Dit krijgshaftig motto, dat dateert van ruim een eeuw vóór de kolonisatie, wordt toegeschreven aan koning (Mwami) Rujugira, en zou nu weer regelmatig opduiken in de besprekingen tussen president Kagame en de top van zijn militaire staf (blz.10).[1] Dat is geen detail. Het wijst erop dat Kagame en de zijnen aanknopen bij een oude traditie van centralisatie en militaire autocratie. En dit inzicht zou wel eens een scherper licht kunnen werpen op de actualiteit in het Grote Merengebied in Afrika dan het dominante narratief over de oorzaken van het geweld in de regio.
In dit artikel belichten we de (politieke) geschiedenis van Rwanda en de regio zo beknopt mogelijk. Dat is niet eenvoudig, want het is een complexe en pijnlijke geschiedenis. En hoewel Oost-Congo en Rwanda regelmatig in het nieuws komen, mag zelfs van de gemiddelde lezer van Streven niet worden verwacht dat de achtergrondkennis over de regio verder reikt dan wat algemeenheden. Gelukkig worden we in onze zoektocht naar inzicht nu ook geholpen door het nieuwe boek van de Rwanda-expert bij uitstek, Filip Reyntjens. Het is een uitstekend synthesewerk geworden, dat blijk geeft van een grote kennis van zaken en een heldere visie. Wat overigens niet betekent dat we het in alle opzichten eens zijn met die visie. Maar laten we, voor we in dialoog gaan met Reyntjens, eerst aanknopen bij de actualiteit en een synthese van het werk.
Naar een ‘ copy-paste’ van de Eerste Internationale Afrikaanse oorlog?
In een speech op 15 maart 2025 verbreekt president Kagame alle diplomatieke banden met België, enkele dagen later volgt de beslissing ook alle ontwikkelingssamenwerking te stoppen. Onder het motto dat de aanval de beste verdediging is, wil hij daarmee het land treffen dat reeds maanden aandringt op sancties bij de Europese Unie, omdat het Rwandees leger de ruggengraat vormt van de rebellie in Oost-Congo, en daarmee opnieuw de regio destabiliseert en zich toegang verschaft tot illegale grondstoffenwinning. Het scenario is voorlopig een copy-paste van de gebeurtenissen in 1996-1999, die leidden tot de Eerste Internationale Afrikaanse Oorlog, 1998-2003. Volgens het IRC (International Rescue Committee) heeft die direct en indirect het leven gekost aan 3.9 miljoen mensen en is daardoor ‘het dodelijkste conflict sedert de Tweede Wereldoorlog’. Die rebellie werd formeel geleid door de Congolese woordvoerder Laurent Kabila, maar stond militair onder het gezag van generaal James Kabarebe die stafchef van het Rwandese leger was. De rebellen veroverden in geen tijd het immense land en met de val van Kinshasa maakten ze een einde aan het regime van president Mobutu (1971-1997). James Kabarebe werd stafchef van het Congolese leger tot de nieuwe president, Laurent Kabila, hem in augustus 1998 ontsloeg. Dit ontslag leidde onmiddellijk tot een nieuwe rebellie die de DRCongo in de hoger genoemde oorlog stortte.
De huidige rebellie, formeel onder leiding van de Congolees Corneille Nangaa, ontkent, zoals bij de rebellie in 1997 en 2012, dat de militaire steun van Rwanda cruciaal is. In enkele maanden tijd vallen de hoofdsteden van de provincies van Noord- en Zuid-Kivu (Goma en Bukavu) in handen van de rebellen. Naar verluidt zou het geweld enkele duizenden doden – blijkbaar komt het, wanneer het berichtgeving over Afrika betreft, niet aan op een precies aantal – en vele slachtoffers van geweld en verkrachting hebben gemaakt. Het officiële doel is, volgens de nieuwe woordvoerder, de ‘corrupte regering’ van president Tshisekedi, waartoe ook hij vroeger behoorde, omver te gooien. Naar de echte doelstellingen achter het destabiliseren van de regio hebben we het raden. Zeker, president Tshisekedi is er, na zijn herverkiezing in 2023, in een klimaat van perfect georganiseerde chaos, niet in geslaagd zijn eerste doelstelling, de pacificatie van Oost-Congo, te realiseren. Zijn beleid zou evenzeer als dat van zijn voorgangers in hetzelfde bedje van nepotisme en corruptie ziek zijn. De geloofwaardigheid van Nangaa, na zijn hand- en spandiensten bij de manipulatie van de herverkiezing van Tshisekedi, is echter zeer twijfelachtig.
