Benjamin Breek en de Nederlandse neokantianen
Over de internationale receptie van de filosofie van Heinrich Barth (1890-1965) is tot op heden weinig bekend. Op het eerste gezicht leek zijn werk nauwelijks weerklank te vinden buiten het Duitse taalgebied. Sinds de Nederlandse filosoof Coban Menkveld een opmerkelijke, oorspronkelijk Nederlandstalige dissertatie uit 1953, Critische existentiephilosophie en christelijk geloof, over Heinrich Barth toegankelijk heeft gemaakt voor een Duitstalig publiek, verdient dat beeld echter bijstelling.
De auteur van deze dissertatie, Benjamin Breek (1913-1977), probeerde het denken van Barth te beschrijven vanuit het Nederlandse filosofische leven – dat destijds, zeker binnen protestantse kringen, sterk theologisch getoonzet was (men denke aan de invloed van K.H. Miskotte). Daardoor krijgen verrassende en eigenzinnige accenten in het denken van Barth een nieuw en onverwacht reliëf. Menkveld heeft met zijn vertaling dan ook een belangrijk initiatief genomen: hij opent de voornamelijk Duitstalige discussie over Barth voor een vergeten Nederlandse lezing van diens werk.
Belangrijk is dat deze vertaling wordt begeleid door deskundige en verhelderende commentaren, zowel in de voetnoten als in het inleidende essay van Menkveld zelf.
De receptiegeschiedenis van Heinrich Barth in de Nederlandstalige wereld vormt misschien een van de kleinste voetnoten in de lange geschiedenis van de filosofie – maar juist dat maakt haar intrigerend. Menkveld toont hoe in het kleine het grote kan oplichten: hoe een bescheiden studie onverwacht de centrale vragen en spanningen van de twintigste-eeuwse filosofie weerspiegelt. Zijn scherpzinnige oog voor wat er in de marges gebeurt, maakt van hem een filosoof die niet de omvang van de geschiedenis zoekt, maar de intensiteit van het detail.
Diezelfde gevoeligheid verklaart ook zijn initiatief om de lang vergeten dissertatie van Breek uit stoffige archieven te halen en in het Duits te vertalen. In zijn inleiding situeert Menkveld diens analyse van Barth niet enkel in een historisch, maar ook in een systematisch kader. Breek ziet in Barth namelijk een denker die probeert te laveren tussen twee tendensen: enerzijds het subjectivisme van het (neo-)kantianisme uit de negentiende eeuw, anderzijds de twintigste-eeuwse heroriëntatie op objectiviteit, verwoord in begrippen als ervaring en praxis.
Voor Breek ligt precies in de onbemiddelde spanning tussen deze twee tendensen de inzet van de filosofie van Barth. Barth biedt, zo meent hij, een antwoord zonder te vervallen in de eenzijdigheid die het denken van Heidegger kenmerkt. Als religieus geïnspireerd denker toont Breek een bijzondere gevoeligheid voor het probleem van de praxis – en daarmee voor de verhouding tussen theorie en praktijk –, een thema dat niet alleen de eerste helft van de twintigste eeuw, maar ook onze tijd blijft uitdagen.
Tussen de regels door verschijnt Breek als een denker die zich aangetrokken voelt tot de ‘terugkeer naar de werkelijkheid’ die in het katholieke denken van de twintigste eeuw centraal stond. Toch is de Barth die hij leest geen restauratieve denker, zoals men in neothomistische kringen vaak aantreft. Hoe kan men een praxis denken die door een idee wordt geleid, en toch een eigen dynamiek behoudt? Hoe kan een op praxis gerichte existentiefilosofie zich verbinden met de systematische strengheid van het neokantianisme?
De strategie van Breek om deze vragen te doordenken maakt zijn these bijzonder boeiend. Hij denkt met en vanuit Kant, om van daaruit het probleem van de praxis te bereiken. Uiteindelijk draait het om de toepassing van de categorische imperatief, waarin volgens Breek een ‘leemte’ blijft bestaan. Deze lezing van Kant sluit aan bij de neokantiaanse ontwikkeling en opent de deur naar denkers als Hartmann, Cohen en Görland – de laatste overigens met een opmerkelijke invloed op de Nederlandse filosofie.
