Hoe iets te leren over politiek van twee naar de Democraten neigende vrouwen in New York

Vanavond ging ik nogal laat (rond 21.00 uur) naar een nogal duur restaurant in New York; niet heel erg duur, waar de miljonairs van de East Side elkaar ontmoeten, maar een in West Village waar vooral succesvolle jonge (en niet zo jonge, zoals het verhaal snel zal onthullen) mensen bij elkaar komen om te eten en praten. Een plekje vinden aan de bar is medio augustus, wanneer half New York met vakantie is, niet bijzonder moeilijk. Er was een uitstekend plekje in het midden van de bar tussen een lesbisch stel (zoals zij zich later voorstelden) en een vrouw van boven de zestig maar in topvorm. Meteen toen ik haar zag wist ik haar politieke overtuiging. Die straalde er vanaf, of beter van de manier waarop zij haar grijzende haar kort had laten knippen; van haar modieuze en uiterst dure bril met stalen montuur; van haar ‘verstandige’ maar waarschijnlijk dure schoenen. Het werd snel duidelijk dat zij een vaste klant van het restaurant was, met wie door de hoofdkelner met grote zorg en aandacht werd omgegaan.

Na wat onbeduidend gebabbel, door haar begonnen, over het restaurant en het eten werd zij wat terughoudender toen zij vagelijk in de gaten kreeg dat zij praatte met een Oost-Europese barbaar (hoewel zij volgens de etiquette van het diner geen enkele vraag stelde over mijn achtergrond – omdat, weet ik zeker, zij geen idee van geschiedenis of aardrijkskunde had en waarschijnlijk bezorgd was dat elke vraag die zij stelde enkel haar onwetendheid zou onthullen). Ze vertelde echter hoe zij ‘haar tijd verdeelde’ tussen een buitenplaats in New England, met een plek aan het strand, en New York. Nadat ik had verteld dat ik, ook na veel jaren in de Verenigde Staten, nogal weinig weet van New England en de verschillende staten niet uit elkaar kan houden, noch weet hoe zich geografisch tot elkaar verhouden, meende ik dat het tijd werd te proberen wat raakvlakken te vinden. Zij vertelde dat zij kunstenaar was, en van tijd tot tijd gedichten schrijft. Sterker nog, tijdens het hele etentje hield zij een klein zwart notitieboekje bij de hand waarin zij met regelmatige tussenpozen heftig zat te schrijven, als zij niet wilde praten. Ik verdacht haar ervan, dat zij enkel willekeurig wat woorden opschreef. Nadat ze honderd of meer van dergelijke woorden had geschreven, sloot ze haar boekje en hervatte het gesprek. De enige schrijver van wie ik wist dat zij in New England had gewoond, was Marguerite Yourcenar. Enigszins aarzelend vroeg ik haar of zij een auteur kende, een Franse schrijfster, die op een eiland in Maine had gewoond. Zij had nooit van Yourcenar gehoord; en nog minder van Hadrianus.

Goed, ik besloot iets anders te proberen. Ooit, vertelde ik, verbleef ik in het huis van een vriend die in een deftige stad in New England woonde, waar in de jaren 1920 veel indrukwekkende herenhuizen waren gebouwd door mensen als de Morgans en dergelijke. Ik kon me de naam van die plaats niet herinneren, maar hij was prachtig, zei ik, en ik wist zeker dat zij hem moest kennen. (Na het etentje herinnerde ik mij dat het Newport Beach in Rhode Island was.) Zij deed net alsof zij een dergelijke plaats niet kende, zelfs alsof zij niet wist dat er in New England dergelijke plaatsen bestonden. Het is typisch bedrog van superrijke Democraten, net te doen alsof zij zelfs de namen niet kennen van de plaatsen waar de extreem rijken wonen, niet alleen omdat het smakeloos is die namen te laten vallen, maar ook omdat mensen als zij graag geloven dat zij maar ‘gewone mensen’ zijn. Het zijn altijd de anderen die superrijk zijn, niet zijzelf. Zij kunnen in hun eigen gedachtewereld niet aanvaarden dat zij behoren tot de één-tiende deel van de 1%, maar geven er de voorkeur aan zichzelf te beschouwen als ‘iets beter af’-middenklasse.

Zij was uiteraard een kunstenaar. Ze deed aan pottenbakken en breien. Ik had wat onuitgesproken twijfels over de vraag of enkel pottenbakken en breien voldoende opbrachten voor haar etentjes in dure restaurants, maar die hield ik voor mezelf. Maar ik zei dat ik niets wist van moderne beeldende kunst. Zij was niet blij met een dergelijk openlijke uiting van filisterij. Maar het gesprek stopte toen ze vertelde over sommige social media (van het enige aanvaardbare social medium dat volgens haar mag worden gebruikt had ik nooit had gehoord). Ik vertelde dat ik, in plaats van dat bijzondere en maatschappelijk aanvaardbare medium, van Twitter hield. Dit was de laatste druppel. Zij drukte haar woede daarover dat iemand Twitter gebruikte uit in een taal die niet minder heftig was dan wanneer ik had toegegeven een bijzondere voorliefde voor de duivel te koesteren.

Haar niet besefte eigendunk was roerend.