Het narratief van het Kagame-regime om de interventie in Congo te rechtvaardigen, behelst meestal twee elementen. Het eerste is de dreiging door invallen van rebellen vanuit Congo. Aangezien het zittende regime in Kigali aan de macht kwam door in 1990 een burgeroorlog te ontketenen vanuit buurland Uganda, is het natuurlijk beducht dat hetzelfde zou kunnen gebeuren. Vandaar de begrijpelijke schrik, hoewel de parallel niet helemaal opgaat. Het regime van de tweede Hutu-republiek onder president Habiyarimana (1973-1994) had in de jaren ‘80 van de vorige eeuw een onbetekenend leger van naar schatting amper 4000 manschappen. Het huidige regime in Kigali kan echter rekenen op een twaalfvoudig leger om zich te beschermen tegen de Hutu-rebellen in Oost-Congo. Die laatste bestaan uit restanten van het oude Rwandese leger en elementen van de Interahamwe (uitvoerders van de genocide) die ondertussen al heel lange baarden moeten hebben. Deze zijn nauwelijks partij voor het huidige, sterke Rwandese leger. Vandaar het vermoeden dat deze dreiging wel eens een drogreden kan zijn om de periodieke interventie van het huidige Rwandese regime te legitimeren. Andere drijfveren zijn achterliggend, waarbij de controle van de illegale grondstofwinning, vooral goud en coltan, zeker meespeelt. Daarvoor zijn heel sterke aanwijzingen te vinden in de zesmaandelijkse rapporten van het experten-panel van de Verenigde Naties. Ondertussen zijn er wel officieel vredesonderhandelingen opgestart tussen Rwanda en Congo, onder druk van president Trump, die ook daar ‘grondstoffendeals’ ruikt. Op het terrein valt daar niets van te bespeuren, integendeel in de veroverde gebieden worden onder dwang veel jonge rekruten geronseld voor het rebellenleger .
Het tweede element, gebruikt door het regime in Kigali, is het opkomen tegen etnische discriminatie van grote minderheden van Banyarwanda in de aanpalende Congolese provincies van Noord-en Zuid-Kivu. Ook dit element is twijfelachtig, hoewel die redenering op veel begrip kan rekenen van auteurs die het doorwerken van het koloniale verleden als één van de dieperliggende wortels van het huidig conflict duiden. Banyarwanda zijn sprekers van het Kinyarwanda die in Congo wonen. Zo gaat de stamboom van de inwoners van Rutshuru (streek in Noord Kivu), die overwegend Hutu zijn, inderdaad terug tot vóór de kolonisatie en hebben ze de Congolese nationaliteit én weinig affiniteit met de huidige machthebbers in Rwanda. Een tweede minder talrijke groep Banyarwanda zijn Rwandezen die tijdens de kolonisatie in het interbellum, vanwege de schaarste aan land in Rwanda, werden overgeplaatst in ‘Paysannats’ in de minder bevolkte Kivu-provincie van Congo waar ze een stuk grond kregen toegewezen. Tenslotte zijn er ook groepen Kinyarwanda-sprekers, meestal Tutsi, die oorspronkelijk met hun kuddes in de heuvels en bergen verbleven en die door de lokale etnieën worden bestempeld als ‘vreemdelingen’. Voor deze laatste en kleinste groep Banyarwannda gaat het argument van discriminatie op, maar dat dit te maken heeft met het idee dat deze gebieden oorspronkelijk vóór de kolonisatie deel uitmaakten van het Rwandese territorium, is, zoals we zullen zien, onzin.
Wat zijn de werkelijke drijfveren van de blijvende destabilisatie en geweld van de regio door het regime in Kigali? Is het de blijvende destabilisatie van de regio met het oog op de controle van de grondstofrijke regio? Is het de uitbreiding en hertekening van de koloniale grenzen ten voordele van Rwanda in de vorm van vazalstaten of echte inlijving? Of is het de installatie van een bevriend regime in Kinshasa onder invloed van Rwanda? Enkel de toekomst zal het uitwijzen. Een grondige historische terugblik kan echter een interessant licht werpen op de actuele situatie in de regio. Met de publicatie van Modern Rwanda: A Political History (Cambridge University Press, 2025) door Filip Reyntjens, krijgen we, van iemand die het grootste deel van zijn universitaire loopbaan aan de evolutie van het politieke gebeuren in Rwanda heeft gewijd, een dieper inzicht in de aard, breuklijnen en continuïteit van de politieke klasse in dit bijzonder land.
Beslissende keerpunten maar ook verbazende continuïteit
De structuur van het boek is weinig verrassend. Reyntjens vertrekt van de keerpunten en breuken in de politieke geschiedenis van Rwanda. En die zijn overduidelijk. Na pre-koloniaal Rwanda is er de ruptuur en onderwerping door de Duitse kolonisatie (1906-1916) die wordt overgenomen door België, tot de onafhankelijkheid in 1962. Na de revolutie in 1959, mede ingegeven door de verandering van houding van de Belgische kolonisator in de jaren ‘50 van de vorige eeuw, met meer steun voor de grootste bevolkingsgroep, krijgen we de eerste en tweede ‘Hutu’-republieken (1962-1994). Tenslotte, nadat de gevluchte Tutsi rebellen in 1990 een burgeroorlog startten die uitmondde in de genocide op de Tutsibevolking, namen ze de macht over en vestigden een de facto autocratie onder leiding van Paul Kagame (sinds 1994. De hoofdstelling van het boek is echter dat de continuïteit, die een tijdspanne van bijna twee eeuwen overbrugt, ondanks de veranderingen en schokken, overheerst.