Daarnaast besteedt Breek aandacht aan denkers als Goedewaagen en Ovink, vertegenwoordigers van een intellectuele traditie die buiten Nederland vrijwel onbekend bleef. Vooral in het hoofdstuk over de verhouding tussen theologie en filosofie komt de methode van Breek tot volle bloei. Hier wordt de invloed van Görland op zijn denken bijzonder zichtbaar. In een lange passage verbindt hij Görlands filosofie met de religie-filosofie van Cohen en diens leerling Cassirer. Zo wordt de verhouding tussen denken en zijn op scherp gesteld, en ontvouwt zich Barths idee van de eenheid van denken en handelen.
Op dat punt wijst Breek ook op de betekenis van het existentiële denken van Kierkegaard – een aspect dat, in zijn lezing, Barth verbindt met een katholiek filosoof als Alois Dempf, een tijdgenoot die in het proefschrift van Breek echter ongenoemd blijft. Barth probeert ook in het ethische domein de autonomie van het geloof te denken, zonder te vervallen in de valkuil van een ‘dubbele waarheid’. Breek benadrukt dat Barth filosoof blijft, maar wel de reflectie op de zin van de theologie insluit.
Het vermijden van laatmoderne dualismen vormt voor Breek een sleutel om Barth te begrijpen. Barth is, volgens hem, zowel christen als filosoof, maar hij gelooft niet in een ‘christelijke filosofie’. Wat hem bezighoudt, is een filosofie van de praxis. Beïnvloed door Kant en Kierkegaard wil Barth de overheersing van de theoretische rede doorbreken en de praxis zelf leren denken – en dat is, aldus Breek, de ware kracht van zijn filosofie.
Toch blijft zijn oordeel niet kritiekloos: Barth is volgens Breek uiteindelijk niet veel verder gekomen dan zijn historische studies. Maar die beperking is geen zwakte, veeleer een teken van zijn trouw aan het probleem van de praxis. Juist daarin ligt de uitnodiging om Barth te lezen als een denker waarin het neokantiaanse project van de Marburgse school in gesprek komt met de existentiële filosofie van Kierkegaard.
De dissertatie van Breek is dan ook meer dan een historische studie: zij getuigt van een eigen zoektocht naar de verhouding tussen theorie en praktijk, en van een levend gesprek met Barth. Zo opent dit boek een nieuwe horizon, die ook de Barth-discussie van vandaag kan verrijken.
Hoewel er in Breeks benadering duidelijke resonanties met het katholieke denken te vinden zijn, lijkt hij prominente figuren als Maurice Blondel of de genoemde Alois Dempf niet in zijn blikveld te hebben gehad – wellicht iets voor een latere fase in zijn werk. Maar ook dat onvoltooide maakt de lectuur van dit boek tot een boeiende reis.
Dankzij de inleiding van Menkveld en zijn verhelderende voetnoten biedt deze uitgave een vruchtbare bodem om beter te begrijpen wat er in de twintigste eeuw op het spel stond in de verhouding tussen filosofie en religie.
Het is duidelijk dat de studie van Heinrich Barth, dankzij deze publicatie, opnieuw kan aanzetten tot reflectie over de verhouding tussen theorie en praxis.
Inigo Bocken is hoogleraar mystieke theologie aan de KU Leuven, en universitair hoofddocent religie- en cultuurtheorie aan de Radboud Universiteit Nijmegen.
Benjamin Breek, Kritische Existenzphilosophie und christlicher Glaube. Eine Studie über die ethischen und theologisch-philosophischen Schriften von Heinrich Barth, Eingeleitet, aus dem Niederländischen übersetzt und mit Kommentaren herausgegeben von Coban Menkveld, Regensburg: Roderer Verlag, Reihe Philosophie Interdisziplinär 57, 2025, paperback, 224 blz., ISBN 9783689100643, € 35,95