Gelukkig zat er, rechts van mij, nog een vrouw, misschien maar vijf jaar jonger dan de vrouw uit het liberale East Coast establishment met wie ik juist dit prettige gesprek had beëindigd. Zij voelde net zo’n weerzin tegen Trump als de ander, maar had net zo’n grote hekel aan het establishment van de Democratische Partij. En zij vertelde het verhaal dat de hele geschiedenis van de Amerikaanse betrokkenheid bij globalisering omvat: het verhaal van de Amerikaanse industriële opkomst, de terugval, en het onvermogen opnieuw te industrialiseren. Allemaal verteld vanuit haar kleine modebedrijf. Zij is eigenaar van een klein of middelgroot, maar succesvol modebedrijf. Ze stichtte het zo’n vijfendertig jaar geleden. Het bedrijf kocht aanvankelijk alle materiaal, stoffen, prints en kleurstoffen enzovoorts binnen de Verenigde Staten, van Californië tot de Oostkust. Maar geleidelijk werden Amerikaanse leveranciers te duur, en de kwaliteit van prints uit Frankrijk en Italië was beter. Dus schakelde ze over op Frankrijk en Italië. De Amerikaanse bedrijven waarmee haar kleine bedrijfje werkte verkochten uiteindelijk hun uitrusting en machines, en de arbeiders verdwenen naar alle windstreken. Haar bedrijf bleef bloeien. De zaken gingen goed, zelfs nadat een Chinees bedrijf de Franse en Italiaanse leveranciers opkocht. De Chinezen vergrootten het aanbod van kleuren, en dat maakte haar zelfs nog blijer. Totdat, een paar jaar later, de nieuwe Chinese eigenaar besloot de prijzen van de stoffen te viervoudigen (ja, ze zei ‘viervoudigen’). Het was een grote schok voor haar bedrijf. Ze probeerde opnieuw contact te maken met enkele andere Franse en Italiaanse bedrijven, maar net zoals in de Verenigde Staten waren ze allemaal opgedoekt, voorgoed. Er was geen weg terug. Op een of andere manier ving ze de klap van de prijsverhoging op. Het bedrijf bleef bestaan. De producten waren duurder, maar van betere kwaliteit. Het zou, al met al, wel goedkomen, dacht ze.

Toen kwam Trump. Hij verhoogde de invoerheffingen op de goederen die zij uit China importeert van 10 naar 58%. Het is onmogelijk, zei ze, met dergelijke prijzen te werken. Niemand zou haar producten kopen. Zouden de Chinezen niet kunnen doen, vroeg ik, alsof de producten ergens anders zijn gemaakt en dan verkopen met lagere invoerheffingen? Jawel, zei ze, dat proberen ze via Peru te doen, maar het is heel ingewikkeld, en uiteindelijk niet veel goedkoper. En die droom van Trump, zei ze, om de productie terug te brengen naar de Verenigde Staten is gewoon onzin. Wie gaat dat doen? ‘De bedrijven waarmee ik zaken deed zijn jaren geleden gesloten. Zelfs de vaardigheden van de arbeiders om dat te doen bestaan niet langer. We zullen het in de Verenigde Staten nooit meer doen’. Natuurlijk, probeerde ik er voorzichtig tegen in te brengen, zullen achter de hoge muren van de invoerheffingen misschien nieuwe bedrijven ontstaan, en kunnen mensen de nodige vaardigheden opnieuw leren. Ze dacht het niet. En zelfs al zou dat zo zijn, voor haar zou het te laat zijn. Ze wist wat haar te doen stond.

Dus wat dacht zij in politiek opzicht? Trump heeft de laatste nagel in de doodskist van haar bedrijf geslagen. Ze verachtte hem. Maar zij kon het Democratische establishment evenmin verdragen; ze mocht Mamdani; maar Mamdani is een verschijnsel uit New York, zei ze; hij kan de Verenigde Staten niet dragen. Ze wist het niet meer. Het eten was heerlijk, en we dronken nog een glas wijn (zij hield van wit, ik geef de voorkeur aan rosé), maar ik denk dat zij aanvoelde dat dit het eindspel was.

 

(Vertaling: Herman Simissen)

 

Branko Milanović (°1953) is een Servisch-Amerikaanse econoom, onder meer verbonden aan de City University of New York en de London School of Economics. Hij is vooral bekend door zijn werk over inkomensverdeling en ongelijkheid. De oorspronkelijke tekst verscheen op 14 augustus jl. op https://branko2f7.substack.com/p/how-to-learn-about-politics-from en wordt hier met toestemming van de auteur in Nederlandse vertaling gepubliceerd.

Prof. dr. Elizabeth Allard: miskend in een mannenwereld
Hoe iets te leren over politiek van twee...
Kinderwens
De Dagpauwoog
Moet AI onttoverd worden?
Verdeel en heers
Van oude mensen, de dingen die (niet) voorbijgaan
Techniek en nihilisme
Pleidooi voor een anekdotische sociologie
‘We maken dat ding gewoon even schoon’
Op de brandstapel met de kerstman!
Wim Kayzer en de kunst van het vragen...
ChatGPT in het hoger onderwijs: Een kwestie van...
De tuin der folteringen
Het einde en het begin van de geschiedenis
Als vissen in het water. Vooroordelen en discriminatie
LHBTQ-kwesties en katholieke leer
Sleutel tot de moderne tijd: Melvin Kranzberg en...
Een zeergeleerde duivel
Kijkdagen in Huize Semiosis
Theologie en de taal van vorig jaar
Ostinato à variations. Het ritme van katrollen, sprokkelwerk,...
Uit de hoogte
Oudheidkunde op maat
Doet de ander er nog toe? Over de...
Over de lauwe steun van de Arabische en...
De ware Jacob
De betekenis van het betekenisloze. Het schilderij als...
Basisbaan of basisinkomen? Normatieve vragen over de toekomst...
Het zien maar niet kunnen helpen van de...