De ontstaansmythe en het pre-koloniale Rwanda
In de nevelen van de tijd, zo gaat de ontstaansmythe die iedere Rwandees kent, zou de eerste koning, Kigwa, van de hemel zijn neergedaald. Gihanga, een opvolger en stichter van Rwanda had drie zonen: Gahutu, Gatutsi en Gatwa. Hij vertrouwde ieder van hen een kruik melk toe; Gatwa dronk de melk op, Gahutu liet de kruik tijdens de nacht leeglopen, maar alleen Gatutsi had de melk bewaard. Als beloning voor de goede zorg kreeg hij de heerschappij over zijn twee broers.
Naargelang van de interpretatie kan de klemtoon worden gelegd op de éénheid van taal, grondgebied, cultuur en gebruiken, en dit alles onder het ‘natuurlijk’ leiderschap van krijgers. De krijgers (Intore) maakten de elite van het land uit. Deze interpretatie van de ontstaansmythe, waarnaar het huidige regime verwijst, staat haaks op de interpretatie die aan de mythe werd gegeven tijdens de twee Hutu-republieken (1959-1994). Toen werd de mythe gezien als een verhaal over sociale onderdrukking en uitbuiting. Daarbij steunde men op de idee dat de Twa (jagers- en plukkersvolkeren) de meest oorspronkelijke bewoners waren, terwijl de Hutu sedentaire landbouwvolkeren waren (bantoe) die in het begin van onze jaarrekening vanuit centraal Afrika uitzwermden over een groot deel van het continent. De Tutsi, als herders- en krijgersvolk, zouden dan als laatste groep rond de zestiende eeuw de andere twee groepen onderwerpen en ze als tweederangsburgers behandelen. De vraag of we kunnen spreken van drie etnieën, is dus voor discussie vatbaar. Gedeelde taal, religie, grondgebied, cultuur en gebruiken zijn allemaal kenmerken van één volk. Zeker, de afstamming speelde een rol en de patrilineaire afstamming bepaalde ook in de vóór-koloniale periode de etnie, hoewel je als Hutu bij uitzondering, na bijzondere onderscheiding in een raid of veldslag, de status van Tutsi kon verwerven en eventueel de controle krijgen over een grondgebied. Zoals steeds is etnie, zoals identiteit, een sociaal geconstrueerde realiteit die ten allen tijde kan worden gemobiliseerd en misbruikt voor politieke doeleinden, en het is onmiskenbaar dat het ‘etnische’ onderscheid meestal is gebruikt ter onderwerping, uitsluiting en uitbuiting, terwijl het onder de Hutu-republieken als instrument voor de discriminatie van een minderheidsgroep is aangewend.
‘Modern Rwanda’ begint, op basis van schaarse betrouwbare bronnen over de pre-koloniale periode, en na enkele korte verwijzingen naar de zeventiende eeuw, in de helft van de negentiende eeuw met de beschrijving van één van de verschillende koninkrijkjes in Rwanda: het Nyiginya koninkrijk. Dit koninkrijk, dat de kern vormt van het latere territoriaal grotere Rwanda, begint zich vanaf einde van de achttiende eeuw te onderscheiden van de andere omringende koninkrijken. Gedomineerd door een elite van Tutsi-geslachten, kenmerkt het zich door een opgedreven militarisering en centralisatie. ‘De militaire machine bestond uit zo’n dertig eenheden, samen zo’n 12000 krijgers.’ Hoewel staatsvorming overal in die territoria gepaard ging met geweld, was een permanent leger uniek in Sub Sahara Afrika. Dit liet toe de omliggende territoria te onderwerpen en raids uit te voeren tot ver buiten het eigen territorium, zelfs tot in Burundi naar het zuiden en Butembo in het noordoosten van het huidige DRCongo. Deze drang van (meestal tijdelijke) annexatie, raids en strafexpedities werd ondersteund door een verheerlijking van de krijgskunst en een cultuur gebaseerd op eer. Intore-krijgers waren dan ook de steunpilaar van de Nyiginya-dynastie. Onder mwami Rwabugiri, in de tweede helft van de negentiende eeuw, kenden de militarisering, oorlogsvoering en geweld, een hoogtepunt. In zijn twintig jarig beleid ‘richtte hij acht nieuwe legereenheden op, begon dertien militaire campagnes…wat betekende dat het land onder zijn beleid twee op de drie jaar in oorlog was en daarbij zijn de talrijke raids niet inbegrepen’. (blz. 14-17)
Dit externe geweld en expansiedrang brengen ons tot een ander soort mythe die nu is geïnstrumentaliseerd door het huidige regime: dat van het ‘Grote Rwanda’ dat verwijst naar het glorieuze vóór-koloniale verleden van het Nyiginya-koninkrijk. Steeds als Rwanda nu militair intervenieert in het buitenland worden kaarten getoond van Rwanda dat buiten zijn huidige landsgrenzen reikte en wordt verwezen naar de talrijke raids en oorlogjes die het Nyiginya koninkrijk uitvoerde, maar die nooit leidden tot een effectieve uitbreiding van het territorium. Met andere woorden: het is het kunstmatige vastleggen van de grenzen door de kolonisator dat aan de basis zou liggen van de ‘grensconflicten’. Reyntjens maakt brandhout van deze hypothese en illustreert dit met een kaart (hieronder), want zelfs het territorium van het huidige Rwanda was een lappendeken van vazalstaatjes en echt volledige autonome gebieden buiten controle en heerschappij van het Nyiginya-koninkrijk.

