de bruid, het verliefde meisje, uit het Hooglied, dat ’s nachts door de stad dwaalt op zoek naar haar lief (NBV), haar zielsbeminde. Zo vertaalde NBG1951 de Hebreeuwse constructie (‘hem, dien mijn ziel liefheeft’), een literaire vondst: helemaal juist en nog mooi ook: mijn zielsbeminde. Spreek het uit, hoor de klank, voel de beweging, en word bewogen. De uitdrukking is uniek. Enkel hier komt ze voor, en dan in elk vers opnieuw. Vier keer klinkt het: mijn zielsbeminde, ik zocht hem, maar ik vond hem niet. Hoe adequaat is dit als beschrijving van Maria Magdalena. Hooglied vormt de klankbodem voor het Paasverhaal zoals Johannes het vertelt, en nu hoor je meer. Je ziet Maria, op haar bed, woelen, en keren, en draaien: ’s Nachts op mijn bed zocht ik mijn zielsbeminde; ik zocht hem, maar ik vond hem niet. Ja, zo gaat dat: Mensen die je verloren hebt, kunnen je van je nachtrust beroven. Je zoekt ze, wanhopig, tastend in het donker, dromend, wakend. Je houdt het niet meer uit. Je moet eruit. Ik zal opstaan, rondgaan in de stad, op de straten en pleinen, en mijn zielsbeminde zoeken. Ja, ze weet wel dat het geen zin heeft. Het is nog donker, en hij is dood, maar zo gaat dat als het je zielsbeminde is, die je kwijt bent. Ik zocht hem, maar ik vond hem niet, bij de levenden niet, bij de doden niet. En bij het graf tot staan gebracht, zegt ze tot de wachters: Hebben jullie mijn zielsbeminde gezien? Nu gaat het opeens snel. Nauwelijks was ik hen voorbijgegaan, of daar vond ik mijn zielsbeminde. Wat een magistrale zin!

In het Hooglied ijlt het verhaal hierna naar het einde: en ik greep hem vast, laat hem niet meer los tot ik hem gebracht heb in het huis van mijn moeder, in de kamer van haar die mij baarde, dat wil zeggen tot het huwelijk is voltrokken op het in nardusolie gedrenkte bruidsbed. In het evangelie vertraagt hier het verhaal, en beginnen de panelen te schuiven. De wachters blijken engelen te zijn, en de rollen worden omgedraaid: Niet Maria vindt haar zielsbeminde, maar haar zielsbeminde vindt haar. Ze wordt bij haar naam geroepen. Prachtig vertelt Johannes het, wat een schrijver! En ook in deze laatste scène speelt het Hooglied nog mee, maar niet meer als klankbodem, maar als tegenstem. Immers: Maria zou eigenlijk de lijn van het Hooglied willen aanhouden: Jezus vastgrijpen, Hem nooit meer loslaten, tot ze hem gebracht heeft in het huis van haar moeder. Maar de wegen van het Hooglied en het Evangelie gaan uiteen: Houd mij niet vast (of raak me niet aan, u mag kiezen) krijgt Maria van haar zielsbeminde te horen: want ik ben nog niet òp-gegaan naar mijn Vader. Er moet afstand komen, om een blijvende relatie te kunnen vinden. Eindigde het Hooglied in het huis van de moeder, het Paasverhaal verwijst ons naar de Vader. Daar zou ook veel te zeggen zijn, over deze archetypische tegenoverstelling van Moederbinding en Vaderband, maar of dat dan nog Schriftuitleg is? Heel sympathiek vind ik de manier waarop de kerkvader Cyrillus van Alexandrië (een meesterlijke exegeet uit begin van de vijfde eeuw, die ook Hooglied 3 en Johannes 20 heeft samengelezen) de tegenstelling elegant oplost, ‘Het huis van de moeder, zo noemt de tekst de samenkomst van de apostelen, waarheen Hij haar zond om de blijde boodschap met hen te delen (euangelisthein in het Grieks) dat Christus is opgestaan.’ (Joh 20,18).[1]

 

Reageren? Mail naar: wurstendick@gmail.com

 

Dr. Dick Wursten, predikant te Antwerpen, heeft zich naast zijn werk (kerk/onderwijs) en onderzoek (vroeg zestiende-eeuwse Franse cultuur) vooral toegelegd op de analyse van de muziek van J.S. Bach vanuit theologie-historisch perspectief. Hij is mede-initiatiefnemer van de Bach-cantatediensten in de Sint-Norbertuskerk te Antwerpen.

 

[1] Over Cyrillus van Alexandrië en hoe hij de uitleg van Hooglied 3 ook op de vrouwen bij het graf, en in het bijzonder Maria Magdalena betreft, zie https://blog.wursten.be/cyrillus-over-het-hooglied-en-maria-magdalena/

 

Nauwelijks was ik hen voorbijgegaan, of daar vond...
Een hedendaags katholiek probleem
Geen theïst, geen atheïst, geen agnost, maar wat...
Theologische perspectieven op menselijke seksualiteit
Nachtmis
Ruimte voor reflectie en spirituele groei openen met...
Vrouwelijke pioniers
Opus Dei en Project 2025
Gedachten over God
Interpretatie en vertaling van de Bijbel
Christendom en burgerlijk gezag
Versteende Rothko’s
Schoonheid in tijden van angst en onzekerheid
Voorzichtige vooruitblik met paus Leo XIV en Terugblik...
Georges Duby en de kathedralenbouwers, deel 2: de...
Georges Duby en de kathedralenbouwers, deel 1: de...
Robert Francis Prevost, paus Leo XIV
Mijn Queer Kruisweg
Sacramenten: geschiedenis en veronderstellingen
Conclave en de Heilige Geest
Adam’s Apples: een absurdistisch bekeringsverhaal
Katholieke liefdadigheid
Grenzen verleggen
Troubled Water en het bevrijdende van het christendom
Op de brandstapel met de kerstman!
Gebruik en misbruik van godsdienst
LHBTQ-kwesties en katholieke leer
Een idee voor de volgende katholieke reformatie
Theologie en de taal van vorig jaar
Over de lauwe steun van de Arabische en...