Mijn recente bijdrage[1] over de verkiezing van Donald Trump en zijn overname van de presidentiële macht heeft zowel veel aandacht gekregen, als kritiek van mensen die haar ten onrechte opvatten als een lofzang ten gunste van Donald Trump. Ik ben verheugd dat de bijdrage de aandacht trok van Martin Wolf van de Financial Times, een van de meest gerespecteerde analisten van het binnenlandse en internationale economische beleid. Het punt dat ik in mijn korte reactie op zijn kritiek wil maken, is dat de belangrijkste principes van de neoliberale globalisering al veel eerder dan 20 januari werden losgelaten door de dominante stroming onder de economen. De laatste datum is enkel een symbolische gebeurtenis: op die dag komt inderdaad een einde aan het tijdperk van neoliberale globalisering dat begon met de Val van de Berlijnse Muur. Maar veel elementen ervan zijn al veel eerder ontmanteld, en door mensen die dit nooit openlijk toegaven.
Ik weet dat veel neoliberale economen uit de dominante stroming het verschijnen van Donald Trump graag behandelen als overmacht. Zij behandelen hem als een aardbeving of een plotselinge storm waarvan niemand de oorzaak kan peilen. Maar er is al eerder aangevoerd (en ik denk dat het duidelijk is) dat de zaden voor zijn opkomst in feite werden gezaaid door neoliberaal beleid dat geleidelijk de steun van de bevolking verloor. Het is niet toevallig dat 77 miljoen mensen Trump kozen, noch is het toevallig dat vergelijkbare ontwikkelingen zich momenteel voordoen, en de politiek destabiliseren, in grote Westerse landen als Duitsland en Frankrijk. Dit interne aspect en de betekenis van het neoliberalisme door groeiende ongelijkheid, afnemende sociale mobiliteit, toenemende ziekte en sterfte onder de middenklassen in de Verenigde Staten – waarbij de belangen van de rijken worden losgekoppeld van de rest van de samenleving – is uitgebreid vastgelegd in zowel economische als politicologische literatuur. Daar zal ik niet verder op ingaan.
Maar ik wil daarentegen wel ingaan op het loslaten van de neoliberale beginselen op internationaal gebied. Dit is in het bijzonder van belang voor de Financial Times, die immers door de internationale gemeenschap van ontwikkelingseconomen wordt beschouwd als de belangrijkste krant. De Financial Times heeft een internationale blik, die bijvoorbeeld ontbreekt bij de Wall Street Journal. Maar de Financial Times heeft zijn lezers misleid door niet op te merken, dat veel van het neoliberale establishment de beginselen van de globalisering heeft opgegeven die dezelfde mensen voordien, zo’n twintig jaar lang of meer, hebben verdedigd. De Financial Times verzuimde dit, naar mijn mening, door zijn luidruchtige anti-China opstelling en zijn obsessie met Chinees succes. Nu is die obsessie met het succes van China of veeleer de afkeer van dat succes (of het verlangen naar mislukking ervan) alleen begrijpelijk wanneer men China strikt vanuit politieke of strategische hoek beziet. Dan kan China een grote concurrent, rivaal of zelfs vijand van het Westen zijn. Maar het is niet begrijpelijk als men het succes van China beziet vanuit een internationaal of kosmopolitisch oogpunt, hetgeen ontwikkelingseconomen in beginsel behoren te doen. Vanuit dat oogpunt hoort het succes van een zich ontwikkelend land, of het nu China, Nigeria, Indonesië, Tsjaad, Paraguay of Mali is, te worden toegejuicht. Dat is dus een eerste discrepantie.
