Het vergt noch veel oorspronkelijkheid noch veel inzicht om de wereld van de jaren ’90 tegenover de wereld van vandaag te zetten. Zij verschillen dramatisch in termen van de verdeling van economische macht tussen landen, en in termen van ongelijkheid binnen landen. Maar zij verschillen ook in de heersende geest, ten minste in de Westerse wereld.
Misschien kan men beginnen met de karakterisering door Tocqueville van een vergelijkbare tijd in het Frankrijk van de jaren 1830:
De bijzondere inzichten van de middenklasse werden de algemene beginselen van de regering; zij overheersten de buitenlandse politiek evenzeer als de binnenlandse aangelegenheden: het was een bedrijvige, vindingrijke, maar dikwijls oneerlijke geest die de toon aangaf; doorgaans ordelievend, soms vermetel uit ijdelheid en zelfzucht, beschroomd van aanleg, gematigd in alles behalve in zijn gemakzucht, èn middelmatig; een geest, die, vermengd met die van het volk of van de aristocratie, wonderen kan verrichten, maar die op zichzelf nooit een andere regering kan voortbrengen dan een met mindere kracht en zonder grootheid.[1]
Die geest, ‘vermetel uit ijdelheid en zelfzucht’, doordrong samenlevingen van binnenuit, en bezielde de internationale politiek. Hij werd in wezen geboren uit de nederlaag van het communisme. Het was een optimistische geest van opnieuw opgewekt kapitalisme, naar voren gebracht door eerst Margaret Thatcher en vervolgens Ronald Reagan en Deng Xiaoping, hoewel laatstgenoemde hem niet zo noemde. Tegen het midden van de jaren ‘80, met Gorbatsjov aan de macht in de Sovjet-Unie, was de ideologische opmars van het kapitalisme als manier om de economie te organiseren, en van de liberale democratie als manier om de samenleving te ordenen, op zijn hoogtepunt. Met de ontbinding van het Warschau Pact en het verdwijnen van de Sovjet-Unie werden de ideologische en geopolitieke dimensies verenigd. Dit was de triomf van een ideologie, maar evenzeer een triomf van een aantal Westerse landen. De beide triomfen waren onderscheiden, maar in het denken van veel van degenen die ervan profiteerden werden zij als één gezien: de triomf van het Westen werd mogelijk gemaakt omdat het een superieure ideologie had aangenomen. In beginsel weerhield niets anderen ervan even succesvol te zijn, als zij dezelfde regels aanvaardden. Bovendien, zo werd beweerd, zou de inhaalrace in technologische en economische ontwikkeling die dit met zich mee zou brengen door de toen overheersende landen niet kwalijk worden gevonden, want – en dit was een belangrijk onderdeel van de ideologie – dan immers was de wereld ‘veroordeeld’ tot leven in harmonie en vrede. Want schept de handel tussen landen en individuen geen harmonie van belangen en geen wereldmarkt die alleen bij vrede kan bloeien? En is het niet zo dat ‘tevreden’ democratische landen (om de terminologie van John Rawls te gebruiken) noch jaloezie jegens elkaar kennen noch de begeerte naar elkaars gebied of rijkdom, en dat zij dus geen behoefte aan oorlogen voelen?
Werd echt geloofd in de geest van de jaren ’90 door degenen die hem aanhingen, en waren zij zich bewust die zij erin zouden kunnen hebben geloofd omdat het moreel en materieel aangenaam voor hen was? Ik heb het altijd lastig gevonden een antwoord op deze vraag te vinden. Maar ik vind het niet lastig die geest te beschrijven en te plaatsen, met name omdat ik hem heb meegemaakt in een omgeving die hem mogelijk beter weerspiegelde dan welke plaats ter wereld ook: in Washington, D.C., werkend voor een internationale instelling en daarna voor een Amerikaanse denktank. Ik was bij het kruispunt waar die geest opkwam onder de heersende klasse in de Verenigde Staten, maar in de jaren ‘90 werd aanvaard door iedereen die er ergens in de wereld toe deed. Iedereen die er toe deed (dat wil zeggen, iedereen die een zekere mate van politieke en economische invloed had – en dit waren de mensen die ik en rond Washington ontmoette, uit welk verafgelegen land zij ook kwamen) geloofde erin. Of leek erin te geloven.
Het was een geest die gewapende conflicten als verouderd zag, die meende dat alle kwesties kunnen worden opgelost door technologische vooruitgang of economische plannen. Hij zag de commercialisering van alle activiteiten niet alleen als zodanig als wenselijk, maar ook als middel tot een meer welvarende en vreedzame wereld. Als er nog een probleem was, dan was dat omdat er nog geen technologische oplossing voor was uitgevonden, of omdat er nog geen markt was geschapen waar het probleem kon worden geveild en opgelost. Het was precies de enge geest van de middenklasse zoals beschreven door Tocqueville: zonder grootheid, maar zonder dit te beseffen en zonder het na te streven. Hij was geen oorlogszuchtige geest; hij was vreedzaam, en vertrouwde op de volmaakbaarheid van mens en maatschappij. Hij was teleologisch. Hij zag de geschiedenis niet als een cirkel, maar als een rechte opgaande lijn.
