Pleidooi voor een anekdotische sociologie

De opdracht

Een anekdote, zegt het woordenboek, is een amusant verhaaltje. Prettig als tussendoortje, maar geen wetenschap. Ieder beginnend student krijgt te horen dat anekdotes niet deugen. Ze vervuilen het wetenschappelijke betoog. Vijgenbladeren zijn het, om krakkemikkige data of een schamele theorie achter te verstoppen. In het lijstje van wetenschappelijke ondeugden staat de anekdotiek nog net niet in de rubriek ‘fraude’, maar het scheelt niet veel. Als je in een wetenschappelijke discussie op een beleefde manier je tegenstander onderuit wil halen, en wel zo dat hij niet meer overeind kan krabbelen, zeg dan dat diens betoog ‘anekdotisch is’.

De aanklacht is dus duidelijk: anekdotische wetenschap is een contradictio in terminis en zou eigenlijk niet mogen bestaan.

Pleiten voor een anekdotische sociologie lijkt dan ook een onmogelijke opdracht. Bijna een provocatie. Toch wil ik een poging wagen. Ten eerste omdat ik van amusante verhaaltjes hou, maar vooral omdat ik denk dat anekdotes, samen met ideaaltypes, paradigma’s en verhelderende sociale theorieën behoren tot het beste wat de sociologie te bieden heeft. Ik vraag dus niet zomaar bestaansrecht voor de anekdote. Ik pleit voor eerherstel. En voor oprechte waardering. Goede anekdotes zijn het beste dat we te bieden hebben.

Ik richt me nu al direct tot de sceptische lezer, en die zullen er wel genoeg zijn, want zo’n dialectische omslag ruikt naar goedkope hegelarij, dat moet ik erkennen. Volkomen terecht vraagt de scepticus: ‘Hoe ga je de jury van de wetenschappelijke waarde van anekdotes overtuigen? Met anekdotes?’  Grijns. ‘Baron von Münchhausen trok zich op aan zijn eigen haren uit het moeras. Ga je ook zoiets doen misschien? Met anekdotes anekdotes redden?’

We zullen zien, lieve scepticus, lees rustig verder.

 

Procopius’ Anekdota

Waar kun je beter beginnen dan met – in de letterlijke zin van het woord – de allereerste anekdote in de geschiedenis? Die kan precies worden gedateerd: het jaar 550. In dat jaar schreef de laatromeinse historicus Procopius zijn Anekdota. Dat is Grieks en betekent zoveel als ‘Onuitgegeven Zaken’. Het boek bevat tal van onbekende, of liever: geheim gehouden voorvallen aan het Byzantijnse hof; het belicht de duistere kant van het leven en (wan)beleid van keizer Justinianus, diens vrouw Theodora en legergeneraal Belisarius. Waarom Procopius dat pinnige boek schreef blijft tot op de dag van vandaag een raadsel. Hij schreef het niet voor privégebruik, maar maakte het ook niet klaar voor publicatie. Het lag in zijn lade. En het bleef daar eeuwen liggen. Pas in de tiende eeuw dook het op in Byzantium. Alwaar het schandaal maakte en gauw terug in de onderste lade belandde. In het Westen geraakte de Anekdota pas bekend in 1623 toen een manuscript werd gevonden in de Vaticaanse bibliotheek. Het boek stond vol scabreuze details en werd met rode oortjes gelezen. Gaandeweg kreeg het de reputatie van roddelboek. Goed om conversaties te kruiden, maar meer ook niet. Die reputatie was ten onrechte, want het boek wierp wel degelijk een indringend licht op het Byzantijnse hofleven. Zonder de Anekdota zouden we nu een veel oppervlakkiger beeld hebben van het beleid en de persoon van Justinianus.