Ook is er de inconsequentie waarbij Chinees succes ten dele wordt opgevat als het gevolg van het stelen van techniek van het Westen. Daarover kan ik getuigen dat, na meer dan dertig jaar werken voor de Wereldbank, de klacht die ik er voortdurend hoorde was dat arme landen ‘helaas’ niet in staat zijn de techniek van de meer ontwikkelde landen te gebruiken vanwege hun corruptie of vanwege een gebrek aan scholing. Niet dat het Westen niet enthousiast zou zijn om die techniek met hen te delen. Dus toen een land als China uiteindelijk liet zien dat het Westerse techniek wel kan kopiëren, haar omvang als gebruikend als ruilmiddel, en buitenlandse techniek zelfs kan verbeteren, zou dit succes moeten worden begroet en verwelkomd vanuit een kosmopolitisch oogpunt dat de Financial Times kennelijk is toegedaan. Maar het werd daarentegen geminacht en voorgesteld als diefstal. De internationale organisaties zouden in feite Ethiopië en Tanzania moeten adviseren hoe zij het Chinese kopiëren van Westerse techniek kunnen herhalen, veeleer dan het afdoen als een illegale handeling. Dat is de tweede discrepantie.
De derde, in zekere zin meervoudige discrepantie is dat de internationale aspecten van neoliberale globalisering zijn losgelaten door mensen die haar verdedigden. Ik zal deze een voor een bespreken.
Invoerheffingen – Vanaf het vestigen van het systeem van Bretton Woods en volgens de grondbeginselen van de globalisering worden invoerheffingen als een soms noodzakelijk kwaad gezien, maar in principe als een instrument waarvan het gebruik moet worden ontmoedigd, en dat zo min mogelijk moet worden ingezet. Dit is het beleid geweest dat consequent werd nagestreefd door ontwikkelde en zich ontwikkelende landen vanaf de vroege jaren 1980. De recente stijging van invoerheffingen in de Verenigde Staten en Europa markeren zo een afscheid van een van de belangrijkste principes van de globalisering. Met verhoogde invoerheffingen tegen Chinese import werd begonnen tijdens de eerste regeerperiode van Donald Trump, maar zij werden snel overgenomen door Joe Biden en zijn regering. Zij breidde bovendien het beleid van bescherming tegen Chinese goederen uit, en dreigde in sommige gevallen zelfs de import van sommige goederen, zoals elektrische voertuigen, helemaal te verbieden.
Handelsblokken – Ook is het consequent de benadering van aanhangers van globalisering geweest om te pleiten tegen handelsblokken. Men hoeft niet terug te grijpen op The Road to Serfdom van Hayek om te ontdekken dat handelsblokken gewoonlijk worden geassocieerd met militaristische of autocratische regimes die economische invloedssferen proberen te scheppen. Maar zeer recent heeft juist dit beleid de voorkeur gekregen onder het neoliberale establishment, onder wie de mederedacteur en columnist van de Financial Times, Rana Faroohar. Zij publiceerde een invloedrijk en veelbesproken boek, Homecoming: The Path to Prosperity in a Post-Global World, gebaseerd op een aantal eerdere publicaties en toespraken. Daarin bepleit zij het terughalen uit China van banen die kennelijk in de Verenigde Staten verloren waren gegaan, en het zogeheten friend-shoring. Friend-shoring
is eenvoudig een ander woord voor het scheppen van door politieke overwegingen gevormde handelsblokken. Het is een beleid dat in werkelijkheid zijn echte naam niet durft te zeggen, omdat het hetzelfde beleid is als dat werd gevoerd in de jaren 1930 door het Verenigd Koninkrijk met zijn Commonwealth Preferences, door Nazi-Duitsland met zijn Gross-Deutsche Zentral-Europa, en door Japan met zijn Gezamenlijke Welvaartszone. Zij staan lijnrecht tegenover iedere gebruikelijke opvatting van wat globalisering zou moeten inhouden.
Industrieel beleid zoals invoerheffingen wordt alleen in uitzonderlijke omstandigheden als aanvaardbaar beschouwd. Het werd nooit toegejuicht door de voorvechters van globalisering, omdat het leidde tot oneerlijke subsidiëring van binnenlandse productie en scheeftrok wat deze productie in een concurrerende wereld zou zijn geweest. Maar ook dit beleid kreeg de laatste tijd goedkeuring van de dominante neoliberale economen en zelfs van de Financial Times. De discussie gaat nu over hoe dergelijk beleid moet worden nagestreefd, en er bestaat schijnbaar algemene instemming over dat Biden een grote stap vooruit heeft gezet door de Anti-Inflatie Wet. Maar het probleem met dit beleid is andermaal dat het niet verenigbaar is met de idee van globalisering, en het depolitiseren van economische besluitvorming. Zoals ik aan het einde zal opmerken, laat het de zich ontwikkelende gemeenschap in wanorde achter, want als dit industrieel beleid goed is voor de Verenigde Staten of Europa is de vraag waarom het wordt afgeraden in Egypte of Nigeria.
