September 2012

Toon Van Houdt

Iedereen Latijn


Latijn voor iedereen? Het lijkt een vreemde, utopische gedachte. Wishful thinking van een classicus die zijn vak door snode hervormingsplannen bedreigd ziet en dan maar de vlucht vooruit neemt. En toch. Buitenlandse voorbeelden bewijzen dat Latijn zijn elitaire imago van zich af kan schudden, geen exclusief schoolvak hoeft te zijn voor de happy few die nu eenmaal over wat meer intellectuele bagage beschikken en dus ook wat meer uitdaging nodig hebben. Latijn kan een veel bredere groep van jongeren aantrekken dan vandaag in Vlaanderen gewoonlijk het geval is. Ook jongeren uit kansarme gezinnen, ook kinderen van allochtone afkomst. Het is een gedachte waar we wellicht even aan moeten wennen. Wij: dat zijn niet alleen opiniemakers en beleidsverantwoordelijken, maar ook en misschien wel vooral leerkrachten Latijn zelf.

Tweesporenbeleid

Nederland gidsland? Daar heeft men jaren geleden een ‘tweesporenbeleid’ uitgetekend dat de gestage afkalving van het oudetalenonderwijs een halt wist toe te roepen. Eenvoudig gesteld komt het erop neer dat er naast het traditionele, veeleisende taalonderwijs voor sterke leerlingen (het smalle spoor) een ruim opgevat cultuurvak is gecreëerd voor alle jongeren die belang stellen in de Oudheid (het brede spoor). Klassieke Culturele Vorming, zo heet het vak. Latijnse en Griekse teksten worden er enkel in vertaling gelezen. Er wordt ruime aandacht besteed aan de doorwerking van klassieke thema’s en motieven in de westerse beschavingsgeschiedenis en sterk ingezet op de zelfwerkzaamheid van leerlingen: die mogen zich – individueel of in een groep – naar hartenlust vermeien in de zelfstandige exploratie van goed gekozen onderwerpen; de leraar dirigeert niet, maar ‘coacht’.

Het populaire vak is erin geslaagd jongeren aan te trekken die anders op geen enkele wijze met de antieke literatuur en cultuur in contact zouden komen. Maar het vak staat ook open voor leerlingen die de taalvakken Latijn of Grieks volgen. En hier wringt precies de schoen. Alle leuke, opwindende aspecten van het oudetalenonderwijs lijken wel naar het cultuurvak te zijn versast; in de taallessen blijft er in de praktijk vaak enkel nog plaats voor gortdroge grammatica en hard vertaallabeur. In functie van het alom gevreesde eindexamen. Dat kan beter, zo oordeelde de Verkenningscommissie Klassieke Talen in haar eindrapport van 2010. Klassieke Culturele Vorming dient afgevoerd, of liever: samengesmolten met de traditionele taalvakken, die zich voortaan als taal- én cultuurvakken moeten profileren. De onderliggende gedachte laat zich makkelijk raden: nut en plezier, moeizame taalstudie en spannende cultuurverkenning moeten opnieuw onlosmakelijk met elkaar worden verenigd. Taalleren is cultuurleren, en omgekeerd.

Exit tweesporenbeleid? Zo’n vaart lijkt het vooralsnog niet te lopen. Hoe dan ook is het maar de vraag of dat beleid een adequaat antwoord biedt op de bedreigingen waar het oudetalenonderwijs in Vlaanderen – maar ook elders in Europa – mee wordt geconfronteerd. Dat onderwijs heeft niet alleen af te rekenen met een elitair imago: het zou zich enkel richten tot sterke leerlingen en zo een krachtdadig democratisch opvoedingsproject in de weg staan. Een project dat gelijke kansen voor iedereen hoog in het vaandel heeft staan. Het Vlaamse oudetalenonderwijs wordt bovendien ook ervaren als hopeloos ouderwets: het staat een modern, efficiënt taalbeleid in de weg. Een beleid dat tot doel heeft van onze jongeren meertalige, intercultureel competente burgers en ondernemers te maken. Daar dragen de schoolvakken Latijn en Grieks hoegenaamd niet toe bij, zo luidt de kritiek. En dus kunnen ze maar beter worden afgevoerd en vervangen door veel modieuzere taalvakken als Spaans, Arabisch of Chinees. In de bikkelharde concurrentiestrijd waarin Vlaamse classici en leerkrachten moderne talen momenteel verwikkeld zijn, riskeren de eersten genadeloos het onderspit te delven.