Inhoud en toon van de Anekdota waren schokkend. In zijn twee andere grote werken, Oorlogen en Gebouwen, had Procopius de loftrompet gestoken over keizer Justinianus en Theodora – zoals je mocht verwachten van een keizerlijk historicus. Maar in de Anekdota werden de keizer en de keizerin aan de kaak gesteld als wreed, hebzuchtig, verkwistend, seksueel geobsedeerd en verdorven. Van het opgepoetste beeld van Justinianus en Theodora in de gepubliceerde boeken bleef in de Anekdota niets over. Het keizerlijk koppel was ronduit demonisch. Laat ik één passage uit het boek citeren:

Ik heb geen moment gedacht dat de keizer en de keizerin menselijke schepsels waren, integendeel zelfs: ze waren bloeddorstige duivels. (…) Hij (Justinianus) had nu eenmaal zijn zinnen gezet op de totale uitroeiing van de mensheid en besteedde samen met zijn vrouw al zijn tijd aan het verzinnen van aanklachten om die te bewerkstelligen. De ambities van dit tweetal ontliepen elkaar niet veel en ondanks de karakterverschillen waren beiden even slecht, alleen hun methoden om hun onderdanen te vermoorden waren wezenlijk anders.

Dit kan je een anekdote noemen in de volle betekenis die ik eraan zou willen geven. Namelijk van een onthullend, in dit geval ook verbijsterend, relaas dat, zoals de laatste zin van de Anekdota luidt: ‘de waarheid aan het licht brengt’. In de eerste plaats de waarheid over de machthebber Justinianus – die volgens Procopius ‘geen mens was, maar een duivel in mensengedaante’ – maar ook over ‘de machthebber’ in het algemeen. Anekdotes zijn geen faits divers. Ze hebben, als het goed is, een algemene strekking.

De meeste lezers zien in deze passage een ferme overdrijving. Je kan toch niet in alle ernst menen dat iemand ‘zijn zinnen zet op de totale uitroeiing van de mensheid’? Dat is toch te gek voor woorden?

Een overdrijving is het zeker, maar wel een heel rake, want wie de moeite neemt om door te dringen tot de diepste motieven van de grootste machthebbers in de geschiedenis, stoot op het unheimliche vermoeden dat de echte machthebber een overlever is, een handlanger van de dood – althans van andermans dood. Dat de ware machthebber morsig is met het leven van andere mensen is geen bijkomstig kenmerk. Het is de essentie.

 

Canetti over de machthebber

De waarheid over de machthebber, schreef Elias Canetti,

is even beschamend als zij vernietigend is geweest. Het gaat om een persoonlijke hartstocht van de machthebber: zijn lust aan het overleven groeit met zijn macht; zijn macht stelt hem ertoe in staat aan deze lust toe te geven. De feitelijke inhoud van deze macht is het verlangen om mensen massaal te overleven.

Het is voor hem van groter nut wanneer zijn slachtoffers vijanden zijn; maar vrienden kunnen ook dienst doen. Uit naam van mannelijke deugden zal hij van zijn onderdanen het moeilijkste, ja het onmogelijkste vergen. Het is voor hem volkomen onbelangrijk wanneer zij daarbij te gronde gaan. Hij weet hun wijs te maken dat het een eer is, aangezien het voor hem gebeurt. (..)

Want het eigenlijke oogmerk van de ware machthebber is even grotesk als ongeloofwaardig: hij wil de enige zijn. Hij wil iedereen overleven, opdat niemand hem overleeft.

Nu wil ik niet beweren dat dit duister vermoeden over de ziel van de ‘ware machthebber’ – aan het doorgronden waarvan Canetti zijn hele leven spendeerde – Procopius klaar en helder voor de geest stond toen hij beweerde dat keizer Justinianus ‘de mensheid wilde uitroeien’, maar toch bevat deze uitspraak uit de zesde eeuw, bedoeld of onbedoeld, de kern van Canetti’s machtstheorie.

Ziedaar de kracht van de anekdote. Bijna onopzettelijk onthult ze, als je ervoor openstaat, een vergeten, verdrongen of hoe dan ook onbekende waarheid. En ze doet dat plotsklaps. Alsof je ineens wakker wordt.

Ah, aha, haha

Arthur Koestler, wiens roman Darkness at Noon tal van echter-dan-echte anekdotes bevat over het Sovjet-communisme – wat hem niet geliefd maakte bij machthebber Stalin – heeft dat abrupte karakter van het inzicht geestig gevat in zijn boek Janus, A summing up. Sprekend over de komische anekdote, schrijft hij:

Wanneer een komiek een anekdote vertelt, is hij er bewust op uit in zijn toehoorders een bepaalde spanning op te wekken die stijgt naarmate het verhaal vordert. De verwachte climax wordt evenwel nooit bereikt. De clou of pointe fungeert als een verbale guillotine die kop en staart van het verhaal abrupt van elkaar scheidt. (…) De spanning die we voelden, is opeens overtollig geworden en explodeert in gelach.