Ook economische dwang wordt niet aanvaard door liberale economen. Maar hij wordt meer en meer gebruikt door de Verenigde Staten en Europa. Trump maakte er veel gebruik van, en verhoogde het aantal sancties tegen politieke regimes die hij niet mocht, zoals Cuba en Venezuela. Dit sanctiebeleid werd voortgezet onder Biden: momenteel kent de Verenigde Staten 38 sancties die op de een of andere manier meer dan 50 landen raken. Het werd sterk uitgebreid met de oorlogen in Oekraïne en Palestina, en door de inbeslagname van Russisch bezittingen en, nogal onbegrijpelijk, door de straffen uitgedeeld aan Russische oligarchen omdat zij onvoldoende politieke invloed hebben om de oorlog van Poetin te stoppen. Hoe dan ook, het gebruik van economische dwang is strijdig met de idee van neoliberale globalisering.
Vrij verkeer van arbeid is in beginsel een doel van globalisering. Vanwege politieke redenen is het nooit verwezenlijkt, maar het bleef ten minste op de agenda en was een nastrevenswaardig doel. Vanuit een zuiver internationaal oogpunt is er geen reden waarom de arbeidsmarkt niet zou kunnen worden geïnternationaliseerd, en op dezelfde manier wereldomvattend zou kunnen zijn als de kapitaalmarkt. Maar ik besef dat het vanwege politieke redenen anders moet zijn. Maar de laatste tijd is zelfs het streven naar de vrij verkeer van arbeid overboord gegooid. Dit slaat niet alleen op Trump die een hek bouwde tegen Mexico. De bouw ging door onder Biden. Ook ging het deporteren van vreemdelingen zonder papieren door onder Biden, zoals al onder Obama. Dit is niet iets dat Trump zelf heeft bedacht: het anti-immigratiebeleid van de Verenigde Staten heeft zich de laatste 10, 15 jaar versterkt. Hetzelfde geldt, en in nog sterkere mate, voor de Europese Unie. In theorie is zij trots op haar multiculturalisme en multi-etniciteit, terwijl zij tegelijkertijd fysieke begrenzingen opwerpt aan de grenzen, en anti-immigratie patrouilles heeft opgevoerd in de Middellandse Zee. Het is in haar eigen belang dat het aantal dodelijke slachtoffers van deze begrenzingen en patrouilles nooit bekend wordt gemaakt, en dat er alleen naar kan worden geraden. Maar het loopt in de meerdere duizenden per jaar.
Wat nu te denken als we proberen het algemene beeld te bezien? We concluderen dat alle wezenlijke elementen van de neoliberale globalisering zijn losgelaten door de dominante economen en door de Democratische regering in de Verenigde Staten en dat zij door Trump nog verder zullen worden losgelaten. In deze zin is overname van de macht door Trump op 20 januari jl. een symbolische datum voor de uiteindelijke afwijzing van deze principes. De doelen zijn niet langer vrij verkeer van goederen, want invoerheffingen stoppen dat; vrij verkeer van techniek wordt beperkt vanwege zogeheten zorgen om de veiligheid; vrij verkeer van kapitaal wordt teruggebracht omdat Chinezen (en onlangs ook Japanners, zoals in het geval van US Steel) geen Amerikaanse bedrijven mogen kopen; en vrij verkeer van arbeid is sterk beperkt. Welke elementen van neoliberale globalisering blijven er dan over?