Latijn plus

Dat het anders kan, leert ons een boeiend onderwijsproject uit Duitsland. Daar hebben classici al veel vroeger begrepen dat zij een regelrechte confrontatie met de moderne talen onmogelijk kunnen winnen. Die hebben de wind nu eenmaal in de zeilen, deinen zegevierend op de golven van het Europese, neoliberaal geïnspireerde beleid dat een zo vrij en vlot mogelijk verkeer van geld, goederen én mensen nastreeft. Duitse classici hebben dan ook resoluut het geweer van schouder veranderd. In plaats van naast elkaar te werken of elkaar zelfs tegen te werken, slaan leerkrachten oude en moderne talen de handen beter in mekaar, zo beseften ze. Dat levert beide partijen alleen maar voordeel op. Een win-winsituatie dus, zij het misschien wel vooral voor de classici. Die hebben per slot van rekening meer te verliezen.

Samenwerking is het nieuwe parool geworden. Op basis van wederzijds respect. Maar niet noodzakelijk op grond van gelijkheid. De machtsverhoudingen zijn nu eenmaal wat ze zijn: de oude talen zitten in de verdrukking en horen zich dan ook bescheiden, ja zelfs dienstbaar op te stellen. Dat doen ze ook. Graag profileren ze zich als ‘oude vreemdetalenonderwijs’. Als onderwijs dat anders, maar complementair is aan het moderne vreemdetalenonderwijs: niet zozeer gericht op communicatie als wel op taalreflectie en tekstinterpretatie, minder gebaseerd op impliciete dan wel op expliciete taalverwerving.

Die strategische keuze heeft een heel concrete vertaling gevonden in het project ‘Latijn plus’, dat in de late jaren negentig in enkele Duitse scholen werd gelanceerd. Als specifiek maar complementair vreemdetalenonderwijs ging Latijn er een nauwe alliantie met het schoolvak Engels aan. En overleefde. Want het project verhinderde dat een leerling zou moeten kiezen voor Engels en tegen Latijn. ‘Latijn plus’ betekent inderdaad dat een leerling die in de eerste graad (verplicht) Engels als tweede taal volgt, er meteen ook (verplicht) Latijn bijneemt. Voor die levensverzekering werd een zekere prijs betaald. Het schoolvak Latijn moest het met een uurtje minder stellen en diende nadrukkelijker in functie van het Engels te worden gedoceerd. Die prijs werd zonder veel morren betaald. Het project bleek te werken en sloeg aan. ‘Latijn plus’ wordt inmiddels in tal van andere Duitse scholen gevolgd.

Latijn voor zwakke leerlingen

Intussen stelden Duitse leerkrachten oude talen ook daadwerkelijk hun elitaire imago bij. Onder meer door hun onderwijs beter af te stemmen op de alsmaar groeiende groep van leerlingen van allochtone afkomst. Een schier onmogelijke opgave, zo lijkt wel. Zijn allochtone jongeren niet per definitie kansarme jongeren, kinderen die door hun familiale achtergrond een taalachterstand hebben opgelopen en daardoor met ernstige leerproblemen te kampen hebben? In vele gevallen zijn ze dat inderdaad. Maar paradoxaal genoeg hebben juist zij het meeste baat bij een schoolvak als Latijn. Want dat is bij uitstek geschikt om de taalvaardigheid van achtergestelde leerlingen op te krikken, zo bleek. Die vaststelling leidde tot de voor classici wel erg verheugende conclusie dat Latijn een belangrijke rol kan spelen in het wegwerken of althans terugdringen van maatschappelijke ongelijkheid in het onderwijs.

Latijn in functie van een efficiënt gelijkekansenbeleid: misschien begint het sommigen nu even te duizelen. Dat is heel begrijpelijk. Want een hardnekkige beeldvorming heeft ons inmiddels geconditioneerd: het heeft ons dwingend doen denken dat Latijn alleen maar goed is voor de sterken, alleen maar goed kan zijn voor de sterken. Die beeldvorming hebben Vlaamse leerkrachten Latijn wellicht mee in de hand gewerkt. Door al te lang een methode te hanteren die te eenzijdig op de sterken was afgestemd. Door genoegzaam te teren op de geruststellend grote instroom van leerlingen in de eerste graad. Latijn is enkel goed voor de sterken, hoeft enkel goed te zijn voor de sterken, zo geloofden ze zelf. Door die houding en opvatting hebben ze bijna hun eigen graf gedolven.