Niet alle anekdotes zijn humoristisch natuurlijk, maar ze zijn wel, zo niet geestig, dan toch geestrijk. Ze appelleren aan het speelse karakter van de menselijke geest die voortdurend geïnspireerd wil worden, nieuw leven ingeblazen. Dat kan op heel verschillende wijzen. Maar het is beslist geen toeval dat, zoals Koestler gevat opmerkt, de drie belangrijkste ervaringsmodi van de geest – de ervaring van schoonheid, van kennis en van humor – tot uitdrukking komen in reactievormen die zelfs het kleinste kind al beheerst: ‘AH’ zegt het kind als het iets mooi vindt, ‘AHA’ als het iets begrijpt, ‘HAHA’ als het ergens om moet lachen. En wanneer die ervaringsmodi gelijktijdig worden aangesproken – dus wanneer iets mooi, waar én grappig is – kan zelfs de rijpste geest niets anders bedenken dan: ‘nog eens’ – als een kind aan het einde van een verhaaltje.

Die gelukzalige momenten zijn zeldzaam, maar als je ze ervaart begrijp je wat filosofen bedoelen als ze zeggen dat schoonheid en waarheid – en wat mij betreft ook spel en humor – vervulling schenken, of met andere woorden: geen ander doel hebben dan zichzelf.

Bah!

De sceptische lezer, die ik niet vergeten ben, zal nu wellicht opmerken: ‘Wil je beweren dat de anekdote over Justinianus, die de mensheid wilde ombrengen, mooi, waar en grappig is? Ik vind haar eerder aanstootgevend.’

Daar ben ik het nu eens volledig mee eens. Vaak zijn esthetische ervaringen inderdaad pakkend in al hun lelijkheid. En al te dikwijls zijn waarheden verontrustend en wekken ze verontwaardiging op omdat ze ons met onze neus drukken op choquerende feiten. En soms, helaas al te vaak, is humor ronduit destructief. Dat is allemaal waar. Ook die ervaringsmodi zijn trouwens al aan het kind bekend. Ze komen tot uitdrukking in de reactievorm: ‘BAH’ – die zowel van toepassing is op lelijkheid, onprettige waarheden als kwalijke humor. Die spuwen we alle drie uit.

‘De wereld’, schreef Charles Baudelaire, ‘is een soort voedsel, dat de verbeelding moet verteren en omzetten’. Soms lukt dat, en dan verruimen we – al ‘AH’-end, ‘AHA’-end en HAHA’-end dat het een lust is – onze geest. Soms lukt dat niet en dan beschermen we ons – al ‘BAH’-end – tegen een geestelijke voedselvergiftiging. Menselijke groepen en menselijke individuen, wist de antropoloog Lévi-Strauss, zijn net baby’s. Ze hebben twee basishoudingen tegenover al wat ze tegenkomen en beproeven: inslikken of uitspuwen. Ofwel: inclusie of exclusie.

Zo zou je bijvoorbeeld met plezier de Canettiaanse waarheid dat de machthebber de enige wil zijn willen uitspuwen. Ze laat een te vieze smaak na. Canetti wist dat heel goed. Daarom schreef hij: sommige feiten moet je ‘kennen om ze de wereld uit te haten’ – een uitspraak die als motto kan dienen van de Kritische Theorie of de activistische sociologie. Max Horkheimer zegt het wat wolliger: ‘De kritische theorie heeft geen andere instantie die voor haar spreekt dan het met haar zelf verbonden belang bij het opheffen van het maatschappelijke onrecht’.

 

Waarheid omcirkelen met fictie

Anekdotes kunnen dus zowel kritisch zijn als positief, zowel ontwrichtend als stichtend. Maar altijd moeten ze iets verhelderen. Ze hoeven niet eens waar te zijn. Dat hebben anekdotes gemeen met ideaaltypes. Die zijn ook niet waar. Meer nog, zoals Max Weber tot in den treure herhaalde: ideaaltypes kunnen niet waar zijn (hij herhaalde dat zo vaak dat hij er zelf moe van werd en verzuchtte: ‘Ideaaltype? Dat is een term die ik meteen zou willen ruilen voor een betere’). Maar ze zijn wel een onmisbaar hulpmiddel voor wie een beetje klaar wil kijken in het rommelboeltje dat de maatschappij is. Max Frisch noemde dat: ‘de waarheid omcirkelen met behulp van fictie’.

