Op 29 november 2025 overleed Hugo Roeffaers in Heverlee, in de ziekenboeg van het Jezuïetenklooster waarvan hij een tijd lang overste was geweest. Hij werd op 30 juli 1938 geboren te Riksingen, een gehucht van Tongeren, als tweede zoon van een onderwijzersfamilie (zowel vader als moeder). Op 18 jaar trad hij binnen in de Sociëteit, dertien jaar later werd hij priester gewijd.
Hugo volgde een klassieke jezuïetenopleiding, die op zich al indrukwekkend genoeg was: hij studeerde er filosofie en theologie en behaalde daarnaast een kandidaatsdiploma in de klassieke filologie. Maar zijn liefde ging vooral uit naar Germaanse talen. Hij koos uiteindelijk voor de opleiding Germaanse filologie aan de KU Leuven, waar hij die studie in 1977 afrondde met een doctoraat over de invloed van het filosofisch denken op de literaire kritiek van T.S. Eliot. Een deel van zijn proefschrift werd in 1988 uitgegeven onder de titel Eliot’s Early Criticism: Philosophical Explorations in “The Sacred Wood”.
Vervolgens ging hij les geven aan de UFSIA in Antwerpen, maar hij nam zijn academische taak bewust deeltijds op. Zo bleef er voldoende ruimte over voor breder maatschappelijk engagement als priester in de woelige post-conciliaire periode die de Kerk meemaakte. Vanuit zijn jezuïtische inspiratie zette hij zich in voor talloze projecten en hij deed dat met veel organisatietalent. Ik vermeld er hier slechts twee: Marriage Encounter en de Gezinsgroepen.
Aan de universiteit verzorgde hij de cursussen ‘Hedendaagse Engelse literatuur’ en ‘Taalfilosofie’. In de periode dat Hugo doceerde, stond onderzoek doorgaans in dienst van het onderwijs. De twee cursussen vormden dan ook de aanleiding voor het schrijven van zijn twee belangrijkste publicaties. De bloemlezing, Van Yeats tot Heaney: een eeuw poëzie, verscheen in 1997. Ze verzamelde eigen vertalingen van representatieve gedichten van de belangrijkste Britse dichters uit de twintigste eeuw, die hij van kundig commentaar voorzag. Seamus Heaney (1939-2013) en T.S. Eliot (1888-1965), allebei Nobelprijswinnaars, waren zijn favoriete dichters. Twee jaar later verscheen zijn taalfilosofische studie, Taal en woordkunst: een filosofische verkenning die verschillende herdrukken kende.
Hugo was een taalliefhebber, een minnaar van het woord. Niet toevallig dat hij einde jaren tachtig van de vorige eeuw als hoofdredacteur van Streven werd aangezocht, in opvolging van Frans Van Bladel. Ongeveer tien jaar vervulde hij die taak, nauwgezet en behoorlijk streng teksten redigerend, in de geest van Frans. Onder zijn leiding evolueerde Streven tot een heuse vrijplaats, een breed project van kritische reflectie over het maatschappelijk reilen en zeilen. Rond het papieren tijdschrift ontstond een netwerk van leesgezelschappen die maandelijks samenkwamen. Daarnaast bracht hij de Vlaamse en Nederlandse redactie na dertig scheiding opnieuw samen.
Ik ben zelf in 1991 door hem aangezocht toe te treden tot de redactie. We deelden een aantal interesses: filosofie, religie, literatuur maar ook politiek en voetbal. Bij Hugo langskomen op zijn bureau in de Sanderusstraat was steeds een belevenis. Hij hield van vriendschap en gezelligheid. Als verantwoordelijke hoofdredacteur bewaarde hij krantenknipsels voor zijn redactieleden die hij dan als achtergrondinformatie meegaf voor een artikel of een forumstuk. Hugo had een mooi handschrift, op elk artikel schreef hij de datum en de bronvermelding. Vaak was zo een kattenbelletje een alibi om elkaar op te zoeken. Je kon open met hem spreken over heel veel, hij ontving je steeds heel gastvrij, maar als je te dicht kwam in de buurt van zijn diepste innerlijk, hield hij je op afstand, soms plots en onverwacht, doorgaans met een plaagstoot, een kwinkslag, soms ironisch met een vleug cynisme.
In een vraaggesprek met enkele studenten voor het Mededelingenblad van de Leuvense Germanisten in 2017 werd hem gevraagd hoe hij zou omschrijven wat jezuïet zijn precies inhoudt. Zijn antwoord was laconiek: ‘Om het wat simplistisch te zeggen: wij bidden niet de hele dag maar zijn ook met andere dingen bezig’. Dat was Hugo ten voeten uit. Maar op de daarop volgende vraag, of hij geloofde in een leven na de dood, liet hij die afstandelijke houding helemaal achterwege: ‘Ik geloof in een God die liefde uitstraalt. Waarom zou die ophouden met mij lief te hebben en mij doen verdwijnen in het niets? Dat kan ik mij niet voorstellen. Maar als u nu gaat vragen hoe dat er in de praktijk uit zal zien, dan moet ik u het antwoord schuldig blijven.’
Ook dat antwoord tekende Hugo ten voeten uit. ‘Ik kom terug om u op te nemen bij Mij, opdat ook gij zult zijn waar Ik ben’, lees ik nu op zijn doodsbericht. Ik denk aan hem en hou de herinneringen aan hem bij, in het geloof dat hij nu is waar hij altijd hoopte te zullen zijn.