Bron: F. Reyntjens, blz.46
Het geweld had ook een interne component, niet tussen verschillende etnieën en/of sociale klassen maar tussen facties van de heersende elite, naar aanleiding van betwiste troonopvolgingen, machtsovernames of toekennen van controle over territoria. Het systeem van onderschikking en/of onderwerping van de grote meerderheid van de bevolking (Hutu) is bekend als Ubuhake. Het vee, symbool van rijkdom en eigendom van de heersende elite, werd uitgeleend aan de overwegend sedentaire landbouwbevolking (Hutu) die er het vruchtgebruik van kreeg. Pas toen in de loop van de negentiende eeuw de Hutubevolking ook verplichte arbeid moest leveren en een deel van de oogst afstaan aan de elite (Uburetwa) werd het gevoel van uitbuiting en ressentiment sterker. De sociale spanningen waren dus eerder het gevolg van een soort feodale klassensamenleving dan van etnische tegenstellingen. Het is niet verwonderlijk dat het huidige regime opnieuw refereert naar dit ‘glorieuze’ verleden en de cultuur van krijgers, militarisme en gebiedsuitbreiding. Ook het benadrukken dat etnische conflicten niet het breekpunt waren, is nu de nieuwe officiële retoriek. Er zijn, zo heet het, geen Tutsi’s, Hutu’s of Twa. Er zijn enkel Rwandezen die eenzelfde taal en grondgebied delen en die allen samen de gevolgen van kolonisatie dragen. Dit is de ideologische rechtvaardiging om effectiever de centralisatie van macht en privilegies te verdoezelen waar opnieuw een Tutsi elite de centrale machtscentra controleert.
De koloniale periode: het geweer verandert van schouder
De kolonisatie – door Duitsland van 1906 tot 1916, en door België als mandaatgebied van 1916 tot 1962 – betekende in tweeërlei opzicht zeker een breuk met het verleden. Vreemde mogendheden, die de nieuwe wereldorde domineren, nemen de macht over en ‘pacifiëren’ de regio door het onderwerpen van vroeger autonome koninkrijkjes aan éénzelfde gecentraliseerd en repressief bestuur. Daarbij gebruikt en aanvaardt het voor lokale aangelegenheden de bestaande gebruiken en machtsverhoudingen van het vroegere koninkrijk, met onder andere erkenning van de mwami – het Rwandese woord voor koning met absolute macht – en benoeming van Tutsi notabelen in de nieuw onderworpen gebieden. De uitrol van dit systeem van indirect rule over een territorium dat ook de vazalstaatjes en de autonome gebieden buiten het Nyiginya koninkrijk omvat had een dubbel versterkend effect op de etnische tegenstelling. In prekoloniaal Rwanda vochten Tutsi, Hutu en Twa samen tegen Tutsi en Hutu van een opstandige vazalstaat of voerden samen strafexpedities en raids uit. Het ander versterkend effect van een ééngemaakt territorium onder Belgische voogdij stootte vooral in de noordwestelijke autonome gebieden, waar Hutu heersers aan de macht waren (Bushiru, Bugoyi, Mulera – zie kaart) op veel verzet dat gewelddadig door de koloniale overheid werd neergeslagen. Het vervolgens benoemen van Tutsi notabelen aan het hoofd van die gebieden versterkte de etnische tegenstelling. Die zal zelfs later onder de tweede Huturepubliek nog doorspelen in de radicalisering van de Rwandese samenleving tegen de Tutsi-rebellen die de burgeroorlog starten in 1990.