Martin Buber, filosoof en parttime socioloog die van een goed verhaal hield, doet er nog een schepje bovenop. Hij omschreef de anekdote als het ‘verhaal van een enkel gebeuren dat een heel leven illustreert’ en hij voegde daar nog aan toe dat ‘de legendarische anekdote daar nog boven uitgaat: in het ene gebeuren uit zich de zin van het bestaan’.

Nu wordt het de sceptische lezer te machtig. Is dit een pleidooi voor anekdotische wetenschap? Wat heeft dit alles met wetenschap te maken? Een waarheid die je poogt te achterhalen met behulp van fictie, legendes, ideaaltypische bedenksels, ja zeg maar ronduit verzinsels, wat is dat voor een waarheid? En wat een pretentie: ‘de zin van het bestaan’. Hoe bestaat het?

‘De zin van het bestaan’ laten we voor rekening van Martin Buber. Zo’n openbaring moet je, denk ik, niet van een anekdote verwachten. Maar ‘zin’, in de gewone alledaagse betekenis van ‘begrijpen wat mensen drijft’, biedt ze heel zeker wel.

 

Twee kampen in de sociologie

Als het woord ‘zin’ valt spitsen sociologen de oren. Het is een sjibollet, een herkenningswoord waaraan je herkent tot welk kamp iemand behoort. Ik had me voorgenomen om zedig te zwijgen over de facties en tegenstellingen onder sociologen, maar ik kom er niet onderuit. Er bestaan twee kampen in de sociologie. Het ene kamp zweert bij de sociologie als een wetenschap die sociale feiten beschouwt als dingen. Die moet je objectief benaderen, zoals sterrenkundigen naar de sterren kijken. ’Il faut traiter les faits sociaux comme des choses’ (Emile Durkheim). Feiten zijn feiten en weten is meten. Het andere kamp zweert bij de sociologie als een wetenschap die de sociale werkelijkheid opvat als een kluwen van min of meer zinvol handelende mensen. Als je dat kluwen wil ontrafelen moet je de mensen verstaan, hun handelingsmotieven begrijpen. Dat kan je nooit door objectieve waarneming. ‘De objectieve behandeling van cultuurfenomenen is zinloos, ronduit ‘absurd’’ (Max Weber). Feiten zijn constructies en weten is interpreteren.

Niet zelden staan het kamp Durkheim en het kamp Weber met de rug naar elkaar. Dat deden de heren Durkheim (°1858) en Weber (°1864) tijdens hun leven ook al. Ze wisten van elkaars bestaan af, natuurlijk, maar ze besloten elkaar te ignoreren. Moedwillig, koppig, timmerden ze beiden naarstig aan de grondslagen van de sociologie. Ieder op zijn manier. Durkheim verbleef na zijn studie twee jaar in Duitsland, verdiepte zich in Kant, bezocht het labo van Wilhelm Wundt en schreef uitgebreid over al wat in Duitsland verscheen. Maar over Max Weber repte hij met geen woord. En Weber, wel, die las alles wat gedrukt was. Behalve het werk van Emile Durkheim – die vanaf 1895 in Frankrijk toch echt wel de sociologue par excellence was.

Het zou kinderachtig zijn om de gespletenheid van de sociologie toe te schrijven aan de jaloerse koppigheid van haar grondleggers. In feite surften Durkheim en Weber ook maar mee op de golven van de wetenschapsgeschiedenis.