Maar is het nog niet te laat. Gelukkig hebben zij nog de tijd om een mentale omslag te maken. Vernieuwende didactische projecten in Duitsland, Engeland en de Verenigde Staten kunnen daarbij helpen. Projecten die bewijzen dat Latijn geen exclusief of exotisch vak hoeft te zijn, maar integendeel een duidelijke meerwaarde heeft voor zwakkere leerlingen.

Die zwakke leerlingen blijken vooral problemen te hebben met de fonologische codering van woorden en zinnen. In mensentaal uitgedrukt: het ontbreekt hen aan de luistervaardigheid die nodig is om in een mondelinge boodschap de verschillende woorden correct van elkaar te onderscheiden. Daarnaast blijken ze grote moeilijkheden te ondervinden met een strak inductieve taaldidactiek. Ze slagen er met andere woorden minder goed in vanuit authentiek, veelal mondeling gepresenteerd taalmateriaal een interne grammatica op te bouwen.

Juist op die punten biedt het schoolvak Latijn een onmiskenbare meerwaarde. Anders dan de moderne talen besteedt het veel meer aandacht aan leesvaardigheid. Taalmateriaal wordt in eerste instantie in de vorm van te lezen (en te herschrijven) woorden, zinnen, teksten gepresenteerd. Juist die sterke klemtoon op lezen en (her)schrijven blijkt voor zwakke leerlingen een onmisbaar middel te zijn om hun taalvaardigheid in het algemeen op te krikken: visuele (en motorische) verwerking compenseert een zwak auditief vermogen. Anders ook dan de moderne talen is Latijn wezenlijk een ‘analytische’ taal. In de les Latijn leert de leerling een woord, een zin, een tekst dan ook doorgronden door dat woord, die zin, die tekst minutieus te ontleden, systematisch in haar verschillende onderdelen op te breken en te duiden. Die tragere, meer stapsgewijze manier van taalleren, waarbij grammatica nadrukkelijker aan bod komt, blijkt een positieve impact te hebben op de taalverwerving van zwakke leerlingen in andere taalvakken.

Bovendien heeft Latijn het onnoemelijk grote voordeel dat het een gelijke uitgangspositie voor alle leerlingen garandeert: Latijn is in wezen even vreemd voor kinderen van een modaal Vlaams burgergezin als voor kinderen uit een arbeidersmilieu of van allochtone afkomst. Alvast op dat punt verschijnen zij allemaal zonder uitzondering gelijk aan de startlijn. In het schoolvak Latijn worden die laatste groepen dus niet bij voorbaat ontmoedigd door de onzichtbare taalbarrière die hen elders maar al te vaak van Vlaamse ‘burgerkinderen’ scheidt. En dat verhoogt meteen hun kansen op succesbeleving. Een cruciale voorwaarde om vooruitgang te boeken – in Latijn, in taalvaardigheid zonder meer.

Iedereen Latijn? Neen: wie er geen belangstelling voor heeft, begint er beter niet aan. Latijn voor iedereen? Ja: met een aangepaste, voldoende ‘zorgzame’ didactiek heeft bijna iedereen er wat aan. Ook zwakkere leerlingen. Ook allochtone jongeren.


Literatuur

Barbara Hill, ‘Latin for Students with Severe Foreign Language Learning Difficulties’, in John Gruber-Miller (ed.), When Dead Tongues Speak. Teaching Beginning Greek and Latin, American Philological Association, Classical Resources Series, 6, Oxford University Press, Oxford, 2006, blz. 50-67.

Caroline Kroon en Ineke Sluiter, Het geheim van de blauwe broer. Eindrapport van de Verkenningscommissie Klassieke Talen, Den Haag, 2010.

Stephan Thies, ‘“Latein-Plus”. Latein und Englisch in den ersten Jahren des Gymnasiums in Baden-Württemberg und Nordrhein-Westfalen’, in Der Altsprachliche Unterricht, 47.1, 2004, blz. 54-59.


© S T R E V E N