Een andere factor van etnische verstarring was de koloniale ideologie van de ‘hamitische’ hypothese, waarbij de superioriteit van het nilotische ras (waartoe de Tutsi zouden behoren) gold. Immers, de rassentypologie die in Duitsland maar zeker ook in de andere koloniserende landen opgang maakte, was dat Afrikaanse volkeren, vooral afkomstig uit Noord en Oost-Afrika met meer Europese gelaat en lichaamskenmerken (neus, lippen, gestalte, lichtere kleur…) ook een hoger niveau van beschaving en intelligentie kenden. Deze ideologie verzekerde de bestaande elite, onder voorwaarde van erkenning van het gezag van de kolonisator, van verschillende privileges zoals voorrang bij de toegang tot middelbaar en hoger onderwijs, openbare posten bij de nieuwe overheid, beurzen in het buitenland…. Pas in de jaren vijftig van de vorige eeuw zal de naoorlogse wind van democratie en sociale vooruitgang in het Westen en de koloniserende landen het tij in Rwanda doen keren en leiden tot meer kansen en opleiding voor de Hutu bevolking. De grotere bewustwording van onderschikking van de Hutu zal leiden tot de revolutie van 1959 en na verkiezingen tot onafhankelijkheid in 1962 waarbij de eerste Huturepubliek wordt geïnstalleerd. Een systeem van quota zal de toegang tot openbare dienst, middelbaar en hoger onderwijs voor Tutsi beperken in functie van hun aandeel in de totale bevolking. Deze discriminatie zal mede oorzaak zijn van ressentiment onder de Tutsibevolking.
De twee Hutu-Republieken (1962-1994), de burgeroorlog (1990-1994), genocide en militaire overwinning van het Front Patriotique du Rwanda( FPR)
De breuk met het verleden is ongezien. Voor het eerst sinds het ontstaan van Rwanda, eeuwen terug, wordt de ‘natuurlijke orde’ omvergeworpen van een Tutsi-elite die het land regeerde. Nochtans knoopt de nieuwe staatsorde snel met de traditie en het verleden aan, wat de autoritaire centralisatie van de macht betreft. Die continuïteit, een uitzondering in Afrika, van een top-down georganiseerde en alomtegenwoordige staat, wordt verdergezet onder de eerste en tweede Hutu-republiek (1962-1994), waar de nieuwe elite uit rurale middens een effectieve staat uitbouwt.
Vanuit het oogpunt van de politieke geschiedenis, wijst de auteur terecht op die continuïteit. Er is voortzetting van een gecentraliseerde staat in de vorm van een éénpartijstaat, de politieke dominante vorm in die tijd in gans Afrika. De top-downorganisatie in ‘het land van de duizend heuvels’, was inderdaad een sterkte en brengt onderwijs, gezondheidszorgen en ondersteuning van kleinschalige landbouwprojecten tot op de laatste heuvel. In tegenstelling tot wat het huidige regime beweert over de periode van de Hutu-republieken was Rwanda wel degelijk een performante ontwikkelingsstaat, en gold het als het paradepaardje van de Belgische ontwikkelingssamenwerking. Voor wie de grens tussen Zaïre/Congo naar Rwanda overstak was dit een bijzondere ervaring, ondanks dat dit hetzelfde geografische en klimatologisch gebied was. Men stapte van het chaotische kluwen van verkopers, reizigers, douanebeambten, militairen… in een land waar alles ordelijk en duidelijk verliep. Waar voor de gemiddelde Zaïrees het adagio ’débrouillez-vous’ gold, was de gemiddelde Rwandees omkaderd en ingedeeld met als laatste administratieve eenheid de heuvel die op zijn beurt verschillende ‘cellules’ kende. Ordewoorden van de overheid werden vooral via de radio in geen tijd doorgegeven, zo wist de afgestudeerde onderwijzer of agronoom, onmiddellijk welke werkplaats hem was toegewezen…. Er was echter ook een keerzijde van de medaille. De strakke omkadering van de bevolking en de ordewoorden die doordringen tot op de laatste heuvel via de officiële zender van de overheid gaan ook een belangrijke rol spelen in de periode van burgeroorlog en genocide (1990-1994).
In oktober 1990 valt vanuit Uganda, een rebellenleger (Front Patriotique du Rwanda – FPR), bestaande uit vooral Tutsi die belangrijke functies en toegang tot wapens hadden in het Ugandese leger, Rwanda binnen. Die invasie en oorlogsmisdaden, die later door het Internationaal strafhof voor Rwanda zijn gedocumenteerd maar nooit officieel vrijgegeven, leiden tot de ontheemding van honderdduizenden boeren en hun families. De meesten van hen zullen in vluchtelingenkampen terechtkomen op enkele tientallen kilometers van de hoofdstad. Die boeren die van hun land zijn verdreven en familie in het oorlogsgeweld hebben verloren, en jaren afhankelijk zijn geworden van voedselhulp, zullen een belangrijke factor zijn in de radicalisering tegen al wat gezien wordt als de oorsprong van hun leed: de Tutsirebellen en de inlandse Tutsibevolking die ze verdenken van medeplichtigheid. Na een aanvankelijk bevriezen van de frontlinie zal er in 1993 onder bemiddeling van het buitenland, het Arusha-vredesakkoord worden ondertekend tussen de legitieme regering en het FPR, ondersteund door een VN troepenmacht van blauwhelmen. Het akkoord voorziet in een machtsdeling in het leger, vrije verkiezingen… De radicalisering en wantrouwen kennen echter een hoogtepunt toen in het buurland Burundi in 1993, na de eerste vrije verkiezing sinds de onafhankelijkheid, de eerste Hutu-president Ndadaye, wordt vermoord. Met de verhalen van tienduizenden Burundese vluchtelingen die Rwanda binnenkomen stijgt de twijfel in de kracht van vrije verkiezingen en het woord van Tutsi-elites.