 

Die Drei Kulturen / The Two Cultures

We mogen Wolf Lepenies dankbaar zijn dat hij dit zo erudiet en helder heeft uitgelegd in zijn boek Die Drei Kulturen. ‘Drie Kulturen’? Dat doet misschien een belletje rinkelen. Het verwijst naar The Two Cultures, het beruchte essay uit 1959 van C.P. Snow over de onoverbrugbare kloof tussen de exacte wetenschappen en de letteren. Als vooraanstaand natuurkundige en gevierd romanschrijver was Snow thuis in beide werelden. Maar dat schuurde. In de ‘republiek der letteren’ werd smalend gedaan over half ontwikkelde natuurwetenschappers die nooit een boek lazen, en omgekeerd keken de wetenschappers neer op geletterden die, bij wijze van spreken, een vierkantswortel trokken met een keukenmes. Snow had heimwee naar de tijd van Goethe en Von Humboldt, toen het nog mogelijk was om je zowel te bekwamen in de alfa- als in de beta-cultuur. Dat kan nu niet meer. Aan weerszijden van de kloof ‘staan mensen, die ten aanzien van elkaar ongeletterd zijn’. Als je, om Snows boutade nog eens op te diepen, Shakespeare niet hebt gelezen ben je ongeletterd; maar je bent eveneens ongeletterd als je niets weet van de Tweede Wet van de Thermodynamica. Nou. Snow’s lichtjes pedante essay leidde tot een hele polemiek, die op zijn beurt leidde – zoals bij polemieken wel vaker het geval is – tot niets. De alfa en de beta-culturen bleven doof en blind voor elkaar.

Het punt van Lepenies is nu, dat de sociologie zich vanaf het begin bevond in de lastige positie van Snow: met één been in de wetenschappen en met één been in de letteren. Vandaar de ‘Drei Kulturen’. Tussen de wetenschappen en de letteren zitten de sociale wetenschappen geprangd als de ‘derde cultuur’. Een mens zou nu naïef kunnen menen dat de sociale wetenschappen, als tussengebied, door de twee andere ‘culturen’ worden gevoed, zodat een mooie synthese tot stand werd gebracht. Helaas is dat een droom gebleven. De kloof tussen de ‘two cultures’ herhaalde zich simpelweg in het hart van de ‘derde cultuur’. De sociale wetenschappen zijn, zoals we al zagen bij Weber en Durkheim, verscheurd.

Al is verscheurd een verkeerd woord. Dat suggereert een aanvankelijke eenheid die door omstandigheden of innerlijke spanningen vervolgens gespleten zou zijn. Maar er was geen eenheid. Nooit geweest. De kloof was er al van bij het begin. Het is goed dat te beseffen.

 

Du côté de chez Comte

Beknopte inleidingen in de sociologie vertellen meestal maar de helft van de ontstaansgeschiedenis van de sociologie – zeg maar: Du côté de chez Comte. In dat verhaal wordt uitgelegd dat begin negentiende eeuw de idee van een ‘sociale wetenschap’ ingang vond. Voordien deed het ook al wel her en der de ronde. Maar dat was fragmentair en inconsequent. Het was de grote Auguste Comte die het ei van de sociologie uitbroedde. De sociologie zou een ‘positieve wetenschap’ zijn, wars van interpretaties en uitleggerij. Alleen gericht op de feiten. Die spraken voor zich. Eerst had Comte het nog over een ‘sociale fysica’, wat goed weergaf wat hij op het oog had. Mits de nodige zelfbeheersing kon je de objectieve houding van natuurwetenschappers ook innemen tegenover de maatschappij. Dat verhaal is bekend. Het is het officiële stichtingsverhaal van de sociologie. Tot dat verhaal behoort ook de anekdote dat Emile Durkheim zich min of meer beschouwde als de geestelijke zoon van Comte, of misschien wel als diens reïncarnatie – Durkheim werd geboren in het jaar na Comte’s overlijden.

 

La Comédie humaine

Minder bekend, maar voor ons betoog van groter belang, is dat de sociologie niet alleen is ontsproten als een zijtak, of preciezer gezegd, als een ietwat vervormde nabootsing van de natuurwetenschappen. Want kijk, de sociologie zag nog een tweede keer het levenslicht, maar dan op een heel andere wijze, en onder een andere naam. Terwijl Comte naarstig schreef aan zijn Cours de philosophie positive, het vierdelige werk waarin de sociologie werd opgevoerd als het sluitstuk van ‘de wetenschappen’, broedde elders in Parijs, in de Rue Raynouard 47, Honoré Balzac zijn Comédie Humaine uit. Broeden is hier het juiste woord. Balzac schreef liefst ’s nachts in zijn bed, zijn schrijversnestje, gehuld in een slaapkleed.