Wat veel van zijn aanhangers niet zagen was dat hij ook hun eigen materiële belangen diende. Zij wilden niet naar dat onderdeel kijken, of vermoedelijk waren ze onwillig het zelfs maar aan zichzelf toe te geven. En in feite was dit zelfs ook niet duidelijk zolang hun belangen in overeenstemming waren met de geest van de tijd. Wat problemen veroorzaakte, en wat uiteindelijk de geest van de jaren ‘90 vernietigde, was dat de materiële belangen van veel individuen en de geopolitieke belangen van sommige landen niet langer goed gediend waren met de geest van de jaren ‘90.
In materieel opzicht verzwakte de opkomst van China, en breder gezien Azië, de economische positie van de Westerse middenklasse, en maakte haar banen overbodig of onzeker, terwijl op het geopolitieke toneel de opkomst van China de dominante positie van de Verenigde Staten bedreigde. Deze dubbele verandering (op het individuele en op het nationale niveau) onthulde diepe tegenstrijdigheden in de geest van de jaren ‘90. Er werd beweerd dat die geest ‘delend’ en kosmopolitisch was, en dat was hij inderdaad zolang de relatieve verbeteringen in de Derde Wereld landen en volken betroffen zonder macht van betekenis op wereldniveau. Maar zo gauw die verbetering zich voldoende had verspreid (zoals in China), was zij niet langer wenselijk. Dus was men genoodzaakt te concluderen: verbetering van de welvaart van de armen is alleen wenselijk zolang die niet de relatieve macht en positie van de rijken merkbaar beïnvloedt. Maar als een dergelijk voorbehoud wordt gemaakt, wordt de hele vreedzame en kosmopolitische geest van de jaren ‘90 ontmaskerd als een ideologische dekmantel ten dienste van de belangen van de rijken.
Als we verder gaan en kijken naar de concrete toepassingen van die ogenschijnlijk genereuze en kosmopolitische geest, vinden we steeds sterkere tegenstrijdigheden: hij werd voor vrienden en voor anderen verschillend toepast. In de woorden van Mark Carney[2]: ‘we wisten dat het verhaal van de op internationale regels gebaseerde orde deels onwaar was. Dat de sterksten een uitzondering voor zichzelf maakten als dat beter uitkwam. De handelsregels werden asymmetrisch afgedwongen. En we wisten dat het internationale recht met uiteenlopende kracht werd afgedwongen, afhankelijk van de identiteit van de beschuldigde of het slachtoffer’. Politieke zelfbeschikking werd in het ene geval goedgekeurd, terwijl zij werd afgekeurd in het andere; democratische beginselen van multiculturaliteit en vermenging werden in het ene geval geprezen, in het andere gehekeld; democratie werd geprezen als zij de gewenste partijen aan de macht bracht, maar hetzelfde principe werd genegeerd in het geval van een ‘slechte uitkomst’.
Hoe meer de herverdeling van economische en politieke macht voortging, hoe zichtbaarder de tegenstrijdigheden in de geest van de jaren ‘90 werden. Regels moesten met toenemende inconsequentie worden toegepast, want ideologische tegenstrijdigheden vormden de enige manier om materiële superioriteit overeind te houden. Zo begon de aanvankelijk trage, dan versnelde afbraak van de geest van de jaren ‘90, totdat duidelijk werd dat hij niet anders was dan de geest van veel verleden tijdperken: een ideologie aangenomen en uitgedragen door die klassen die het goed deden onder haar regels en die er belang bij hadden hem overeind te houden. Toen dit eenmaal duidelijk werd, stortten ook de ideologische steigers in die waren opgetrokken om het systeem billijk en bevorderlijk voor de wereldwijde welvaart te laten lijken. We waren terug bij het traditionele uitgangspunt waarin het bedekken van eigenbelang onder de mantel van een of andere vooruitgang voor de mensheid niet langer geloofwaardig was – dus keerden we terug naar tijden van hardere, maar in veel opzichten meer oprechte, open strijd, alleen gedreven door eigenbelang.
- Empirisch bewijs voor sommige van de punten die hier worden gemaakt wordt geboden in mijn Great Global Transformation.
(vertaling: Herman Simissen)
Branko Milanović (°1953) is een Servisch-Amerikaanse econoom, onder meer verbonden aan de City University of New York en de London School of Economics. Hij is vooral bekend door zijn werk over inkomensverdeling en ongelijkheid. De oorspronkelijke tekst verscheen op 19 augustus jl. op https://branko2f7.substack.com/p/the-spirit-of-the-nineties-and-the en wordt hier met toestemming van de auteur in Nederlandse vertaling gepubliceerd.
[1] Alexis De Tocqueville, Mijn herinneringen aan de omwenteling van 1848, vertaald door S. J. Bouberg Wilson, G. Schreuders, Asterdam, z.j. [1906]. Citaat gemoderniseerd door de vertaler.
[2] De premier van Canada. (noot van de vertaler)
