In 2008 schreef de Vlaamse filosoof Louis Dupré (1925-2022), die gedurende decennia als godsdienst- en cultuurfilosoof aan Yale University doceerde, het essay Religion and the Rise of Modern Culture. Dit essay was de neerslag van de Erasmus Lectures die hij in het academiejaar 2005-2006 had gegeven aan de University of Notre Dame. Daarin onderscheidde Dupré drie stadia in de moderne Westerse cultuur: allereerst was er de periode van het humanisme en de renaissance (vijftiende en zestiende eeuw), die hij al in 1993 uitvoerig had geanalyseerd in zijn eerste grote cultuurfilosofische studie, Passage to Modernity. An Essay in the Hermeneutics of Nature and Culture. Vervolgens ging hij in op de Verlichting (tussen 1648 en 1789), die hij in 2004 gedetailleerd had beschreven in zijn tweede studie, The Enlightenment and the Intellectual Foundations of Modern Culture. Over de derde periode, na de Franse revolutie, had Dupré in 2008 nog een derde cultuurfilosofische studie in het vooruitzicht gesteld. Die zou pas vijf jaar later, in 2013, verschijnen onder de titel The Quest of the Absolute. Birth and Decline of European Romanticism.
Voor mij ligt nu de accurate vertaling van dit essay door Maria Ter Steeg, mede tot stand gekomen door de inzet van Herman De Dijn, Patrick Lateur en Steven Spileers. De vier eerste hoofdstukken vormen een heldere samenvatting van de ideeën die Dupré eerder had uitgewerkt in zijn twee grote cultuurfilosofische studies. In het eerste (‘Het vormbeginsel in de Moderniteit’) en tweede hoofdstuk (‘Natuur en Genade’) schetst hij de geleidelijke implosie van de middeleeuwse synthese. Twee centrale componenten van deze synthese kwamen door het nominalisme onder druk te staan: het realiteitsgehalte van de universalia en, hand in hand daarmee, het evenwicht tussen genade en natuur, tussen menselijke inspanningen en goddelijke wilsbeschikking. In het derde (‘De crisis van de Verlichting’) en vierde hoofdstuk (‘Over de intellectuele bronnen van het atheïsme’) beschrijft Dupré hoe, tegen de achtergrond van deze evolutie, het subject geleidelijk een centrale rol krijgt toebedeeld en het atheïsme – in de moderne betekenis van een restloze afwijzing van transcendentie – kan opkomen.
Hoofdstukken 5, 6 en 7 kunnen we vandaag lezen als voorstudies van het derde cultuurfilosofische werk. Na de Franse revolutie is de religie weliswaar niet langer dominant, maar keert ze, getransformeerd door de moderne evoluties, terug en is vooral in de Duitse cultuur opnieuw prominent aanwezig. Dupré gaat na hoe deze ‘getransformeerde’ religie zich in de negentiende eeuw op drie terreinen manifesteert. Dat gebeurt in de romantische poëzie van Goethe, Schiller en Hölderlin (‘God en de poëzie van de Nieuwe Tijd’), in de idealistische filosofie van Schelling (‘Schelling en de heropbloei van de mythologie’) en in de theologie van de vroege romanticus Schleiermacher en de late romanticus Kierkegaard (‘De hergeboorte van de theologie’).
In een korte conclusie wijst Dupré op de impact van de moderniteit op de hedendaagse beleving van religie en secularisering. Hij houdt daarin een pleidooi voor het herdenken van de relatie tussen genade en natuur – waarbij hij zich laat inspireren door theologen als Henri de Lubac en Hans Urs von Balthasar – en voor de herontdekking van een symbolische religieuze taal die haar ontologische dimensie moet terugvinden. Symbolische taal staat niet los van de werkelijkheid, maar is de articulatie van de – vaak verborgen – diepte ervan. De vraag is echter of de hedendaagse Westerling, gepokt en gemazeld door de nominalistische omslag, daartoe nog in staat is. Of in de afsluitende woorden van Dupré zelf: ‘Het allermeest nodig is een houding waarin transcendentie opnieuw kan worden herkend’ (blz. 183).
Dit boek is een kleinood. Enerzijds is het een voorbeeldig heldere en tegelijk genuanceerde weergave in kort bestek van de complexe rol die de religie heeft gespeeld in het ontstaan van de moderne cultuur, anderzijds is het een wegwijzer om zijn meer gedetailleerde uiteenzettingen in zijn drie grote werken over dit thema opnieuw ter hand te nemen. Tegelijk heeft dit essay allerminst ingeboet aan actualiteitswaarde. Indien het waar is dat de aandacht voor het christendom groeit bij millennials en de Gen Z, is het vandaag zaak te kijken hoe de erfenis ervan wordt gebruikt of misbruikt.
Zeker in de Verenigde Staten, het tweede vaderland van Dupré, maar ook voor Europeanen die op zoek gaan naar de betekenis en rol van religie is die vraag momenteel hoogst urgent. Dupré was ongetwijfeld één van de meest erudiete en gedreven godsdienstfilosofen van de twintigste eeuw. Met hem als gids, kan iedereen – ook de jongere generaties – die op zoek is naar zinvolheid en betekenis via dit essay de noodzakelijke achtergrond en inzicht krijgen in de vraag hoe religie in een geseculariseerde wereld nog steeds een weg kan zijn naar rechtvaardigheid, vrede en verzoening.
Louis Dupré, Religie en het ontstaan van de moderne tijd, vertaald door Maria ter Steeg, Otheo Books, Antwerpen, 2025, paperback, 204 blz., ISBN 9 789085 281153, € 24,99