In zijn jonge jaren was Balzac niet meer dan een broodschrijver die romannetje na romannetje afscheidde om zijn exorbitante levensstijl te bekostigen. Hij schreef over om het even wat, als het maar verkocht. Maar het moet gezegd dat zijn materiaal ook dan al herkenbaar en levensecht was. Het was zo geplukt uit de salons, parken, cafés, magazijnen, kerken, musea, werkplaatsen, galerijen, rechtbanken en waar hij maar mensen tegenkwam. En dingen. Balzac had een enorm absorptie- en onderscheidingsvermogen. Alles nam hij in zich op, alles, met veel gevoel voor het esthetisch karakter van de sociale omgang, vooral op plekken waar de subtiele verwevenheid van de mensen-en-de-dingen op de spits werd gedreven: in de salons, de restaurants, de theaters en de boulevards van de stad. De kleuren, geuren en motieven van houtwerk en stoffen – alles deed ertoe. Balzac had een ‘unieke intensiteit om alle dingen aan te pakken en in zich op te nemen’, schrijft Stefan Zweig bewonderend, en ‘altijd weer komt men tot het besef, dat iets bekijken voor Balzac tegelijk een erin doordringen betekende, een direct weten waardoor hij niets behoefde te leren, een weten als het ware door toverdracht’. Balzac beheerste, kan je zeggen, de kunst van het verstehend waarnemen – het indringend en ‘einfühlend’ in je opnemen van al wat binnen je waarnemingsveld betekenis heeft. En hij kon nog schrijven ook.

Na een persoonlijke crisis, één van de vele in zijn leven, besloot Balzac zijn schrijven ernstig te nemen. Voortaan zou hij, systematisch en volledig, de hele Franse samenleving in zijn volle omvang, in al zijn geledingen en gelaagdheden, en tot in de kleinste betekenisvolle details nauwkeurig weergeven. Gedaan met boeken om den brode te schrijven. Vanaf nu zou hij werken aan een oeuvre. Werklust had hij al, nu kwam het aan op een plan. Zo ontstond de beroemde Avant-propos van La Comédie Humaine. Je kunt het Balzac’s onderzoeksprogramma noemen.

In de Balzac-studie neemt deze tekst een bijzondere plaats in. Literatuurwetenschappers weten er niet goed blijf mee, want er blijkt duidelijk uit dat Balzac’s ambitie verder reikte dan de literatuur. Hem stond een wetenschap voor ogen die nog niet bestond: een maatschappijwetenschap. Maar dan wel een wetenschap bedreven met artistieke middelen: sociologie als een kunstvorm dus, of kunst als een vorm van sociologie – het is maar hoe je het bekijkt. Balzac schreef de programmatische tekst, waar hij nochtans veel belang aan hechtte, ronduit met tegenzin. Hij zwoegde erop. Op de zestien bladzijden van die tekst werkte hij even lang als anders aan een hele roman. Maar hij had dan ook wat uit te leggen. Het Comédie Humaine project – Balzac’s eigenlijke oeuvre dus – was immers veel uitgebreider dan het toch al megalomane oeuvre van Comte. Bovendien was de titel een knipoog naar Dante’s Divina Commedia, en als je je met Dante wilde vergelijken dan moest je iets te bieden hebben. Maar ik denk, zo besluit Balzac, ‘dat de immense omvang van dit plan, dat zowel geschiedenis als maatschappijkritiek omvat (…), me toelaat om mijn werk te laten verschijnen onder de titel waaronder het nu verschijnt: La Comédie humaine’.

Balzac nam zich voor om twaalf maal twaalf romans te schrijven waarin in totaal zo’n drieduizend personages zouden optreden. Dat zou wel volstaan, dacht hij, om alle typische sociale situaties en alle soorten mensen te beschrijven, met al hun typische hartstochten en karaktertrekken, in alle beroepen, rangen en standen en levensdomeinen. En niet te vergeten alle deugden en ondeugden van al die mensen, en de verborgen en zichtbare redenen en drijfveren van hun handelen. Als je de maatschappij zo omvattend zou schetsen, zonder ook maar iets van haar complexe sociale architectuur achterwege te laten, dan zou de ‘moteur social’ – de inwendige maatschappelijke dynamiek – vanzelf aan het licht komen.