Mijn punt is niet dat ik wil bepleiten dat het loslaten van deze beginselen goed is voor de Verenigde Staten of Europa of China of de wereld, of juist niet. Het is eenvoudig dat ik wil laten zien dat het niet alleen Trump is die verandering bracht, maar dat deze beginselen al tien of misschien wel vijftien jaar worden opgeschort. De Financial Times heeft zijn lezers misleid door niet duidelijk te zeggen dat zijn steun voor handelsblokken en herziening van andere belangrijke beginselen in werkelijkheid het loslaten van neoliberale globalisering als project inhoudt. Dit gebeurt vanwege, ten eerste, geostrategische competitie met China; en, ten tweede, omdat dergelijk neoliberaal beleid in het binnenland schadelijk blijkt voor de Westerse middenklassen.
Een belangrijk probleem dat zelden wordt opgemerkt (en de Financial Times had het moeten opmerken) is dat het opgeven van deze beginselen het systeem van Bretton Woods in verwarring brengt. Zoals ik in eerdere publicaties al opmerkte waren er twee wezenlijke kaders van het internationale systeem: in 1944, en vervolgens hoewel niet zo formeel als in 1944, vroeg in de jaren 1980 het invoeren van de Washington-Consensus op wereldschaal in de voormalige communistische landen, zo goed als in India, Afrika en Latijns Amerika. Hoewel de Washington-Consensus met recht kan worden, en ook werd, bekritiseerd kent zij ten minste een zekere samenhang. Het huidige loslaten van de beginselen van neoliberale globalisering laat het hele terrein van internationale ontwikkeling in chaos achter, omdat het helemaal niet duidelijk is wat voor soort beleid er moet worden aangeraden of opgelegd aan de rest van de wereld. Men kan zich niet voorstellen hoe een vertegenwoordiging van de Wereldbank in Egypte kan pleiten voor beperkte invoerheffingen of lagere subsidies, terwijl het belangrijkste land – niet alleen economisch, maar ook wat betreft de voorgestelde of opgelegde economische ideologie –, de Verenigde Staten, zijn invoerheffingen en subsidies verhoogt. De hele ideologie die ten grondslag ligt aan de internationale economische verhoudingen moet opnieuw worden uitgedacht. Misschien moeten we een nieuw systeem bedenken dat handelsblokken en invoerheffingen toestaat, zonder vrij verkeer van arbeid, en zonder overdracht van techniek, maar dan moet het worden vastgelegd en uitgelegd aan de rest van de wereld. Maar niemand heeft nog opgemerkt dat we (de wereld) een dergelijk nieuw systeem moeten scheppen. Dat is de reden dat we nu in een toestand verkeren waarin er geen regels meer zijn. Er wordt volkomen ad hoc mee omgegaan: een bepaalde set regels wordt in het ene land of een aantal landen gebruikt, andere regels in een ander land of aantal landen. Dit alles wordt gerechtvaardigd op grond van nationaal belang. Dat is geen onwettige houding, maar men moet helder zijn over wat zij inhoudt. Zij houdt de terugkeer in naar mercantilistisch beleid waarin de belangen van individuele landen alles overheersend zijn. Het betekent ook het afscheid van alle kosmopolitische en internationale perspectieven waarin de regels ten minste in beginsel algemeen gelden. We hebben geen algemene regels meer, maar de hoofdschuldige is niet Trump, maar een kijk op de wereld waarin binnenlandse politieke belangen en zogeheten zorgen om de veiligheid boven al het andere gaan. Dit is niet de wereld van globalisering, maar van verkaveld regionalisme en zelfs nationalisme.
(Vertaling: Herman Simissen)
Branko Milanović (°1953) is een Servisch-Amerikaanse econoom, onder meer verbonden aan de City University of New York en de London School of Economics. Hij is vooral bekend door zijn werk over inkomensverdeling en ongelijkheid. De oorspronkelijke tekst verscheen op 8 januari jl. op https://branko2f7.substack.com/p/how-the-mainstream-has-abandoned en wordt hier met toestemming van de auteur in Nederlandse vertaling gepubliceerd.
[1] Zie: https://streventijdschrift.be/de-ideologie-van-donald-j-trump/ , 11 december 2024.