Wanneer op 6 april 1994 het vliegtuig van de zittende president, J. Habiyarimana, wordt neergehaald, is het hek van de dam. Deze aanslag – die nooit is opgehelderd, terwijl internationale juridische pogingen om het onderzoek ten gronde te doen steeds zijn tegengewerkt door de huidige regering – zal de vonk zijn die zal leiden tot de genocide op de Tutsi van het binnenland en de bijhorende oorlogsmisdaden door het FPR. De wereld was met verstomming geslagen toen ze de beelden zag. Enkele maanden later had het FPR het hele land veroverd en kwam als overwinnaar uit en riep ze zich internationaal uit tot degenen die de genocide hebben kunnen doen stoppen. Vrije verkiezingen en deling van de macht die ze hadden goedgekeurd in het Arusha-vredesakkoord zijn opzij geschoven.
Hoe was zoiets mogelijk, dat de dag nadat de president was vermoord een land plots zo massaal aan het moorden kon slaan? Het is hier dat de keerzijde van een sterk omkaderd en georganiseerd land, dat in geen tijd door een geradicaliseerde elite op ordewoorden reageert, zijn gewelddadig janusgezicht toont. Gewoonlijk is een genocide een geplande en welbewuste organisatie die een bevolkingsgroep gedeeltelijk of geheel vernietigt. Er zijn geen bewijzen van een op voorhand geplande organisatie van de genocide. Het welbewust oproepen door de geradicaliseerde vleugel van de overheid tot het doden van de vijand en zijn handlangers, de Tutsi van het binnenland, was er wel degelijk. De vonk van de genocide mag dan de nooit opgehelderde moord op de president zijn, maar de militaire zwakte van het regime tegenover de sterkte van de rebellen die de burgeroorlog startten in 1990, samen met de niet opgeloste etnische tegenstellingen, liggen aan de basis ervan.
De ‘natuurlijke’ orde hersteld: het Kagame tijdperk (1994-…)
De militaire overwinning van de FPR rebellen onder leiding van Paul Kagame is de (voorlopig) laatste breuk in de politieke geschiedenis van Rwanda. Het is in woord en daad opnieuw aanknopen bij de voor-koloniale orde. Niet de tegenstelling tussen de verschillende etnieën maar de éénheid van Rwanda en zijn bevolking staat voorop. In de woorden van de nieuwe president – die al dertig jaar met ijzeren hand regeert, zij het in de vorm van een schijndemocratie waarin hij steevast opnieuw wordt verkozen met stalinistische scores – zijn er geen Tutsi, Hutu en Twa maar alleen Rwandezen met dezelfde taal en cultuur die hetzelfde territorium delen. De etnische tegenstelling is het werk van de kolonisator en het vorige regime. Door de etnische kaart te trekken, legden zij, steeds volgens president Kagame, de basis van het buitensporige interne geweld. Dat hij daarbij het doembeeld van de genocide instrumentaliseert en zich uitroept tot degene die er een einde aan heeft gemaakt en garant staat voor een orde zonder etnisch geweld, geeft hem internationaal een bijna onaantastbaar imago. Dit internationale ‘genocide krediet’ van het Kagame regime is wat vreemd, het is alsof een pyromaan vermomd is als brandweerman en zijn eigen aangestoken branden blust met applaus op alle banken.
Kagame is de burgeroorlog begonnen in 1990 (wat de radicale vleugel van het oude regime niet ontslaat als hoofddader van de genocide). Vervolgens ontkent hij de betrokkenheid van het Rwandese leger in 1997, 2012, 2025… die de regio van de Grote meren in Afrika voor jaren destabiliseert en de eerste internationale Afrikaanse oorlog[2] ontketende. Iedereen die zijn alternatieve waarheden in twijfel trekt wordt meedogenloos vervolgd, tot in het buitenland toe. Toen Carla Del Ponte, de gerespecteerde hoofdaanklager van het internationaal Rwandatribunaal, geheel in de lijn van haar mandaat in 2002niet enkel vermeende daders van de genocide aanklaagde maar ook leden van het rebellenleger, kwam de nieuwe Rwandese regering tussen, eiste en verkreeg de afzetting van Del Ponte. Ze werd vervangen door de veel meegaander Hassan Bubacar Jallow, die tot het einde van het Rwandatribunaal geen enkele oorlogsmisdaad van het FPR bestrafte (blz. 162). Daarmee was de straffeloosheid van de nieuwe machthebbers bevestigd en ook het imago officieel bestendigd dat enkel de anderen rassenmoord pleegde. Hun later massale slachtingen van (Hutu)vluchtelingen (1996-1997) zijn steeds ontkend en iedere officiële juridische veroordeling in de kiem gesmoord.