Balzac stierf voor het project was afgerond. Van de twaalf maal twaalf romans die hij zich had voorgenomen ‘ontbraken’ er vijftig, wat dus nog altijd betekent dat het grootste deel van dit bijna bovenmenselijke project wél werd gerealiseerd. Sociologen en historici die zich een beeld willen vormen van de Franse burgerlijke maatschappij in de negentiende eeuw kunnen zich geen betere bron wensen dan de Comédie Humaine.

 

Dichterlijk-sociologische verbeelding

Natuurlijk zijn Balzacs schetsen van mensen en sociale toestanden ontsproten aan de dichterlijk-sociologische verbeelding. Ze zijn dus niet ‘waar’. Alleen, zonder die verbeelding zouden we veel minder verstaan van het sociale leven in Balzac’s tijd. Je kan betreuren dat Balzac geen plaats inneemt in de sociologische canon, terwijl hij nota bene een ‘maatschappijwetenschap’ uit de grond stampte. Het is goed te beseffen dat hij gebruik maakt van dezelfde hulpmiddelen die sociologen uit de verstehende traditie ook hanteren. Net als de sociologen van de Chicago School creëert hij ‘social types’; net als de fenomenologen reconstrueert hij ‘typificaties’; net als Max Weber ontwerpt hij ‘idealtypes’; net als Georg Simmel heeft hij oog voor de esthetiek van sociale interacties; net als Richard Sennett reconstrueert hij de alledaagse verhalen waarin mensen zich verstrikken. Dat zijn allemaal ‘dichterlijk-sociologische’ hulpmiddelen – manieren om in de onoverzichtelijke maatschappelijke verwardheid zinvolle contouren te onderscheiden, en dingen te zien en begrijpen die anders ongezien en onbegrepen zouden blijven. Dàt is het alfa en omega van de verstehende traditie. Die traditie heeft diep zittende literaire wortels. Ze vangt niet aan met Weber, niet met Dilthey of Schleiermacher maar gaat terug tot Theophrastus.

 

Anekdotes bewaren leven

En hoe zit het ook alweer met de anekdotes? Welnu, al die dichterlijk-sociologische hulpmiddelen (social types, ideaaltypes, karakters, ‘precieze overdrijvingen’, metaforen, karikaturen, satires) zijn wezenlijk anekdotisch van aard: ze grijpen een, al dan niet fictieve, bijzonderheid aan om een meer algemene waarheid aan het licht te brengen. Ze springen van het concrete naar het algemene – maar dan op zo’n manier dat het leven erin bewaard blijft. Dit is wat mij betreft het belangrijkste argument pro anekdotische sociologie.

Bertrand Russell zegt ergens, ik geloof in zijn boek On Human Knowledge:

Je hebt twee soorten abstracties: a) abstracte begrippen die naarmate ze abstracter worden alsmaar preciezer worden (zoals in de wiskunde); en b) abstracte begrippen die naarmate ze abstracter worden alsmaar wolliger worden, tot ze uiteindelijk iedere betekenis verliezen en louter een spel van woorden worden (zoals in de sociale wetenschappen).

Het citaat is niet letterlijk maar de strekking is duidelijk. Na me enkele tientallen jaren verdiept te hebben in de theoretische sociologie – wat ik met veel genoegen heb gedaan, en nog steeds doe – ben ik geneigd om Russell bij te treden. Hoe gemakkelijk bedienen (theoretische) sociologen zich niet van vage abstracties? Cultuur, institutie, sociaal systeem, self, sociale structuur, individualisering, revolutie, figuratie, sociaal proces en ga zomaar door. Ik strooi die woorden ook in het rond, maar inmiddels heb ik wel door dat geen twee sociologen er hetzelfde onder verstaan. Honderd jaar geleden maakte Ortega Y Gasset zich vrolijk over de sociologie, ‘de wetenschap die niet eens een heldere definitie heeft van haar centrale begrip: maatschappij’. Hij heeft natuurlijk gelijk. Het heeft me lang bezighouden, en ik schreef er twintig jaar geleden een boekje over (Het tijdperk van de maatschappij).