Het ‘genocidekrediet’ combineert het huidige regime met een sterk georkestreerd imago van onkreukbaarheid en perfect top down-bestuur dat Rwanda internationaal op de kaart zet als model ontwikkelingsland. Het regime voelt perfect wat het in de internationale vitrine moet zetten: een land waar men zich veilig voelt, waar orde en netheid onberispelijk zijn, het internet, waterleiding en elektriciteit functioneren, waar plastic uitgebannen is en de helft van de vertegenwoordigers in een (nep-)parlement vrouwen zijn; als men dan afkomt met de kritiek dat buiten de asfaltwegen het platteland nog steeds in armoede leeft, presenteert het curves met dalende (soms aangepaste) armoedecijfers. Dit alles vertaalt zich in record gemiddelde groeicijfers van de welvaart in het land. Kortom, een verademing in het probleemcontinent bij uitstek. Het autoritarisme, schendingen van mensenrechten en de oorlogsmisdaden in de regionaal aangestoken brandhaarden, worden internationaal schroomvallig door de vingers gezien .
Kanttekeningen
De auteur van het boek is dikwijls verweten een luis in de pels te zijn van de huidige machthebbers, en daardoor, ten onrechte, weggezet als vooringenomen. Deze publicatie in een prestigieuze reeks die sterk de wetenschappelijkheid van zijn publicaties bewaakt, getuigt van het tegendeel. Voor degenen die zijn werk hebben gevolgd over de jaren, weten dat hij het fnuiken van de politieke vrijheden en de structurele discriminatie van het vorig regime even sterk aanklaagde. Reyntjens verspilt niet te veel tijd aan theoretische beschouwingen over politieke theorie. Wat is dan zijn leidraad of methode die hem onderscheidt van de honderden werken die zijn verschenen over die tragische geschiedenis van Rwanda? Hoe slaagt hij erin om zich op te werpen als scherpe en onpartijdige observator? Hij weidt daar niet over uit, maar ik denk dat hij twee principes heeft die hem onderscheiden van de meeste andere publicaties en waarom hij het oor heeft van zowel vóór- als tegenstanders in heel het gepolariseerde debat over Rwanda. Vooreerst moeten de feiten voor zich spreken en daarom bewaakt hij streng de kwaliteit van zijn bronnen. Het tweede principe is dat hij ieder politiek regime toetst aan de kwaliteit van en respect voor het verdrag van de mensenrechten. Inbreuken van discriminatie en geweld of andere schendingen van die rechten worden voor ieder regime in rekening gebracht met oog voor de complexiteit van de gebeurtenissen. ‘In der Beschränkung zeigt sich der Meister’, en de beperking tot de politieke analyse op de lange termijn is de kracht van dit boek. Het is tegelijk, op sommige punten, zijn zwakte.
De beperking illustreer ik aan de hand van twee periodes. De eerste, de tijd van de Huturepublieken en de tweede, die van de huidige periode onder het bewind van Paul Kagame.
Het Rwanda uit de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw heb ik zelf, als ‘pélerin de la saison sèche’ goed gekend. Ik vermeld dit omdat ik het rooskleurige beeld dat ik toen van het land had, inmiddels flink heb bijgesteld. In 1986 schreef ik nog, na vele verblijven meestal in rurale middens, met een zeker enthousiasme, dat Rwanda een modelontwikkelingsland was. Het was het land met de laagste militaire uitgaven per hoofd ter wereld. In de plaats daarvan opteerde het voor grote investeringen in onderwijs en gezondheidszorg. Hoe mooi was dat. De inkomensongelijkheid was één van de laagste ter wereld. Het gemiddeld inkomen en welvaart verdubbelden in die periode, terwijl dat in het grondstoffenrijke maar corrupte Zaïre met de helft daalde. Mijn waardering voor dit land in ontwikkeling kon niet op.[3] Helaas moet ik bekennen dat mijn pacifistisch ontwikkelingsenthousiasme naïef is gebleken.