Gaandeweg heb ik geleerd dat je met abstracte sociale begrippen en theorieën heel erg moet opletten. De boutade zegt ‘er is niets zo praktisch als een goede theorie’. Dat is waar. Maar theorieën kunnen ook verblindend zijn. Niet zelden bouwen (theoretische) sociologen met hun abstracties mentale forten. De anekdotische sociologie is een welgekomen, ik zou zeggen: noodzakelijk, antidotum. Zij heeft geen theoretische pretentie. Het licht dat ze laat schijnen is niet meer dan een kaarsvlammetje. Maar in kaarslicht kan je kijken. Het flikkert en danst, het leeft en wekt de verbeelding op. Gaston Bachelard, de bebaarde filosoof die niet werkte zonder een kandelaar in de buurt, schreef: ‘de vlam nodigt ons uit tot zien als eerste keer’. Zo te kunnen kijken naar mensen en dingen wens ik eenieder toe. Want socialiteit is nieuwheid, wist George Herbert Mead. Dat ook te kunnen zien is een grote bron van vreugde.

Vandaag, en nu schraap ik mijn stem, staat de mensheid tegenover een dreigende en aanzwellende stroom van onrustwekkende ontwikkelingen. Juist nu, op het moment dat we door harde feiten dreigen te worden overmand, is wat we het meest nodig hebben een frisse geest.

 

 

Mijn dank aan alle leden, studenten en collega’s, van de warme gemeenschap van het Departement sociologie, de Faculteit Sociale Wetenschappen en de Universiteit Antwerpen. Het was fijn om tussen jullie te vertoeven en mijn eigen intellectuele pad te mogen bewandelen. Het is bijna niet te geloven dat ik dit heb mogen doen.

Dank jullie wel!

 

*

 

Deze tekst sprak Walter Weyns op maandag 18 november 2024 uit in Antwerpen, bij zijn afscheid als hoogleraar sociologie van de Universiteit Antwerpen.

 

Gebruikte literatuur (in de volgorde waarin ze werd gebruikt; volledige verwijzingen verkrijgbaar bij WW)

Procopius, De verzwegen verhalen (Anekdota).

Elias Canetti, Het geweten in woorden.

Arthur Koestler, Janus – a summing up.

Lévi-Strauss, geciteerd in: Bauman, Hermeneutics and Social Science.

Max Horkheimer, Kritische Theorie.

Max Weber, geciteerd in: Walter Weyns, Klassieke sociologen.

Max Frisch, Aantekeningen.

Martin Buber, Chassidische vertellingen.

Emile Durkheim, Les règles de la méthode sociologique.

Wolf Lepenies, Die Drei Kulturen.

C.P. Snow, The Two Cultures.

Auguste Comte, Cours de philosophie positive.

Robert Nisbet, Sociology as an art form.

Honoré Balzac, Comédie humaine, avant-propos.

Stefan Zweig, Balzac.

Bertrand Russell, On Human Knowledge.

Ortega Y Gasset, De mens en de mensen.

Gaston Bachelard, Le flamme d’une chandelle.

Prof. dr. Elizabeth Allard: miskend in een mannenwereld
Hoe iets te leren over politiek van twee...
Kinderwens
De Dagpauwoog
Moet AI onttoverd worden?
Verdeel en heers
Van oude mensen, de dingen die (niet) voorbijgaan
Techniek en nihilisme
Pleidooi voor een anekdotische sociologie
‘We maken dat ding gewoon even schoon’
Op de brandstapel met de kerstman!
Wim Kayzer en de kunst van het vragen...
ChatGPT in het hoger onderwijs: Een kwestie van...
De tuin der folteringen
Het einde en het begin van de geschiedenis
Als vissen in het water. Vooroordelen en discriminatie
LHBTQ-kwesties en katholieke leer
Sleutel tot de moderne tijd: Melvin Kranzberg en...
Een zeergeleerde duivel
Kijkdagen in Huize Semiosis
Theologie en de taal van vorig jaar
Ostinato à variations. Het ritme van katrollen, sprokkelwerk,...
Uit de hoogte
Oudheidkunde op maat
Doet de ander er nog toe? Over de...
Over de lauwe steun van de Arabische en...
De ware Jacob
De betekenis van het betekenisloze. Het schilderij als...
Basisbaan of basisinkomen? Normatieve vragen over de toekomst...
Het zien maar niet kunnen helpen van de...