Toch is het hier dat ik afwijk van de auteur van Modern Rwanda. Deze breuk met het verleden vanuit sociaaleconomisch standpunt was geen kleine verandering en er is veel meer socio-economisch bronnenmateriaal over die periode dan de auteur aangeeft (blz .6). Voor Reyntjens is de continuïteit van die periode vanuit zijn toetsstenen – het gewelddadig karakter vooral op het einde van die periode dat uitmondt in genocide, discriminatie en schending van mensenrechten – groter dan de breuk. Het is kenmerkend dat hij de revolte van de Hutu in 1959 bewust geen ‘sociale’ revolutie noemt. Die revolte slaagde er in om de eeuwenlange sociale discriminatie van de meerderheid om te smeden tot een regime dat de toegang van de meerderheid en hun verbetering van de levensstandaard waarborgde. De discriminatie van de minderheid maar vooral het geweld van de genocide zijn voldoende bewijs voor de auteur om de continuïteit van de inherente gewelddadigheid in de politieke geschiedenis van Rwanda te poneren. Ik zou geneigd zijn om voor die periode, de breuk in de geschiedenis van Rwanda groter gewicht te geven dan de continuïteit. Daarvoor steun ik me op twee argumenten c.q. feiten.
Het militaire karakter van de staat, eigen aan de pre-koloniale periode en het actuele regime, komt beduidend op de achtergrond. De Hutu-republieken steunen daarvoor op goed nabuurschap met de omliggende landen, en zijn in geen enkel extern militair conflict betrokken en rekenen daarvoor op de akkoorden van militaire bijstand van Zaïre, België en Frankrijk. Met een legertje van amper 4000 manschappen kon het zich tot 1990 immers nauwelijks een militair avontuur veroorloven. Het huidig regime heeft het leger vertwaalfvoudigd en destabiliseert de bredere regio van de Grote Meren met militaire interventies, zoals we in het eerste deel van dit artikel zagen. Blijft echter het genocidaal geweld waar de Hutu-republieken in uitgemond zijn. De vraag daar is welke de rol is geweest van het FPR in de totstandkoming van dit geweld? Zij zijn de burgeroorlog gestart en hebben het land gedestabiliseerd. Wie heeft het vliegtuig van de Hutu-president, directe aanleiding tot de genocide, neergehaald? Het antwoord op die vragen zou de discussie over de complexiteit van het geweld en gedeelde verantwoordelijkheid beslechten.
Tot slot
Als men tegelijk een analyse zou schetsen van de lange periode van de sociaaleconomische ontwikkeling van Rwanda, dan zou de conclusie niet zijn dat de continuïteit belangrijker is dan de veranderingen die het land heeft ondergaan. Toen ikzelf in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw veldonderzoek deed in Rwanda, was meer dan negentig procent van de bevolking nog werkzaam in de landbouwsector en twee-derde van wat de mensen voor hun levensonderhoud nodig hadden, hadden ze zelf geproduceerd. Slechts voor een-derde deden ze een beroep op de geldeconomie, verkochten dat deel van de landopbrengst en kochten op de markt wat ze zelf niet konden maken of besteedden ze aan vervoer, onderwijs en gezondheidszorg. Kigali was toen een hoofdstad waar nauwelijks enkele verkeerslichten stonden.
De sociaaleconomische transformatie waar K. Polanyi naar verwees, of als je wil, de penetratie van kapitalistische productieverhoudingen, waar mensen veralgemeend afhankelijk worden van geld en gesalarieerde arbeid en de verstedelijking toeneemt, is de laatste drie decennia indrukwekkend veranderd. De diversificatie van de economie weg van de landbouw met grote verstedelijking en ontwikkeling van communicatie, constructie, toegang tot elektriciteit en water, toerisme… gaat snel. Met een gemiddelde aangehouden groei van de nationale productie van acht procent jaarlijks is de welvaart verachtvoudigd en het inkomen per hoofd toegenomen met een factor vijf. Hoewel de armoede is afgenomen zit de helft van de bevolking nog onder de armoedegrens en zoals dat gaat met succesvol kapitalisme, in de eerste stadia van transformatie, is ook de ongelijkheid toegenomen. Rwanda wordt sociaaleconomisch omschreven als een zeldzaam succesverhaal in Afrika. Als je dus een relaas zou moeten schrijven van de transformatie van de gehele samenleving in Rwanda komt de vergelijking met de ontwikkeling van Zuid-Korea onder generaal Park in beeld: dictatuur met grondige transformatie van de samenleving. Zoals we weten zijn na de bloedige opstand tegen dit regime de verworvenheden van de transformatie omgezet in een voorlopig duurzame democratie. Maar alle vergelijkingen lopen mank, zoals men wel weet.
[1] F. Reyntjens, Modern Rwanda: A Political History, Cambridge University Press, Cambridge etc., 2025, 213 blz..
[2] F. Reyntjens, La Guerre des Grands Lacs, L’Harmattan, Paris, 1999.
[3] S.Marysse, ‘Income distribution and political economy of Rwanda’, in: Emerging Development Patterns, European Association of Development Research and Training Institutes, Budapest 1983, blz. 197-232.